zondag 30 oktober 2016

Helen Roseveare -- 29 oktober 1964

• De Engelse Helen Roseveare (1925) was van 1953-1973 als arts en missionaris werkzaam in het zeer onrustige Congo. Haar dagboek over een zeer roerige periode in 1964 is gepubliceerd als Dokter onder rebellen (vertaling T.B. van Houten).

De 'leeuwen' komen
Donderdag 29 oktober tot zondag 1 november 1964. Donderdag kwamen „zij" in de nacht tussen één uur en half drie. Ik sprong uit bed, trok een kimono aan, greep een zaklantaren en vloog naar de voordeur, waar een angstaanjagende stem krijste dat ik dadelijk de deur moest opendoen voor de Armée populaire, of anders zouden zij met geweld binnendringen. Ik riep de twee verplegers voor de nacht, die bangelijk uit hun kamer kwamen. Wij openden de deur en vijf of zes gewapende bullebakken drongen om ons heen; zij zeiden schrikwekkende woorden en wilden mijn man hebben. Ik verklaarde dat ik ongehuwd was, en zij noemden mij een vervloekte leugenaarster; mijn man hield zich natuurlijk schuil en zij zouden huiszoeking doen. Zo liepen wij als verdoofd voor hen uit op de nu overbekende ronde. Wij deden alles open en lieten alles zien — maar zij bleven grof en ruw, en stalen alles wat van hun gading was: mijn horloge, het geld voor het inslaan van bananen, mutsen, de grammofoon met platen, en meer. Zij zochten overal en maakten daarna aanstalten om te vertrekken, wat mij ten zeerste opluchtte.
Ik ging hun voor naar de deur, en bad dat zij niet naar de twee meisjes zouden gaan. Even later riep de luitenant die het bevel voerde (hij droeg een pistool in zijn koppel) mij weer naar binnen. De twee verplegers waren onder toezicht van de anderen druk doende, de buit voor hen naar de wagen te brengen. Ik liep met hem mee en vroeg mij af wat hij wilde. Hij stuurde mij de slaapkamer in en gelastte mij me uit te kleden.
Ik weigerde zonder de minste aarzeling en vluchtte van hem weg — de voordeur uit, waar ik Hugh, een achttienjarige leerling-verpleger, mijn zaklamp toegooide, de hoek van het huis om tot achter het toiletgebouwtje halverwege het pad — ik hoopte dat zij zouden vertrekken, omdat zij de algehele inspectie, waarvoor zij immers gekomen waren, ten einde gebracht hadden — ik hoorde hun ruwe gelach.
Zij kwamen mij achterna bij het licht van grote zaklantarens, schreeuwend dat ik er vandoor was omdat ik iets voor hen verborgen had gehouden. Ik wierp mij onder een paar struiken in de vuile modder en trok mijn kimono over mijn voeten; ik bad dat zij het zouden opgeven; mijn hart brak haast, door vrees en doodsangst.
Zij vonden mij evenwel na een minuut of tien, sleurden mij overeind en sloegen mij in het gezicht. Ook speurden zij in het rond of ik daar iets verstopt had — zij schenen niet te kunnen begrijpen, dat ik alleen mijzelf voor hen had verborgen. Hun gedachtengang is heel anders dan de onze.
Ik viel om en mijn bril vloog op de grond. Mijn hart bonsde van angst, mijn mond was dor en droog. Een van de mannen liet mij hardhandig overeind komen, terwijl een ander mijn bril opraapte en aan mij teruggaf.
De aanvoerder vloekte mij vreselijk uit en sloeg mij opnieuw om het hoofd met een soort gummistok. Zij duwden mij terug naar de veranda. De jongste van de beide verplegers was op de loop gegaan, maar Hugh bleef aldoor trouw bij mij in de buurt. Ik stond daar sidderend, met afschuw vervuld en ellendig tegen een paal van de veranda, en de „liotina" stak mij zijn pistool in het gezicht en verklaarde — of liever, eiste van mij de verklaring — dat hij mij niet had aangeraakt of iets dergelijks. De anderen bewogen hem ertoe mij niet dood te schieten. Bijna verlangde ik ernaar, dat hij het wel zou doen en hieraan een eind maken — mijn hart was dicht bij Jezus, en vrede en rust begonnen zich te vermengen met de razende angst. „Als een lam dat ter slachting geleid wordt", kwam mij voor de geest, en ik voelde dat de kracht van de Heer in de plaats van mijn zwakheid trad — Hij ging zonder zich te verzetten naar de schande van het kruis.

Voor de loop van het pistool 
Hugh poogde tussenbeide te komen en vroeg hun mij met rust te laten — zij sloegen hem neer en ranselden hem onbarmhartig af. Zij zeiden dat zij mij wilden meenemen naar Paulis en bevalen mij naar binnen te gaan en kleren aan te trekken. De luitenant dwong mij mijn huis in en naar mijn slaapkamer te gaan, voortdurend zijn pistool tegen mij aandrukkend. Daar beval hij mij eerst, mij aan te kleden; dankbaar greep  ik naar het eerste het beste stuk kleren, dat ik zag. Maar ineens duwde hij mij grof op het bed neer — en o, lieve, lieve God, wel een halfuur van geestelijke en lichamelijke foltering — maar ik riep in mijn pijn en vrees en schande en ellende tot Jezus, en ik deed een beroep op zijn kostbaar bloed.
Eindelijk het hij mij los. Hij beval mij opnieuw mij aan te kleden en bleef vlak bij mij staan met zijn zaklamp (ik had geen lamp meer en zag hem al die tijd niet, maar hij hield onafgebroken zijn zaklantaren op mij gericht) — en durfde zelfs de eis te stellen, dat ik mijn mooiste jurk zou kiezen en een schoon vest, want ik was nu zijn vrouw; hij nam mij mee naar Paulis om mij aan zijn vrienden voor te stellen. Daarop dreef hij mij als 't ware weer naar buiten, waar ik met drie anderen in de cabine gestopt werd en naar Ibambi gereden. Ik probeerde onderweg liederen in het Swahili te zingen, om mijn dodelijk verschrikte hart tot rust te brengen en om deze woestelingen de naam Jezus te doen horen, opdat de duivel in hen zou sidderen van vrees.
Zij vroegen mij hoeveel mensen er waren op de zendingspost van Ibambi, en wat het getal van de Amerikanen was. Ik wist niet wat ik antwoorden moest, en daar sloeg de aanvoerder mij alweer — in mijn lichamelijke ontreddering was ik lafhartig genoeg om uit angst voor verdere wreedheden te vertellen wat zij wilden weten. Evenwel stopten zij niet eens bij de zendingspost; zij reden anderhalve mijl daar voorbij naar de zakenwijk, waar het hoofdkwartier van de „leeuwen" was, want (zeiden zij) er waren meer „leeuwen" nodig om zon grote groep te omsingelen en gevangen te nemen. Ik werd een kaal vertrek ingeduwd — stoelen langs de wanden en een grote tafel in het midden, waarop een bierfles en twee glazen stonden — en naar een slaapkamer erachter; ik moest op het bed gaan liggen. Alle moed begaf mij — lieve God, schreide ik, ik kan niet meer verdragen — maar de bruut werd weggeroepen. Ik kroop naar een stoel in de hoek en ging zitten, pogend mijn wanhoop de baas te worden, woorden noemend uit de Heilige Schrift, en de Heer Jezus aanroepend om nieuwe kracht en geloof door Hem — mijn kracht en geloof waren volslagen uitgeput. Zij hepen de hele nacht het voorste vertrek in en uit, maar sloegen meestal geen acht op mij. Om half vijf in de morgen werden vijf rooms-katholieke zusters, drie priesters en een jonge man van de katoenfabriek te Ibambi naar binnen gedreven. O, wat een golf van veraderning overspoelde mij bij het zien van een blank gezicht. Ik durfde echter niet naar hen toe te gaan, en niemand zei een woord. Om vijf uur joegen zij vier Grieken (die hier vlakbij woonden) de kamer in. Even later schepte ik moed om naar voren te komen. Zij vroegen mij, bij hen te blijven zitten — en stilaan „ontdooiden" wij allen. Wij voelden de onderlinge vriendschap, ontluikend in gedempte zinnen, een stille blik, een sobere glimlach.
[...]

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen