zondag 7 juni 2015

Jacob van Lennep -- 6 juni 1823

Jacob van Lennep (1802-1868) was een Nederlandse schrijver. In 1823 maakte hij wandelend een petit tour door zomers Nederland. Van deze tocht hield hij een dagboek bij, onder de titel Nederland in den goeden ouden tijd.

Vrijdag 6 Juny.
Na vrij wel geslapen te hebben en 26 st[uivers] aan verteering betaald, wandelden wij te vijf ure uit en kwamen na een half uur gaans op de hoogte van Molquerum*, waar wij den weg een ogenblik verlieten om dit dorp dat een kwartier landwaarts inligt, voornamelijk wegens de kleeding der vrouwen te bezien. Dan, het gansche dorp (ook geheel vervallen) doorloopen hebbende, zagen wij geen mensch. Misnoegd, en toch iemand willende zien, traden wij de herberg in, waar wij alleen een oud wijf in bed vonden, dat ons verhaalde dat er in haar herberg.... niets te krijgen was. Wij keerden dus op den dijk terug en kwamen te zeven ure binnen Hindeloopen, dat van verre een goed voorkomen heeft, doch zijn woord niet houdt.
Twee straten waren wij reeds ten ende en hadden nog geen schepsel gezien dan een haan en een hond. In de liederlijke herberg het Gouden Anker aten wij een boterham. Hier bestond een leesgezelschap; de lijst der boeken hong in de kamer en dit kostbaar muzeum bestond uit zesentwintig werken, als b.v. Inleiding tot de geographie; Historie der kozakken; Geschiedenis der landing in Noord Holland; de Star; de Letteroefeningen; de Catechismus der natuur; de Predikatie bij gelegenheid der inwijding van de kerk te Molquerum enz. De Hinloopensche vrouwen (die wij niet zagen) zijn, als bekend is, zeer vreemd gekleed. Voor den kleinen vierkanten borstlap betalen zij vaak twaalf guldens en meer; voor hare voorschoten, ½ els breedte, tot tachtig gulden. Men gebruikt in Hindeloopen slechts een vertrek of eigenlijk een duivenhok met schuiven in stee van deuren: de rest van 't huis dient alleen in geval van geboorte of dood, en wordt overigens niet gebruikt.
Eene ruime bedstede welke men met een' trap of ladder beklimt, bergt man, vrouw en kinderen, ook den gast, die naar zijne kunne, naast den man of naast de vrouw slaapt. De kennismakingen en vrijerij geschiedt door het zenden van een' koek en liqueur welke, aangenomen zijnde, de goedkeuring van het meisje toont. In dienzelfden vreemden toon neemt de vrijerij een voortgang. – Overigens zijn de Hindeloopers zeer schuw en vooral voor vreemdelingen bevreesd, aan welke zij zich zoo min mogelijk vertoonen.
Te halftien kwamen wij altijd den dijk gevolgd zijnde, te Workum aan. Deze stad houdt zich door eenige fabrieken, zeepziederijen, steenbakkerijen en kalkovens nog staande en heeft nog rijke inwooners. Op het oog is zij zelfs fraai en in de lengte gebouwd, zoodat wij om aan het logement het Wapen van Friesland, dat aan de andere zijde ligt, te komen een half uur noodig hadden. Nadat wij een wijl gerust en gedut hadden, liepen wij de stad rond, of liever langs want zij bestaat voornamelijk uit twee lange wallen aan een gracht. In de oude kerk die van den toren afgescheiden is, zagen wij predikstoel, banken, draagbaren van gilden enz. alles beschilderd en met versjens verrijkt. Het Stadhuis is nogal merkwaardig en de winkels zeer fraai.
Te één ure aten wij heerlijke baars, vielen na den eten weder in slaap en wandelden te vier ure naar het dorp Parrega*, waar ons een Friesche marskramer op zijde kwam, die ons om de tollen te vermijden langs een harden kleiïgen en steenigen weg naar Bolswerd voerde, tot groot vermaak van VAN HOGENDORP en tot mijn spijt.
De tollen zijn hier veelvuldig en dwaas. Een voetganger moet aan sommige twaalf duiten betalen en gaat dus liever met de schuit. Te zes ure kwamen wij in de stad, waar wij in den Wijnberg onzen intrek namen: hier dronken wij thee met vier menschen, wie wij aan hun profaan, gemeen en ploertachtig gesprek dadelijk voor aannemers erkenden. Te acht ure gingen wij de stad rond: ik vond dezelve lief net en vrolijk gebouwd: de meisjens waren fraai. Op den buitenmuur der Oude Hoofdkerk is eene blaauwe steen met een bijna onzichtbare zittende- en een rijdend persoon er op uitgehouwen. Niemand heeft mij tot nog hiervan de beteekenis gegeven. Met de ondergang der zon wandelden wij de fraai beplantte vesten om en verlustigden ons in het heerlijk uitzicht dat zij opleverden.
Van onze wandeling gekeerd, vonden wij in de herberg den landmeter en ingenieur VAN DER KEMP, die zijnen tijd hier met loopen en zijne passen te tellen, zeer onaangenaam doorbracht en blijde was ons te zien en met ons onder een paar flesschen wijn zijne verveeling een wijl te bannen. Na een zeer aangenaam en vermakelijk gesprek begaven wij ons naar bed met klokslag half twaalf.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten