woensdag 25 maart 2015

Wim Schermerhorn -- 26 maart 1947

Wim Schermerhorn (1894-1977) was een Nederlandse politicus. Hij speelde een rol bij de onderhandelingen voor het Akkoord van Linggadjati (over de onafhankelijkheid van Indonesië, dat op 25 maart werd ondertekend) en hield over deze periode een dagboek bij.

Woensdag 26 Maart 1947, 22 uur
De dag van gisteren is voortreffelijk verloopen. De geheele voorbereiding klopte als een bus. Precies om 5.30 uur kwamen de beide delegaties op door den achteringang van de troonzaal en namen plaats aan één zijde van de lange tafel, die voor den troon was opgesteld. Wij begonnen met het plaatsen onzer handteekeningen en daarna werden de toespraken gehouden. Die van Sjahrir werd met de meeste verve van de drie uitgesproken en is ook door de radio het best doorgekomen, waarschijnlijk ook omdat hij recht voor de microfoon stond.

Na afloop was er om half zeven een groote receptie in het paleis Koningsplein bij Van Mook. Het Aanvankelijke plan om de beide delegaties gezamenlijk te laten recipieeren, hadden de Indonesiërs - met het oog op onze actie bij Soerabaja - afgewezen, maar zij zouden graag op de receptie van den landvoogd aanwezig zijn. Dat is geschied en niet alleen de delegatie, maar een zeer groot aantal Indonesiërs van allerlei aard met hun dames zijn op deze receptie geweest. Er waren ongeveer 300 menschen in totaal uitgenoodigd. maar er zijn er tusschen de 6 en 7 honderd geweest. De belangstelling was dus enorm en de stemming was eigenlijk voortreffelijk. Ik had den indruk, dat die hier belangrijk beter was dan tijdens het debat in de Tweede Kamer, dat ongeveer gelijktijdig begon en waarvan ik uit de verte een uiterst matten indruk heb gekregen.

Het was alles met elkander hier in Batavia eigenlijk een prachtige dag. Antara moge dan al gezegd hebben, dat het voor de republiek, met het oog op Modjokerto, onmogelijk een feest kon zijn: de Indonesische bevolking van Batavia heeft zich van deze zure opmerking niet veel aangetrokken. Groote aantallen menschen stonden gisteravond voor het paleis en waren getuige van het vuurwerk, een vuurwerk, dat een zoo oorverdoovend lawaai maakte, dat het aan Van Mook de opmerking ontlokte: ‘Men gebruikt blijkbaar de munitie, die wij nu toch niet meer noodig hebben’.

Vanmorgen heeft Sjahrir een toespraak gehouden tot het Indonesische volk van Batavia voor het republikeinsche stadhuis. Toen wij uit den kerkdienst kwamen, stroomde het daar vandaan en ik had den indruk, dat er duizenden naar hebben geluisterda.. Talloozen onder deze menschen hadden kennelijk hun Zondagsche plunje aan en profiteerden van den vrijen morgen, die gegeven was op alle departementen en kantoren.

In de kerk was een gebedsure voor de toekomstige samenwerking tusschen Nederland en Indonesië. In onzen dienst ging een Indonesisch predikant en daarna Ds. Schouten voor. Laatstgenoemde sprak naar aanleiding van Psalm 127: ‘Als de Heer het huis niet bouwt, tevergeefs werken de bouwers’. Het was een uitstekende toespraak in een geest, dien wij in dit land onder onze menschen noodig hebben.

Uit de kerk thuisgekomen, vernam ik van Samkalden dat Posthuma gisteren een persoonlijk telegram aan Lieftinck had willen sturen, waarin informaties werden gegeven over de lading van de Martin Behrman. Hij had daar per eigen gelegenheid maar een CG telegram van gemaakt, hoewel ik dat achteraf eigenlijk een beetje verkeerd vond, want de commissie-generaal correspondeert alleen met Jonkman. Net toen ik met deze discussie bezig was, kwam Posthuma binnen en wilde mij graag spreken. Wie schetst mijn stomme verbazing, toen Posthuma den wensch te kennen gaf om de vergadering met de Indonesische delegatie vanmiddag bij te wonen. Ik heb hem ronduit gezegd dat de voorzitter van de commissie-generaal en ook Van Poll hiertegen overwegende bezwaren hebben en dat wij mee-nen, dat hiervoor geen termen aanwezig zijn. Ik herhaalde, hetgeen ik in een vergadering heb gezegd over den status van de heeren, nl. dat ik zonder opdracht van de regeering in Den Haag niet bereid ben hen verder als leden van de commissie-generaal te behandelen. Hij vroeg daarvan een schriftelijke bevestiging, die ik hem heb beloofd. Hij motiveerde zijn verzoek met de overweging, dat Lieftinck hem had verzocht om de financieele zaken voorloopig te blijven waarnemen. en dat er in de besprekingen met de Indonesische delegatie afspraken zouden kunnen worden gemaakt, die op de financieele positie van Nederland van invloed zouden kunnen zijn. Ik heb hem toegezegd in mijn brief mijn weigering te zullen moti-veeren. Op dit laatste kwam het volgens hem niet aan, het ging er alleen maar om, dat onze weigering werd vastgelegd. Ik moet eerlijk zeggen, dat ik tegen deze opvatting van den heer Posthuma eenig wantrouwen koester. Ik vermoed, dat deze heer met mijn brief op een of andere wijze wil manoeuvreeren.

In ditzelfde gesprek heb ik ook nog eens gewezen op de onmogelijke positie, die er ontstaat, indien één van de leden der commissie-generaal kortsluiting maakt met een bepaald ministerie, in dit geval financiën. De zaak van de Martin Behrman wordt uitvoerig behandeld tusschen O.G. en Buitenlandsche Zaken. Daar had Lieftinck zich dus om informaties moeten vervoegen en niet bij iemand van de commissie-generaal. Indien iedere minister zulks gaat doen, wordt het voor overzeesche gebiedsdeelen een onhanteerbare geschiedenis. Als ik op de stoel van Jonkman zat, zou ik hier de grootst mogelijke bezwaren tegen inbrengen. Bovendien bestaat er, naar het schijnt, op het oogenblik een soort coördinatie-commissie voor de fmancieel-economische problemen ten aanzien van Indonesië, zoo-dat het dan in ieder geval logisch zou zijn geweest, indien men dit college via overzeesche gebiedsdeelen een mond geeft, die spreken kan tegenover de commissie-generaal en de Nederlandsch-Indische regeering.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen