maandag 12 september 2016

Luuk Gruwez -- 13 september 1997

• Luuk Gruwez (1953) is een Vlaamse schrijver. In Het land van de wangen kijkt hij terug op episodes uit zijn leven. Het hart van het boek vormen de dagboeknotities die hij enige jaren bijhield naar aanleiding van zijn bezoeken aan zijn steeds verder aftakelende grootouders.

Deerlijk, vrijdag 12 september 1997
Vanmiddag maak ik in de Fondation Jacques Brel in Brussel een tentoonstelling mee die een getrouwe weergave wil zijn van een concertavond met de zanger in een willekeurig Noord-Frans stadje. Te dien behoeve is ook een stationsbuffet gereconstrueerd waarin zich een jukebox uit de jaren zestig bevindt. Ik druk ‘Les Vieux’ in. Daarna spoed ik mij naar Deerlijk. Bij mijn aankomst ligt Liesje in een diepe slaap; zij ziet erg bleek. Al meer dan twintig uur is zij niet meer wakker geworden. De voorbije nacht heeft zij voortdurend liggen kreunen: mogelijk een nachtmerrie. Knor heeft dat als pijn geïnterpreteerd en er tegen één uur ’s nachts de dokter bij geroepen. Die heeft haar platgespoten.
Nu ligt zij zo zalig te slapen als ik dat haar nog nooit heb zien doen. Maar Knor is er niet gerust op, schreeuwt om de vijf minuten: ‘Marraine, marraine, marraine.’ Zij geeft geen krimp.
Vanavond blijft zij maar slapen. Het ziet ernaar uit dat zij zomaar, zonder het minste vermoeden, één dag uit haar leven heeft overgeslagen.

Deerlijk, 13 september 1997
Knor is van de week, midden in de nacht, uit zijn bed gevallen, toen hij naar het urinaal achter zijn hoofdkussen reikte. Vervolgens is hij op de grond blijven liggen tot hij ’s ochtends door de huishoudster van dienst werd gevonden. Maar de voorbije nacht is wel erg bewogen geweest. Tot drie keer toe moest ik het bed uit.
De eerste keer schreeuwde hij mij eruit omdat hij niet meer wist of hij zijn slaappil wel had ingenomen. De tweede keer, omstreeks twaalven, kreeg hij last van buikpijn. Kon niet kakken en niet plassen. Ik moest over zijn pens wrijven. En inderdaad: het leek of die op het punt stond te exploderen. Daarna, om half twee, moet hij mij nog eens geroepen hebben, maar ik was te diep in slaap om iets te horen.
Derhalve seinde hij de buurman op, die met een duplicaatsleutel het huis binnendrong, de dokter optrommelde, vervolgens aan het voeteneind van mijn bed postvatte en mij wakker riep.
Een halfuur later. De dokter komt eraan. Knor heeft inmiddels twee verdacht zwarte drollen in het mobiele wc’tje gedeponeerd. Er hangt stront aan zijn beddengoed en aan zijn pyjama. Rectale ploeteraar, denk ik, Céline indachtig. Hij kan nog altijd niet plassen. De dokter legt een sonde aan, nadat hij een vergroting van de prostaatklier en een blaasinfectie heeft vastgesteld. Ik hoor mijn opa kreunen terwijl de sonde zich een weg door zijn prostaat boort. Al die tijd ís mijn opa zijn prostaat. Maar dan de opluchting: twee liter urine worden afgetapt. Mijn opa is weer mijn opa.
Het is twee uur in de nacht en uitgerekend nu wordt Liesje eindelijk wakker. Zij heeft een gezonde blos, kijkt me met grote ogen aan – precies verliefd – en drinkt gulzig van het bekertje water dat ik haar geef.
Wanneer ik weer ga slapen, beantwoorden zowel Knor als zij aan de eisen die aan hoogbejaarden worden gesteld: zij zien eruit alsof zij niet geschapen zijn om vergeten te worden. ’s Ochtends betreed ik de badkamer en het eerste wat ik vaststel: de zeep is op. De zeep is op! Maar die twee: neen, die nog niet. Nogmaals: zij leven, zij hebben gewonnen. Ik leg mijn pen neer.

Knor heeft naar alle waarschijnlijkheid prostaatkanker, al ga je daar op zo’n hoge leeftijd niet meteen van dood. Vlak voor ik vandaag vertrek, zucht hij: ‘Luuk, ge gaat mij toch niet in de steek laten, zeker?’ Ik, sec: ‘Ik woon in Hasselt.’
Hij staat uit zijn stoel op en met zijn looprek begeeft hij zich richting tafel. ‘Waar gaat ge naartoe?’ vraag ik. ‘Naar ’t kerkhof,’ zegt hij, ‘naar ’t kerkhof, godverdomme.’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen