zondag 26 juli 2015

Fernando Pessoa -- 25 juli 1907

Fernando Pessoa (1888-1935) was een Portugese dichter en schrijver. In Mijn droom is van mij (vertaling Harry Lemmens) zijn ook dagboekfragmenten van hem opgenomen.

25 juli 1907
Ik ben het moe op mezelf te vertrouwen, mezelf te beklagen, medelijden met mezelf te hebben, huilend en wel om mijn eigen ik. Heb net een soort scène gehad met tante Rita over F. Coelho. Aan het eind daarvan voelde ik opnieuw een van die symptomen die steeds duidelijker en steeds erger in mij worden: een morele duizeligheid. Bij een fysieke duizeligheid tolt de innerlijke wereld rond. Ik heb de indruk dat ik een paar tellen het gevoel verlies voor de ware relatie tussen de dingen, het begrip verlies, in een afgrond van geestelijke verbijstering val. Dat is een afgrijselijk gevoel, je geschokt voelen door een ongeordende angst. Die gevoelens worden langzaam aan gewoon, lijken een pad voor me te banen naar een nieuw geestelijk leven, dat uitloopt op waanzin. In mijn familie is er geen enkel begrip voor mijn geestesgesteldheid, nee, totaal geen. Ze lachen me uit, drijven de spot met me, geloven me niet. Ze zeggen dat ik wil doen of ik een uitzonderlijk iemand ben. Nadenken over waar het verlangen vandaan komt om uitzonderlijk te willen zijn, doen ze niet. Ze kunnen niet begrijpen dat er tussen uitzonderlijk zijn en uitzonderlijk wénsen te zijn alleen het verschil van het bewustzijn bestaat, gevoegd bij het feit dat men uitzonderlijk wil zijn. Het is hetzelfde als met mij gebeurde bij het spelen met tinnen soldaatjes op mijn zevende en op mijn veertiende. In het eerste geval waren de soldaatjes dingen voor mij, en in het tweede geval dingen en speelgoed tegelijk; niettemin bleef de drang om te spelen bestaan en dat was de werkelijke, wezenlijke geestestoestand.
Ik heb niemand die ik in vertrouwen kan nemen. Thuis begrijpen ze niets. Mijn vrienden kan ik niet lastig vallen met die dingen. Ik heb geen echte naaste vrienden en zelfs die die ik, in de gebruikelijke zin van het woord, zo zou kunnen noemen, zijn niet intiem in de zin van wat ik onder intimiteit versta. Ik ben verlegen en walg ervan mijn angsten prijs te geven. Een intieme vriend is een van mijn idealen, een van mijn dagelijkse dromen, ofschoon het zeker is dat ik nooit een echt intieme vriend zal hebben. Geen enkele geaardheid past zich aan aan de mijne. Er is op de hele wereld niet één karakter te vinden dat zelfs maar líjkt te benaderen wat ik denk dat een intieme vriend moet zijn. Laten we hiermee ophouden. Een minnares of verloofde heb ik niet; dat is een ander ideaal van mij, ofschoon ik in het hart van dat ideaal alleen maar leegte vind, hoezeer ik ook zoek. Wat ik droom is onmogelijk! Wee mij! Arme Alastor! O Shelley, hoe goed begrijp ik jou! Zou ik mijn moeder in vertrouwen kunnen nemen? Wat zou ik haar nu graag bij mij hebben! Op haar hoef ik ook niet te rekenen, maar haar aanwezigheid zou mijn pijn wat verlicht hebben. Ik voel mij verlaten als een schipbreukeling op volle zee. En wat ben ik anders dan een schipbreukeling? Daarom kan ik alleen op mezelf rekenen. Op mijzelf? Wat voor vertrouwen kan ik hebben in deze regels? Helemaal geen. Als ik ze herlees, lijdt mijn geest, omdat die inziet hoe pretentieus, hoe literair-dagboekachtig ze zijn! Sommige heb ik zelfs gestileerd. De waarheid is echter dat ik lijd. Je kunt net zo goed lijden in een zijden pak als in een zak of kapotte deken gehuld. Meer niet.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen