zondag 10 november 2013

Henry Morton Stanley -- 10 november 1871

Vrijdag 10 november. De tweehonderdzesendertigste dag sinds Bagamoyo, en de eenenvijftigste sinds Unjanjembe. Globale richting: Udshidshi, west tot zuid. Duur tocht: zes uur. [...]
We waren nog ongeveer driehonderd passen van Udshidshi verwijderd, maar ik was reeds omgeven door een dichte mensenmassa. Plotseling hoorde ik aan mijn rechterkant een stem die me in het Engels toeriep:"Goedemorgen, sir!"
Verbaasd om deze begroeting te midden van een menigte zwarten te horen draaide ik me snel om om te zien wie er had gesproken, en ik zag hem naast me: een zwarte man met een levendig en vrolijk gezicht, een lang wit hemd aan en een tulband van Amerikaans linnen om zijn kroeskop, en ik vroeg hem: "Zeg eens, wie bent u?"
"Ik ben Gusi, de bediende van dr. Livingstone" zei hij lachend, en ik zag een rij glimmend witte tanden.
"Wat? Is dr. Livingstone hier?"
"Jazeker!"
"In deze plaats?"
"Jazeker!"
"Echt waar?"
"Echt waar. Ik kom net bij hem vandaan."
"Goedemorgen, sir" hoorde ik een andere stem. "Hallo" zei ik, "is dat er nog een?"
"Jawel, sir”
"Hoe heet u?"
"Mijn naam is Chumah."
"Nee maar,bent u Chumah, de vriend van Wekotani?"
"Jawel."
"En hoe is het met de doctor?"
"Hij voelt zich niet erg goed."
"Waar is hij al die tijd geweest?"
"Injandshama."
"Goed. Gusi, ga snel naar de doctor toe en zeg hem dat ik eraan kom."
"Jawel, meester!" En hij ging er als een haas vandoor.
We waren nu nog tweehonderd passen verwijderd van de plaats. De menigte werd talrijker en versperde ons bijna de weg. Er waren vaandels en vlaggen gehesen, Arabieren en Wangwana's drongen zich tussen de inboorlingen door om ons te begroeten, want in hun opvatting hoorden wij bij hen. Allemaal waren ze ten hoogste verbaasd en vroegen ze: "Hoe zijn jullie erin geslaagd van Unjanjembe hiernaartoe te komen?"
Na korte tijd kwam Gusi teruggehold om te vragen hoe ik heette. Hij had tegen de doctor gezegd dat ik in aantocht was, maar deze was te verbouwereerd om het te kunnen geloven, en toen hij naar mijn naam had gevraagd, had Gusi die niet geweten.
Tijdens Gusi's afwezigheid was de doctor echter ter ore gekomen dat het werkelijk een blanke was die geweren had laten afvuren en vaandels had laten wapperen, en de grote Arabische magnaten van Udshidshi, Mohammed ben Sali, Saïd ben Madjid, Abid ben Suliman, Mohammed ben Kharib en anderen, hadden zich verzameld voor het huis van de doctor, en deze laatste was van zijn veranda gekomen om de zaak te bespreken en mijn komst af te wachten. Inmiddels had de kopgroep van de expeditie halt gehouden; de aanvoerder van de karavaan was uit de rij gestapt en hield een vlag omhoog, en Seiim zei tegen me: "Ik zie de doctor. Ach, wat een oude man is het! Zijn baard is helemaal wit."
En ik? Ik had er een lief ding voor overgehad om even helemaal alleen te zijn in de wildernis om ongezien met een wilde capriool uiting te geven aan mijn vreugde, alleen maar om de opwinding tot bedaren te brengen die ik nauwelijks meer de baas kon. Mijn hart bonsde luid; maar ik mocht mijn emoties niet verraden met een grimas die afbreuk zou doen aan de waardigheid die een blanke onder dit soort buitengewone omstandigheden aan den dag dient te leggen.
Ik deed dus wat ik het waardigst achtte: ik duwde de mensenmassa opzij en schreed vanuit de achterhoede naar voren tussen een levende haag van mensen door tot bij de halve cirkel van Arabieren aan de voorzijde waarvan de blanke man met de grijze baard stond. Toen ik langzaam op hem toe liep, viel het me op dat hij er bleek en vermoeid uitzag; hij droeg een bleekblauwe muts met een verschoten gouden bies, een vest met rode mouwen en een grijze broek. Ik was het liefst recht op hem af gelopen, maar in aanwezigheid van zo'n menigte was ik daar te laf voor. Ik was hem het liefst om de hals gevallen, maar ik wist niet hoe hij als Engelsman daarop zou reageren. Ik deed dus wat mijn lafheid en mijn valse trots me ingaven, stapte bedachtzaam op hem af, nam mijn tropenhelm af en zei: "Dr. Livingstone, neem ik aan."
"Ja," zei hij met een vriendelijke glimlach, terwijl hij even zijn muts lichtte.
Ik zette mijn hoed weer op en hij zijn muts, we schudden elkaar hartelijk de hand en ik zei met luide stem: "Ik dank God, doctor, dat het mij vergund is u te zien."
Hij antwoordde: "En ik ben dankbaar dat ik u hier mag begroeten."
Vervolgens wendde ik me tot de Arabieren, nam als reactie op hun begroetingskoor van jambo's mijn hoofddeksel af, en de doctor stelde hen één voor één aan me voor.
Daarna gingen Livingstone en ik zijn tembe binnen, de menigte en de mannen die de gevaren met mij hadden gedeeld geheel en al vergetend. Hij wees naar de veranda onder het brede, overhangende dak en op zijn eigen zitplaats, waarvan de constructie hem was ingegeven door zijn leeftijd en de kennis van het leven in Afrika en die bestond uit een rieten mat met een geitenvel eroverheen, en nog een ander vel dat aan de muur was gespijkerd om zijn rug te beschermen tegen de aanraking van het koude leem. Ik protesteerde omdat ik zijn plaats niet wilde innemen, die hem zoveel meer toekwam dan mij, maar de doctor hield voet bij stuk en ik moest er wel gaan zitten.
De doctor en ik zaten tegen de muur geleund. De Arabieren namen aan onze linkerhand plaats. Meer dan duizend inboorlingen bevonden zich voor ons en vulden dicht op elkaar gedrongen het hele plein. Ze staarden nieuwsgierig naar ons en hadden het erover dat twee blanken elkaar in Udshidshi ontmoetten, van wie de ene uit Mandshuema in het westen kwam en de andere uit Unjanjembe in het oosten.
Het gesprek begon. Waar we het over hadden, ben ik eerlijk gezegd vergeten. We bestookten elkaar met vragen als: "Hoe bent u nier gekomen?" en: "Waar bent u al die tijd geweest? Iedereen dacht dat u dood was!"
Ja, zo begon het gesprek. Maar wat de doctor mij vertelde en wat ik daarop antwoordde kan ik niet precies vertellen, want ik had het veel te druk met hem te bekijken en de wonderbaarlijke man aan wiens zijde ik nu midden in Afrika zat te bestuderen. Elk van zijn hoofd- en baardharen, elke plooi van zijn huid, zijn knokige gezicht en zijn afgematte uiterlijk vertelden me wat ik zo dolgraag had willen weten sinds ik die woorden had gehoord:"U kunt naar eigen goeddunken handelen en alles doen wat u het beste lijkt, maar... u moet Livingstone vinden!" Wat ik zag, was een verhaal dat voor mij van het allergrootste belang was, en het was een onopgesmukte waarheid. Ik luisterde en las tegelijkertijd. Wat vertelden die stille getuigen mij?
Ach lezer, had u die dag in Udshidshi maar naast mij gezeten! [...]


Henry Morton Stanley (1841-1904) was een Welsh-Amerikaans journalist en ontdekkingsreiziger (degeene die dr Livingstone opspoorde). Dagboekfragmenten van zijn hand zijn opgenomen in The Autobiography Of Sir Henry Morton Stanley (1909). Zijn dagboeknotities van zijn zoektocht naar Dr. Livingstone zijn in Nederlandse vertaling verwerkt in Op zoek naar Livingstone.


Stanley meets Livingstone

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen