maandag 24 april 2017

Cosima Wagner -- 25 april 1878

Cosima Wagner (1837-1930) was de echtgenote van de Duitse componist Richard Wagner. De fragmenten uit haar dagboeken die handelen over Friedrich Nietzsche, zijn verzameld in Nietzsche contra Wagner.

25 april 1878 Rond de middag ontvangen we het nieuwe boek van onze vriend Nietzsche [Menschliches, Allzumenschliches; Ein Buch für freie Geister] – ik blader het even door, maar het staat me al meteen tegen. R. meent dat hij de auteur een goede dienst bewijst – waarvoor deze hem later dankbaar zal zijn – als hij het niet leest. Mij dunkt dat er veel woede en verbittering in steekt, en R. moet hartelijk lachen als ik hem zeg dat, als er iemand is die de Geburt der Tragödie niet zou hebben begrepen, dat het dan de in dit werk zo gevierde Voltaire is.

27 april 1878 We hebben ons heilig voorgenomen het boek van Nietzsche niet te lezen, een boek waarvan de curiositeit maar al te pervers in het oog springt.

29 april 1878 Het valt ons zwaar om niet af en toe te praten over het trieste boek van onze vriend N., hoewel we de inhoud op grond van enkele fragmenten eerder vermoeden dan werkelijk kennen!

30 april 1878 R. had een goede nacht. Het beklagenswaardige boek van N. is voor hem een aanleiding mij toe te roepen: ‘Wij blijven elkaar trouw.’

30 mei 1878 Tijdens de koffie komt hij [R. Wagner] terug op prof. Nietzsche en zijn boek, dat hem zo onbeduidend voorkomt, terwijl het gevoel dat eraan ten grondslag ligt, zo boosaardig is.

24 juni 1878 R. leest wat in het boek van Nietzsche en verbaast zich over de pretentieuze alledaagsheid. ‘Ik heb het idee, dat de omgang met Rée hem beter bevalt dan die met mij.’ En als ik opmerk dat dit boek in vergelijking met N.’s eerdere werken slechts reflexen bevat, en dat deze niet van binnenuit komen, zegt hij: ‘Het zijn nu alleen nog maar Réekleckse!’ [letterlijk vertaald Rée-vlekken, woordspeling op reflexe]

25 juni 1878 R. had een goede nacht; hij gaat met de kinderen en de honden in de kasteeltuin wandelen en begeeft zich vervolgens met het boek van prof. Nietzsche, dat hem vanwege zijn laag allooi danig tegen de borst stuit, ter ruste. 26 juni 1878 [...][R.] maakt met de kinderen zijn gebruikelijke wandeling naar de fontein; dan leest hij verder in Prof. N. [...] ’s Avonds grasduinen we wat in het bedroevende boek van N. (‘het is een twijfelachtige eer, ooit door deze man te zijn geprezen!’).

27 juni 1878 Het boek van N. verleidt R. tot de boude bewering: ‘Inderdaad, kunst en religie zijn slechts het overgebleven staartbeen van de aap in de mens, het rudiment van een oude cultuur!’

28 juni 1878 R. ligt te rusten en leest N., terwijl ik de kinderen les geef.

29 juni 1878 De kuur vermoeit hem [R.] zeer, hij klaagt over oorsuizingen. Ik betreur het dat hij niettemin in dat inferieure boek van N. blijft lezen, hoewel hij beweert dat het hem niets doet. [...]

21 juli 1878 R. heeft in alle vroegte onafgebroken aan zijn opstel [‘Publikum und Popularität’] gewerkt, en met veel plezier; hij zegt dat hij Nietzsche onder handen neemt, maar op een zodanige manier dat iemand die niet volledig is ingewijd, er niets van merkt.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen