donderdag 22 september 2016

Hans Fallada -- 23 september 1944

• De Duitse schrijver Hans Fallada (1893-1047) zat in 1944 enige tijd in de gevangenis wegens poging tot doodslag; in deze tijd schreef hij 'berichten uit de gevangenis, die zijn gepubliceerd in In meinem fremden Land (door Anne Folkertsma vertaald als In mijn vreemde land).

23-IX-44 - Op een dag in januari [1933] zaten mijn brave uitgever R.[owohlt] en ik 's avonds in Schuchters wijnlokaal in Berlijn aan een vrolijke dis. Onze wederhelften en een paar goede flessen Steinwijn hielden ons gezelschap. We waren, zoals het in de Schrift staat, vol goede wijn en deze keer was hij bij ons ook goed gevallen. Bij mij kon je daar niet altijd van op aan. Het was heel onvoorspelbaar welke uitwerking wijn op me had, meestal maakte hij me twistziek, betweterig en opschepperig. Maar die avond gebeurde dat niet en had hij me in een vrolijke, wat spotzieke bui gebracht, dus ik was het ideale gezelschap voor R., die onder invloed van alcohol altijd in een reusachtige, honderd kilo zware zuigeling verandert. Hij zat met een vuurrood gezicht aan tafel, terwijl de alcohol als het ware uit alle poriën van zijn lichaam leek te wasemen, een soort moloch, maar een tevreden, verzadigde moloch, terwijl ik mijn grappen en anekdotes ten beste gaf, waar zelfs mijn brave eega hartelijk om moest lachen, hoewel ze die verhaaltjes al minstens honderd keer had gehoord. R. had de toestand bereikt waarin zijn geweten hem weieens opdraagt ter vermaak van de gasten ook een duit in het zakje te doen: hij liet de kelner dan soms een sektglas brengen dat hij, op de steel na, stukje bij beetje met zijn tanden verbrijzelde en helemaal opat - zulks tot afschuw van de dames, die er niet over uit konden dat hij zich daarbij in het geheel niet sneed. Ik heb echter één keer meegemaakt dat R. bij deze haast kannibalistisch aandoende glasvreterij zijn meester vond. Hij liet een sektglas brengen en een stille, zachtmoedige heer uit het gezelschap deed het hem na. Rowohlt at het glas op, de heer ook. Rowohlt zei genietend: 'Zo! Dat heeft me goedgedaan!' Hij vouwde zijn handen op zijn buik en keek triomfantelijk in het rond toen de zachtmoedige heer hem aansprak. Hij wees op de kale glazen steel die voor R. stond. Verwijtend vroeg hij: 'En de steel eet u niet op, meneer Rowohlt? Die is nu juist het lekkerst!' Na deze woorden werkte de zachtmoedige heer hem onder onbedaarlijk gelach van het gezelschap naar binnen. R., die zijn triomf aan zijn neus voorbij zag gaan, was pisnijdig en heeft het zachtmoedige heerschap die nederlaag nooit vergeven!
[...]

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen