donderdag 8 september 2016

Cornelis Rijnsdorp -- 8 september 1940

Cornelis Rijnsdorp (1894-1982) was een Nederlands schrijver en recensent. Van 1940 t/m 1950 hield hij een 'literair dagboek' bij.

8 september 1940
Ik herinner me ergens eens te hebben gelezen, dat onze dromen nooit gekleurd zijn, maar zich altijd afspelen in zwarte, witte of grijze tinten. Dit stemt niet met mijn ervaring van dromen overeen. Bij mij speelt juist altijd een of andere kleurwerking een belangrijke rol. Niet het hele droombeeld is gekleurd, dat herinner ik mij althans niet, maar wel een deel ervan. Die opgaande zon onlangs was bleek-paars. Gisterennacht droomde ik van een vrij grote, maar niet hoog-gezolderde ruimte, half winkel, half werkplaats. De eigenaar, een soort drogist of verfhandelaar, zag ik minder duidelijk. Het was een man van achter in de vijftig; in het begin van de droom had hij, meen ik, geen baard; later wel. Duidelijker zag ik zijn vriend, een kunstschilder, ook een man van achter in de vijftig, die ik later van opzij heel duidelijk zag met zijn korte, volle, een beetje kroezende zwarte baard. Nu ik wakker ben zou ik aan Paul Cézanne denken. De schilder was, wat dieper in die werkplaats, bezig dood op zijn gemak een beschilderd doek, dat op een ezel stond, schoon te maken. In mijn droom zag ik het doek schuin van opzij. Er was ergens een partij van dikke, korrelige verf, grijs, goud, wit en andere tinten door elkaar vertonend, waarin de schilder een poos bleef kijken, alsof er diepte in was. De andere man ging intussen blijkbaar zijn gang. Er werden bijna geen woorden tussen die twee gewisseld; blijkbaar een superieure vriendschapsverhouding, verborgen achter schaarse, brommerige conversatie. Twee oude mannen, volmaakt rustig en tevreden in elkaars tegenwoordigheid. Later zag ik, dat de schilderij een menselijke figuur voorstelde, groot en ten voeten uit geschilderd tegen een landschap als achtergrond. Die figuur, een man van ongeveer dertig jaar, met lokken en een korte dunne baard, zou Johannes de Doper, of Jezus als mens kunnen voorstellen. Ik herinner me de ellebogen en iets van kledingstof daarbij afhangend. De figuur stond een klein beetje met de benen uit elkaar, alsof hij van het schilderij af iets naar de verte wilde roepen of dat roepen in zijn houding wilde uitdrukken.
Later zag ik het weer schuin en de schilder, met een opgevouwen doekje in de hand, volmaakt rustig en op zijn gemak bezig met het schoonmaken. Zelf zat ik rechts apart, achter een breed soort tafel op schragen, of een lessenaar, en ik zag mezelf zo zitten, met een gladgeschoren gezicht, breed van boven en smal bij de kin, in een tamelijk heldere belichting, misschien ontstaan doordat er een glasplaat op de tafel voor mij lag.
Later probeerde ik die mannen duidelijk te maken, dat dit ook mijn thuis was en dat ik aanspraak erop kon maken mij hier te bewegen en tussen hen te verkeren. Hun duidelijke onwil kon ik niet aanvaarden en ik voelde wel dat ze in de grond me niet verwierpen, maar - zoals ik dat achteraf construeer - ze waren te oud geworden en in hun kostbare, zwijgende en brommerige vriendschap te zeer vergroeid, dan dat ze nog aan nieuwe relaties konden denken. Ik voelde mij als afgesneden van de bron van het leven, alsof men mij het recht betwistte (ontkende is beter) in en bij het mijne te leven. Ik herinner me dat ik zei schrijver te zijn, een argument dat mij voorkwam afdoende te wezen, maar dat op hen niet voldoende indruk maakte.

De ideale omstandigheden waaronder ik zou willen schrijven, die mij dus als een maximum voorkomen, zijn, vanuit de eisen van goede schrijfkunst gezien, een minimum: een zo juist door slaap of rust verfrist lichaam, een schoongewassen en bij de kin geschoren huid, een lichaam zonder afleidende of onrustig makende behoeften, schone kleren, een stemming zonder bitterheid, onrustigheid of zoiets en dan een betrekkelijke stilte in de omgeving. Dit alles als ik ga beginnen. Ben ik er eenmaal ‘in’, dan komt er niets meer op aan.

[ De lectuur van Ortega is me niet meegevallen. Leest men een poos van die cultuurbeschouwingen achter elkaar, zoals van Nietzsche, Huizinga, Ter Braak of Ortega y Gasset, dan krijgt men een gevoel van tegenzin. Men zou de tijd als een nieuwe bezettende macht kunnen zien, de cultuurhistorisch belezen intellectueel als iemand, die vóór de bezetting een rol speelde in het politieke of publieke leven en die nu probeert zich tegen de tijd te handhaven, ja erboven te blijven. In al die beschouwingen voelt men de pogingen van het door wetenschap gescherpt en gevoed verstand om zich tegen het leven te verweren en 't de baas te blijven. Cultuurhistorische beschouwers zijn leerling-zweefvliegers, die vergeten dat ze landen moeten of hoe ze landen moeten. Op nog meer afstand gezien zijn hun beschouwingen dorre blaren, die door de grondwinden opgeworpen worden en er korte of langer tijd op blijven ronddrijven. Zelfs de christen-denkers, zoals Augustinus en Pascal, zijn van dat element dat zo menselijk is, niet helemaal vrij. Maar zij hebben het althans over ‘uitkomsten tegen de dood’. De anderen loven het leven en verzwijgen de dood, treden die althans nooit met open vizier tegemoet.
Wanneer een wijsgeer al te glad en vloeiend wil gaan schrijven, ziet men pas goed hoe naakt en armelijk de grond van zijn geesteshouding is. Waarom worden die socratische of platonische gesprekken altijd in een idyllische omgeving gevoerd en niet bijvoorbeeld bij een mijnschacht na een ramp, op een slagveld of tijdens een bombardement? Al was het maar tijdens een bevalling. Vervalst de gedekte tafel of de mooie entourage niet onmerkbaar het denken en spreken?

De door mij in dit aantekenboek gevolgde methode, de gedachten niet tot hun laatste mogelijkheden aan te scherpen, doch ze min of meer onbekommerd op te schrijven, heeft zijn nadelen, maar brengt ook winst mee. Overigens is een element van teleurstelling aan elk opschrijven verbonden.

Stel nu dat ik van die droom over die twee oude vrienden een novelle maakte, dan zou de dagdroom die ik aan de nachtdroom zou ontspinnen, iets geheel anders zijn, afgezien nog van de noodzakelijkheid van een dramatische gebeurtenis, waar een droom zich in het geheel niet om bekommert. De vraag blijft hoe men aan het gegeven van zulk een droom komt. Herinnering aan lectuur over Cézanne speelt ongetwijfeld een rol. Vermoedelijk ben ik èn de drogist-verf-handelaar èn de oude schilder èn de schrijver op de achtergrond. De drogist is de dagelijkse mens die zijn brood verdient; de schilder is bepaald een zelfconceptie; op mijn gemak, vrij van zorgen, restaureer ik mijn geheugen en helder een beeld op van een mens. Ondanks de min of meer ideale vermomming kan die geschilderde figuur wel iets met mijn religieus-esthetische ‘zelf’ te maken hebben, laat ik in conferentietaal zeggen de ‘christen-kunstenaar’, die ik graag zou zijn en dus enigermate moet zijn. Maar dan blijft de verhouding tot de figuur op de achtergrond, die ik in de droom met mezelf vereenzelvigde, onverklaard, zoals trouwens de hele droom, die ik nu verder maar laat voor wat hij is.
De uitlegging die ik hierboven heb geprobeerd, herinnert me overigens wat ik eens van Wilhelm II heb gelezen, die bij elke gelegenheid het middelpunt wilde vormen: bij een kerkdienst wilde hij de predikant, bij een trouwerij de bruidegom en bij een begrafenis het lijk zijn.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen