zondag 28 juni 2015

Simon Vinkenoog -- 19 juni 1964

Simon Vinkenoog (1928-2009) was dichter en schrijver. In Liefde. Zeventig dagen op ooghoogte hield hij een soort dagboek bij van een bewogen periode in Amsterdam.

zondag 28 juni 1964 [altijd de eerste dag]
Zoveel meegemaakt, dat dit boek opnieuw geschreven zou moeten worden. Opnieuw beginnen? Opnieuw de woorden wikken en wegen? Wat heb ik afgewogen, wat hebben we teweeggebracht, welke verantwoordelijkheden hebben we op ons genomen?
Op het ogenblik dat de theorie (met de lapsus, die ik niet kan overzien - de foute redenering waarop ik de hand niet kan leggen - de ontoereikendheid van elke theorie) door Huub in praktijk zou worden gebracht, de hand aan zichzelfslaand als het eerste proefkonijn, moesten wij onze hulp bij de operatie weigeren - en hem verhinderen de operatie in deze primitieve omstandigheden te volvoeren.
De vrijdagavond: het bezoek van Lodewijk eerst, die mijsmeekte niet toe te blijven zien, maar met hem handelend op te treden, vervolgens het telefoongesprek met Zusje in Geleen, die zei: ‘Natuurlijk kunnen jullie hem niet z'n gang laten gaan, ik was al verbaasd uit een brief van Huub te horen, dat alles zo goed ging en jullie hem zouden helpen.’
De mededeling trof me ook, dat Hans van S. drie weken voor zijn zelfmoord stramonium-thee had gedronken (zoals het meisje, - in Birth, New York, 1962 - dat zelfmoord pleegde kort na het gebruik van stramonium) waarbij Huubs koele analyse: ‘bekijk het statistisch, en zie dat het in dit milieu minder voorkomt dan in alkohol-milieus’, kijk naar de Zweedse statistieken en de studentenwereld...
Huubs voortdurende koel-analyserende antwoorden. Op elk ogenblik; nooit laat hij emotioneel merken hoezeer onze afvalligheid hem moet bedroeven, slechts één keer laat hij zich gaan: ‘Ik heb te veel van jullie verwacht, het is mijn enige fout. Al op m'n eenentwintigste heb ik besloten (en als ik 'n besluit neem, voer ik het uit) me door niemand te laten weerhouden, iedereen die op m'n weg komt, vermorzel ik, en ik ga verder’ - een taal die ik nooit eerder van hem hoorde.
Wij (Lodewijk, Reineke, ik) haalden hem gisteren uit zijn bed, halftwaalf 's morgens (na de verhinderde operatie was hij met Hilda naar Cotton Club en Shéhérazade gegaan) en zetten hem gisteravond omstreeks twaalf uur weer thuis af; hij had de operatie uitgesteld (vijf rollen à ƒ10,- verkocht) en zou de trein naar Geleen nemen, zijn vrouw weer zien, zijn dochter, de scooter halen en terug naar Amsterdam komen. Ondertussen hadden wij de helse machinerie in werking gesteld via psychiater Hans T. en De Vaal, die verbinding voor ons zochten met de dienstdoende psychiater van ‘Geestelijke hygiëne, GGD’. De eerste, W., kwam vrijdagavond te laat om Huub zelf nog te zien (anderhalf uur wachten!), niet zag hij de kamer met kranten over de vloer, tegen rondspuitend bloed, het instrumentarium op het gasstel uitgekookt, de spiegel met pleisters, de tafel met watten en verband...
Gistermiddag brachten wij bij Lodewijk het kontakt teweeg, Jaap V., voorgesteld als vriend van Lodewijk, die naar Barts uiteenzettingen luisterde, hem wees op de medische gevaren, de onvoorziene omstandigheden, vertrok en naderhand belde na konsultatie met zijn superieuren: ‘we zullen hem vanavond opnemen.’
Het kan niet! Het is onmogelijk! We wisten uitstel te krijgen, hij zou Huub vanochtend spreken en opnieuw een gevolgtrekking maken, ondertussen mijn overtuiging gerijpt: ‘Ik mag niet oordelen, hij moet het zélf weten, we zullen hem als vrienden de daad moeten afraden, hem overtuigen van zijn, ja, wat, ziekte? en hij moet er zich zelf uit praten, tegenover het “systeem” waarop wij ons beriepen.’ De V.: ‘Je moet keihard zijn, je mag niet met een illusie leven, geen briljanten zoeken waar ze niet zijn, het zijn dwanghandelingen, en hij mag jullie met zijn gevoelens niet tiranniseren. Geef je illusies prijs, want je komt in diabolieke situaties terecht.’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen