donderdag 6 april 2017

Arnold Karskens -- 7 april 2003

Arnold Karskens (1954) was in oorlogs in Irak. Zij dagboekaantekeningen uit die tijd verwerkte hij in Onze man in Bagdad uit 2003.

Maandag 7 april. Het is in één woord bizar als je 's morgens je ogen opendoet en starend naar het plafond wacht tot je de eerste explosie hoort. Zoals alle dagen wordt mijn geduld niet erg op de proef gesteld. De dag begint met zware knallen. Jachtbommenwerpers gieren over het hotel en droppen enkele straten verderop hun lading, veelal JDAM, Joint Direct Attack Munition, bommen waarop een satellietnavigatiesysteem is aangebracht en die daarom vrij nauwkeurig hun doel treffen.
De dreunen die soms het gebouw doen trillen, zijn er niet minder om. De definitieve aanval is begonnen, zoveel is duidelijk.
De onzekerheid over wat ons de komende dagen te wachten staat, zorgt voor een onheilspellende sfeer in het hotel. Veel journalisten blijven de hele dag op hun kamer, bang voor gijzeling, beroving of erger. De gangen zijn donker. Bij iemand aankloppen moet in code, anders wordt er niet opengedaan.
Zelf neem ik ook mijn voorzorgsmaatregelen. De gastenlift sla ik over en ik neem steeds de dienstlift, die dichter bij mijn kamer is en ook sneller arriveert. Vaak neem ik eerst een paar etages de trap om pas dan de lift te nemen, niemand hoeft per slot van rekening te weten op welke etage ik verblijf.
Voor mijn vertaler Asa'ad, een vriendelijke Irakees die ondanks zijn 38 jaar nog altijd het lichaam heeft van een 21-jarige atleet, heb ik een kamer genomen op de bovenste etage van het tegenover het Palestine Hotel gelegen Sheraton Hotel. Daar heeft hij onbeperkt zicht over het zuiden van Bagdad. 'Uit die richting komen de Amerikanen, dus hou je ogen open,' zeg ik hem. Zijn conditie komt hem goed van pas als ook daar de lift stopt en hij steeds de betonnen brandtrap moet nemen.
Asa'ad steekt iedere morgen de straat over naar het Palestine Hotel, waar ik zit en controleert daar eerst de lobby. Hij kent alle taxichauffeurs en geheim agenten, 'people of the security,' zoals hij die noemt.
Als hij in de lobby niets opmerkelijks bespeurt, belt hij naar mijn kamer. Daar heb ik dan intussen de horizon afgezocht naar nieuwe rookpluimen en ik volg nog de laatste berichten op de radio. Arnold, you can come down now,' zegt Asa'ad dan. Zo voorkomt hij talloze malen dat ik in de problemen raak.
Deze ochtend heeft hij zijn oor te luisteren gelegd bij de media desk, een rommelige tafel midden in de lobby waarachter mannen met druipsnorren, donkerblauwe broeken en zwarte colberts zitten; volgens Asa'ad ook 'security'. Voor vandaag staat een perstrip gepland naar het Internationale Vliegveld dat volgens de inmiddels wereldvermaarde minister van Informatie Al-Sahhaf 'helemaal niet' in handen is van de Amerikanen. Evenmin staan ze op het presidentieel complex op nog geen kilometer van het hotel aan de andere kant van de rivier de Tigris: 'Dat is een leugen'. Toch zijn ze inmiddels al duidelijk te zien en te horen vanaf mijn balkon op de tiende etage.
Als de journalisten worden uitgenodigd om in de bus plaats te nemen, fluistert Asa'ad: 'Niet meegaan. Een man achter het bureau zei: "Als de journalisten worden beschoten, kunnen we de Amerikanen de schuld geven.'"
De bus vertrekt dit keer dus zonder mij. Er zijn trouwens veel meer verslaggevers die er vandaag niet over peinzen om met een logge bus een oorlogszone binnen te rijden.
Ik neem een kijkje in de coffeeshop, bij een zithoek met banken. We noemen deze de hostage corner, de gijzelaarshoek. Hier zitten dag in en dag uit zeven Italianen, vier Fransen, twee Britten en één Australiër. Zij zijn allemaal journalisten en technici en ze zijn in Zuid-Irak gearresteerd toen ze de coalitiepartners volgden in hun opmars. Daar zijn ze verdwaald geraakt en vervolgens gearresteerd door Saddams loyale troepen. Met hun auto zijn ze naar het Palestine Hotel in Bagdad gereden, en dat mogen ze, anders dan wij, niet verlaten.
Een van de Fransen kijkt smachtend naar de andere oever waar een paar Amerikaanse tanks staan opgesteld en zegt: 'Waarom zijn de Amerikanen niet aan deze kant begonnen?'
In een lange uitzending van Barend & Van Dorp wordt me gevraagd hoe groot de kans is dat het Palestine Hotel door de Irakezen wordt gebombardeerd als ze inzien dat de strijd verloren is. Ik zeg dat ik daar niet bang voor ben omdat er, naast de buitenlandse verslaggevers, ook veel vooraanstaande Irakese families met hun kinderen onderdak hebben gevonden. De Irakezen zullen daarom hier niks doen. 'Het is juist de goede mix. Zolang ze niet vanuit de ramen op de Amerikanen schieten, zal er hier niet veel gebeuren.'
De volgende dag zal blijken hoe profetisch de vraag en het antwoord zijn.
Henk van Dorp vraagt ook hoe lang de oorlog nog duurt. Ik zeg dat wanneer de Amerikanen voldoende manschappen hebben, het in Bagdad over drie dagen voorbij is. Ik voeg toe: 'Als het regiem van Saddam Hoessein valt, dan valt de meeste weerstand weg. Maar je houdt altijd mensen over die de Amerikaanse aanwezigheid hier in Irak helemaal niet zien zitten. En daar krijgen de Amerikanen misschien nog wel meer last van dan de aanhangers van Saddam Hoessein.'
Frits Barend zorgt dan voor een hilarische uitsmijter door me te vragen naar de verblijfplaats van de meest gezochte man ter wereld: 'Weet jij waar Saddam Hoessein zit?'
Ik antwoord: 'Ja. Maar ik zeg het niet.'

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen