zondag 14 juni 2015

Louise Colet -- 14 juni 1845

• De Franse schrijfster Louise Colet (1810-1876) was enige jaren de minnares van schrijver Gustave Flaubert. In De Kluizenaar en zijn muze (vertaald door Edu Borger) zijn behalve brieven van beiden ook dagboekfragmenten van Colet opgenomen.

Parijs, zaterdag 14 juni 1845
Waarom begin ik pas vandaag met dit dagboek in plaats van tien jaar geleden, toen ik in Parijs aankwam en ik vol enthousiasme en verlangend alles te zien en te leren kennen, nog illusies koesterde over grote mannen, gevoelens en roem?
Ik ben nu vierendertig, niet meer en niet minder. Ik ben dikker geworden, mijn figuur is niet zo slank meer, maar nog wel elegant en goed gevormd. Mijn boezem, hals, schouders en armen zijn erg mooi. Men bewondert nog steeds de onopvallende manier waarop mijn hals in mijn gelaat overgaat, iets té onopvallend misschien, want door die samensmelting is mijn gezicht te kort en maakt het een te ronde indruk. Ik corrigeer deze tekortkoming door middel van mijn kapsel, dat uit zeer lange krullen bestaat die over mijn slapen vallen, mijn wangen verhullen en tot mijn schouders reiken. Mijn weelderige haardos (zeer licht kastanjebruin; toen ik een kind was, was het hoogblond), die elke dag door een kapper op vaardige wijze in orde wordt gebracht, levert mij complimenten op. Door mijn haren heeft mijn ijdelheid echter een kwetsuur opgelopen; ze beginnen grijs te worden (en wanneer ik zeg 'ze beginnen', moet ik vaststellen dat ik al tien jaar geleden grijze haren bij mezelf heb ontdekt), de kleine haartjes op mijn slapen zijn bijna allemaal grijs, ik druk ze plat met een ander haarlokje dat er overheen geplakt en gefriseerd wordt. Elke zaterdag worden al mijn andere grijze haren verwijderd. Op die dag zeg ik altijd weer lachend: memento mori, of liever gezegd memento v,[ivere] dat heb ik mij al drie jaar geleden voorgenomen, en mijn haar is zo weelderig dat de hoeveelheid ondanks deze uitdunning niet minder wordt. Als ik gekapt word, lees of schrijf ik, en ik verlies er geen tijd mee. Door de zorg die ik aan dat onderdeel van mijn toilet besteed slaag ik erin mijn grijze haren zo goed te verbergen dat, wanneer ik ze ter sprake breng, men mij niet wil geloven. Ik weet niet waarom ik er ten overstaan van B nooit over heb durven praten, ik was zo beducht, zo verlangend bij hem in de smaak te vallen, hij scheen mij mooi te vinden, maar misschien ben ik niet jong genoeg voor hem. Wij zijn van dezelfde leeftijd. Ik heb een hoog, zeer fraai gevormd, expressief voorhoofd, dichte, fijn getekende wenkbrauwen en grote donkerblauwe ogen die zeer mooi zijn, wanneer zij opvlammen door de schok van de gedachte of de sensatie, maar zij zien er dikwijls ook vermoeid uit, door de arbeid en de tranen. Mijn neus is bekoorlijk, fijn, gedistingeerd en bijzonder. Mijn mond is jeugdig en klein, maar heeft qua vorm niets opmerkelijks. Mijn glimlach is alleraangenaamst, vriendelijk en kinderlijk, naar men zegt; maar ik heb mijzelf nooit zien glimlachen. Mijn gebit is mooi, gezond en compleet, afgezien van een kies die ik heb laten trekken omdat ik de pijn niet meer kon verdragen. Mijn benen, smal bij de enkel, zijn volmaakt gevormd en eindigen in heel kleine, zeer ranke voetjes die zo'n contrast vormen met mijn krachtige, lange gestalte dat men er verbaasd over staat. Mijn handen zijn eveneens slank, blank en fijn. Dit is wel een zeer uitgebreid portret. Ik vind dat het te veel eer voor me is. Later zal ik het eens beknopter maken. Wat het zedelijk portret betreft, dat zal uit deze bladzijden naar voren komen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen