dinsdag 8 september 2015

I.A. Gontsjarov -- 9 september 1853

Ivan Alexandrovitsj Gontsjarov (1812-1891) was een Russische schrijver. Vanaf 1852 maakte hij als secretaris van een admiraal een diplomatiek missie naar Japan mee. Zijn dagboekverslagen van die reis zijn gepubliceerd als Het fregat Pallada.

9 September. De geboortedag van zijn keizerlijke hoogheid grootvorst Konstantin Nikolajevitsj. Toen wij, na het gebed, in de sloepen gingen zitten, schoten op dat moment bij een fluitsignaal de opgerolde vlaggen langs de masten omhoog en renden de manschappen over de ra's, en alleen op de kotter van de admiraal verscheen de Russische vlag. Nauwelijks was de kotter van zijn plaats bewogen of op beide schepen werden direct de vlaggen van alle naties ontvouwd en tekenden zich helder en bont af in de zon. Tegelijkertijd met de hymne 'God, behoede de tsaar' weerklonk een driewerf hoera. Alle op de sloepen aanwezige Japanners, tegen de vijfhonderd mensen, versteenden voor een moment, daarna lieten zij op hun beurt eenstemmig de lucht weerklinken door hun schreeuw van verbazing en geestdrift.

Voorop ging de giek van de admiraal: K.N. Possjet voer daarin, om aan wal de erewacht op te stellen. Daarachter kwam een kotter met de wacht, daarna een andere met muzikanten en bedienden, verder een sloep met officieren, daarachter een kotter, waarin de admiraal met zijn gevolg. Daarna kwam nog een walvissloep; daar zat één van de officieren. Voor, achter en opzij haastte zich een menigte Japanse sloepen - sommige om naast ons te varen, anderen wilden ons inhalen. Wij voeren langzaam, ongeveer een uur; de muziek speelde de hele tijd. Op de batterijen, steigers, heuvels, - overal verzamelden zich groepen van kaalgeschoren hoofden, veelkeurige, meest blauwe kamerjassen. Bootjes zwommen als eenden om ons heen, maar kwamen niet dicht bij ons.

Nieuwsgierig keken wij naar de prachtige oevers van de zeestraat waar wij langs gingen. Ik kon alweer mijn teleurstelling niet onderdrukken, wanneer ik naar deze plekken keek waar de natuur van zijn kant alles gedaan had om de mens de gelegenheid te geven er ook zijn scheppende hand op te leggen en wonderen te verrichten en waar de mens niets had gedaan. Daar die heuvel, hoe groen hij ook is, hoe gerieflijk, maar er ontbreekt iets: hij zou gekroond moeten zijn met een witte colonnade, met een portiek of een villa, met balkons naar alle kanten, een park, over de hellingen lopende paadjes. En daar, in de geul, zou men goed een afdaling kunnen maken en een weg naar de zee en een steiger, waaraan stoomboten zouden kunnen bruisen en mensen krioelen. Hier op de hoge berg zou een klooster kunnen staan met torens, koepels, en een gouden kruis, schitterend achter de ceders. Hier zouden goed pakhuizen kunnen zijn, waarvoor schepen zich verdringen, met een woud van masten...

'En wat als we Nagasaki van de Japanners zouden afnemen?', zei ik hardop, meegesleept door dromen. Sommigen begonnen te lachen. 'Zij kunnen er niets van maken', vervolgde ik, 'wat zou het hier worden als anderen over deze haven de beschikking hadden? Kijk, wat een plaatsen! De hele Grote Oceaan zou door handel tot leven kunnen komen.' Ik wilde mijn gedachten ontvouwen hoe Japan verbonden werd door handelswegen via China en Korea met Europa en Siberië, maar wij naderden de kust. 'Waar is de stad?' 'Hier is hij', zei men. Is dit alles hier? Is er achter de kaap niets? Alleen dit?'

Wij geloofden onze ogen niet, toen wij keken naar de dichte hoop grijze, onooglijke huizen met één verdieping. Links, waar ik veronderstelde dat het vervolg van de stad was, was niets: een lege kust, kleine dorpjes en aparte hutten, waarschijnlijk van vissers. Langs de kapen, waarmee de zee-engte wordt afgesloten dezelfde waardeloze batterijen en lange gebouwen, een soort kazernes. Tegen de kust verdringen zich grote plompe bootjes. En alles is behangen: zowel de huizen, de boten, de straten, maar de mensen die daar te zeer door gehinderd worden, lopen maar al te losgeknoopt.
[...]

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen