vrijdag 21 oktober 2016

Koos van Zomeren -- 22 oktober 2011

Koos van Zomeren (1946) is een Nederlandse schrijver. Dit fragment komt uit Het verlangen naar klapekster, waarin de klapekster een centrale plaats heeft.

22/10/'11 Bij het eerste daglicht op het Rozendaalse Veld, gouden gloed over het pijpenstro, rijp op het gras: de winter is het terrein aan het verkennen. De rozevingerige dageraad - van wie was dat ook weer? In dit licht: blauwe kiekendief, mannetje. Op zijn huid gezeten door een stel zangertjes vloog hij in noordoostelijke richting. Dat is in ieder geval de goede kleurstelling al: grijsblauw van een zo indringende helderheid dat het wit lijkt, waardoor het nog sterker contrasteert met het ook aanwezige zwart. (Eén keer heb ik, bij de brandtoren ongeveer, klapekster en blauwe kiekendief in één kijkerbeeld gehad, onvergetelijk!)
Tot aan de rand van de Imbosch. Op de terugweg. Ik dacht: er zal bij de Vogelwerkgroep Arnhem best iemand zijn die je binnen drie kwartier naar een klapekster kan brengen. Ik dacht: er zal ook wel een website zijn met informatie waarmee je jezelf binnen drie kwartier naar een klapekster kunt brengen. Maar dat zou flauw zijn, dat zou alle verdere inspanningen belachelijk maken.
De zon links van me, dus ik kijk naar rechts. Negen uur. Klapekster in de top van een halfwas dennetje!
Mijn handen waren te koud om ter plaatse aantekeningen te maken, te koud ook bijna om de verrekijker te bedienen. Bovendien begon Stanley al na twee minuten te piepen, die vond dit kennelijk nog saaier dan een hazelworm.
Was-ie niet te donker voor een klapekster?
Intussen was het wat winderig geworden. Nu eens zat die vogel met zijn borst, dan weer met zijn rug naar mij toe. Toen slaakte hij een kreetje. Hij streek af en spurtte laag over de hei naar zijn volgende zitplaats, de top van een nog kleiner dennetje. Opnieuw in de kijker: onmiskenbaar klapekster. Daarna vloog hij weg.
Al met al zit hier nu een tevreden mens zijn aantekeningen uit te schrijven. Ik zou de hele dag wel door willen gaan met schrijven. Maar ja, wat?

- Later - briefje van Lisette: 'Afgelopen maandag en vanochtend (vrijdag) klapekster gezien. Jullie waren gewoon twee dagen te vroeg.' Dus ik bel haar om te vragen waar. Aan de voorkant van hun huis, maar dan min of meer tegen de voet van de stuwwal aan; geen heiland maar weiland. En om te vertellen over de mijne natuurlijk.

- Later - Petersons: 'Juv. grijsbruin, met bruine golfstreepjes op onderdelen.' Dat zal dan die donkerte wel verklaren.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen