vrijdag 7 november 2014

Paul Verlaine -- 7 november 1892

• Op uitnodiging van een aantal Nederlandse bewonderaars bracht de Franse dichter Paul Verlaine (1844-1896) van 2 tot 14 november 1892 een bezoek aan Nederland. Hij hield lezingen in Den Haag (waar Henriette van der Schalk haar toekomstige echtgenoot Richard Roland Holst ontmoette) en in Amsterdam. Toen hij weer terug was in Frankrijk schreef hij Quinze jours en Hollande, een soort van (ongedateerd) dagboek, dat door Karel Jonckheere in het Nederlands is vertaald als Twee weken Holland.

‘Weglopen naar de polders,’ zei ik gisteravond, maar ik heb er nu werkelijk in geslapen, en uitstekend, mag ik u verzekeren. Het is negen uur in de morgen, precies op tijd om me klaar te maken en naar beneden te trekken voor het ontbijt. Terwijl ik me was kijk ik door het raam en stel rondom mij het bestaan vast van water en weiland, nog steeds in strookjes, en waarin koeien en verre windmolens. - De molens dienen om het overtollig water naar de hoger gelegen kanalen te stuwen en zo naar zee te doen vloeien via een grote stroom, Maas, Amstel...
Ik daal de trap af en vind mijn gastheren, die op het punt staan aan tafel te gaan. Met genoegen onderga ik de aanwezigheid van Zilckens schoonmoeder, een zeer aangename vrouw, die aardig konverseert. De aanbiddelijke kleine Renée is ook op post en stuurt me een mooie kus toe. Wij ontbijten met thee, op zijn Engels, in een luchtige en gezellige eetkamer, die vol hangt met schetsen en tekeningen van vrienden. Ik bewonder vooral een Méryon, een schip met alle zeilen bij, in het onbekende. Oude klokken van het allerzuiverste Nederlands merk duiden en slaan twee keer per uur, samen met een moderne pendule van goede smaak. We trekken naar het salon om er te roken en van hieruit dwaalt mijn blik over een nieuw landschap.
Precies tegenover de ingangsdeur van Hélène-Villa [aan de Bezuidenhoutse weg], aan de overzijde van een niet zeer breed kanaal, een achterzicht op het koninklijk winterpaleis [Huis ten Bosch]; niet zeer fraai, dit paleis. Logge bouwsels in rode baksteen, een gekke koepel met een ronde zonnewijzer in de gevel. Daar is het dat het koninginnetje van de Nederlanden elke winter komt schaatsen.
Wat bijvoorbeeld wel mooi is: het eindeloze park vol eeuwenoude bomen, in dit seizoen heel en al rood en goud, nog lauw bezond bij dit zeer milde begin van november.
De legende wil dat Voltaire tussen het geheimzinnig gebladerte van dit bos rondliep met zorgen en vervoeringen, waar de filosofie weinig aandeel in had...
We stappen het atelier binnen, een allerprettigste werkplaats. Geen enkel doek trouwens. De meester heeft al zijn werken naar een grote tentoonstelling in Amsterdam gestuurd. Nieuwsgierig bekijk ik de biblioteek, die bestaat uit enkele Goncourts, twee, drie Villier de l'Isle-Adams, heel wat technische werken, een paar boeken van Barbey d'Aurevilly, Joseph Péladan, Léon Bloy en... enkele Verlaines, plus een onoverzichtelijke verzameling exotische schoenen, Oosterse muiltjes, mocassins, laarzen en laarsjes, dansschoenen, pantoffels van overal, Hottentotse, Vuurlandse, Japanse, Patagonische... Een leuke boel, en we zijn flink bezig ons te verlustigen, als er gebeld wordt en een van onze vrienden, Jan Veth, voornaam konfrater van de zeer voorname Zilcken, binnentreedt, nadien een schets van mij maakt, terwijl ik enkele nota's voor mijn eerste lezing toevertrouw aan het papier.
-Dames en heren.
Nauwelijks is hij klaar of Zilcken, die een fototoestel hanteert, maakt enkele momentopnamen van me, gezeten, werkend.

-En allereerst mijn groet aan dit schone, vrije Holland, klassieke vrije land, het mag worden gezegd, tijdens het bewind van de magnifieke despoot Lodewijk XIV en zijn zwakke opvolgers, tijdens de revolutionaire diktatuur, daarna de militaire, gelukkig gemilderd door de wijze oereigen broer van de almachtige keizer, Louis Bonaparte, die op zichzelf iemand was en een naam nalaat, naast die van zijn al te lieftallige vrouw en die van zijn tragisch omgekomen al te onfortuinlijke zoon!...
Zilcken laat niet af en intussen rollen de mooie zinnen...
Er wordt gebeld... zal ik maar zeggen gelukkig?
Nog een medeplichtige van gisteravond, Toorop, symbolistisch schilder (goed en zeer goed). Hij wordt vergezeld door Albert Verwey, dichter van hoge faam in Holland en over wie ik in de gelegenheid zal zijn meer bijzonderheden te vertellen.
Daar ik vermoed wat me in grote trekken, als ik het zo mag zeggen, nog te wachten staat met Toorop, Toorop een pracht-Javaan van bruine tint, met donkere uitermate zachte blik, malse en dichte baard, blauwachtig door te zwart te zijn, ga ik opnieuw aan het werk.
-Neen, Dames, neen, Heren, de Romaanse school, waarvan ik niet de apostel ben, God beware mij ervoor! is niet wat ze belachelijk uit de verte schijnt te zijn. Moréas maakt beter verzen dan wie ook en weet nog iets anders in zijn ritmen te steken dan harmonieuze wind. Wat zijn ‘discipels’ betreft, alle vijf beschikken ze over een steeds oorspronkelijker wordend talent. Over de formule van deze school...
Een meid klopt en, mag ik zeggen gelukkig? - ik zeg het -, kondigt aan dat het eten op tafel staat. We gaan zitten aan een goed gedekte dis, die we alle eer bewijzen. Dadelijk vergeet ik mijn lezing, ben heel en al attent voor de dames, babbel met mevrouw Zilcken en met haar moeder, vooral over Brussel, Parijs en kantwerk; nu en dan wissel ik enkele woorden met Verwey, die zich moeilijk uitdrukt in onze taal, die hij nochtans grondig kent. Elk haar staat overeind bij die Verwey. Het enige vervaarlijke trouwens in zijn echt ingoede, bijna kinderlijke uitdrukking. Hij is trouwens nog zeer jong, ten hoogste dertig, hij ziet er niet eens zo oud uit. Mejuffer Renée is vol gratie, de ‘baas’ duivels vinnig, wij allen gedragen ons uitermate vrolijk en om onze, o uiterst fatsoenlijk aangeschoten appetijt te begeleiden, gaat een sijsje, een Hollands sijsje uiterst geslaagde trillers uit zijn keeltje halen en allerliefste piouw- piouws... Na het noenmaal, koffie in het salon. Een dik uur wegzakkende luiheid, opgekrikt door een van die Bataafse of Javaanse sigaren, waarvan men er niet te veel mag roken op straffe van hoofdpijn, - vooral wanneer zulks gepaard gaat in dit land van koude koppen, wat eigenlijk die stoere Nederlanders redt, met wat Schiedamse bittertjes, bijvoorbeeld. Maar een goede Fransman uit Frankrijk, komaan... Ik onthoud me dan ook... zo dikwijls mogelijk, waarlijk, tijdens de hele duur van mijn verblijf. Zoniet, Lugete veneres cupidinesque, (Weent, nimfen en cupido's) wat zou er met mijn lezingen zijn gebeurd en hoe zouden ze er hebben uitgezien?...
Terug naar het atelier, waar de laatste hand wordt gelegd aan het ding voor vanavond, onder het geniepige oog van ergens een opnametoestel, wazig gericht.
Maar de Meester verklaart dat we de stad in moeten. Zoals ge vermoeden zult, vraag ik niet beter. Mijn lezing is trouwens klaar.
Was het die dag dat het zo regende, of die met zijn piekfijn weer? Ik herinner het me niet meer, maar de bomen in het bos waren prachtiger - zwart-rood en goud langs het kanaal met zijn gulden weerschijn - dan tevoren. Om het trammetje te bereiken duurde het trouwens niet lang. En we rijden tussen twee rijen eerder lage huizen met terras, met dakgoten, een bay en een bow window, iets te Engels maar toch koket, nemen onderweg een talentvol schilder op, nog een gast van de vorige avond, Etienne Bosch. En na korte tijd bevinden we ons in het hart van de stad. Even tijd voor een goeiendag aan Blok in zijn overwegend Franse boekhandel in de Prinsenstraat en voor een halte in een bodega vlakbij - en we gaan de zaal bezoeken waar ik vanavond moet spreken. Het is in een van de kamers, die het lokaal uitmaken van de Haagse vrijmetselaarsloge. Het ziet er dubbel protestants uit. De muren in klaar groen geschilderd vertonen ook iets dergelijks, grijs, of helros, mijn memorie blijft haperen. Geen goud, geen enkele versiering. Als meubels een kroonluchter in brons, een honderdtal stoelen, een lezenaar, spreekgestoelte of tribune, in een hoek... In het midden een verhoog met de traditionele tafel, groen laken, twee blakers en een leeg glas.
Ik stap het verhoog op en daar ik mijn lezing niet bij me heb, lees ik, gezeten om even het geluid te toetsen, een paragraaf uit ‘Gil Blas’, ongeveer in deze bewoordingen gesteld:
‘Tussen onze elegantste dames uit de demimonde bemerkten wij Berthe d'Egreville, Marion Delorme, Clémence de Pibrac, Léona Bindler...’ -O Calvijn, o Frédéric Passy, o Jules Simon, o voortaan onsterfelijke meneer de senator Bérenger.
‘Wat zegt ge nu van die bandiet’,
wat ingetogen echo's opwekt van deze te charmante namen!
Mijn stem klinkt zwak. Tot mijn opluchting mag worden gezegd, tegenover de vermelde Heiligen, dat mij de nodige geestdrift ontbrak in deze galante opsomming, maar de akoestiek is goed.
Alle schikkingen voor vanavond halfnegen zijn getroffen, we kunnen de stad eens afzien. Zeer mooi, deze stad: Vlaamse huizen dit keer, prachtige winkels, Nederlandse netheid. De kleine baksteen voelt zacht aan onder de voet en is aangenaam voor het oog. Weinig monumenten: een zeer bevallig stadhuisje, begin renaissance, met bekoorlijke beiaard. (Hier treft men minder openbare gebouwen met puien aan dan in België). Een paleis voor diverse tribunalen, ook heel kleintjes, en pseudo-gotisch vrees ik, perpendicularistisch als de Engelse katedralen, maar met één verdieping, wat vloekt met dit soort bouwkunst, dat zijn ware grootse schoonheid dankt aan zijn zwier, kijk naar Westminster Abbey, Canterbury, zoveel andere wonderen. In Den Haag biedt geen enkele kerk iets merkwaardigs over het algemeen, noch de katolieke noch de protestantse. Op een zondag, veertien dagen na mijn aankomst, wilde ik tijdens een ‘goddelijke dienst’ binnentreden in een reusachtig gebouw in rode baksteen en middeleeuwse kerkramen, maar dit werd me ontraden, want eenmaal binnen in die tempels mag men ze alleen verlaten op het einde van de psalmodieën en het sermoen!
En we gaan ons aperitief bitter-Schiedam ditmaal pakken in een overgroot voor mij nieuw café.
Helemaal in spiegels, zoals dat trouwens van de ‘Passage’; planten, crysanten. De café's hier doen denken, maar dan in het groot, zeggen we in het grootse, aan die van Parijs. Er wordt gedronken en gerookt en bij het drinken verorbert men kleine, harde, gezouten taartjes. Zij die de zeer talrijke kranten en tijdschriften willen lezen in dit persland beschikken over lange tafels in een van de klaarste hoeken van de instelling.
Maar het uur voor het avondmaal breekt aan. Zilcken heeft iets geflikt met een ‘huurrijtuighouder’ en een prachtige bijna-karos voert ons, rokers van Batavia-sigaren, vroeg naar Hélène-Villa.
Niettegenstaande de elkaar opvolgende sigaren onderweg, praten we veel met elkaar, Zilcken en ik. Een waar type, deze mijn gastheer, het volkomen type van een vreemdeling, die echter even goed Frans spreekt als gij en ik, zonder één fout of accent, het soort artiest, dat van nog duizend en meer zaken afweet daarbuiten, afwisselend, leerzaam en vinnig van konversatie, iemand naar wie men steeds kan luisteren. Hij is de zoon van een hoog staatsambtenaar, als jonge man was hij officieus de intieme sekretaris van de grote koningin Sophie, enige vriendin, de Egeria als het ware van de ongelukkige Napoleon III, die, als hij naar haar had geluisterd, zichzelf en ons de oorlog van 1870 zou bespaard hebben. Naar zijn fysiek beantwoordt Zilcken zo weinig mogelijk aan de opvatting, die men zich over een Hollander maakt... volgens velen, volgens de Vlaamse schilders, ook volgens de literatuur, bijvoorbeeld volgens dat wonderbare verhaal van Edgar Poe Duivel op het belfort, met wiens masker trouwens het zijne enige algemene analogie vertoont. De klassieke tabakspot maakt plaats in hem voor een lange jonge man, mager, opgeschoten, altijd in beweging. Hij heeft een grote faam als schilder en etser in zijn vaderland en is allesbehalve een onbekende op onze nationale en partikuliere tentoonstellingen, waar hij jaarlijks sukses oogst.
Maar we zijn terug op Helene-Villa waar het avondmaal vlug wordt verwerkt. Ik ga me boven ‘aankleden’, ik kom naar beneden om mijn nota's en heel wat boeken te nemen en we zijn op weg naar de glorie in de koets van de stalhouder die ons ook in de late uurtjes zal terugrijden. Mevrouw Zilcken vergat niet een ei mee te nemen, dat de spreker straks zal moeten zuipen om bij stem te zijn. Maar we betreden het angstaanjagende hol met zijn talloze zalen, de ene al strenger dan de andere. Ik slik mijn ei en treed mijn zaal binnen. Een goed honderdtal mensen, onder wie veel dames en juffers, die me met handgeklap verwelkomen. Ik klim de drie treden van het verhoog op en ga zitten tussen de twee flambeeuwen; met rechts een glas water, een suikerpot, een karaf, terwijl Zilcken een pak boeken neerlegt op de tafel, al mijn werken, de gedichten van de Romaanse School gedeeltelijk, H. de Regnier, Viélé-Griffin, Retté, Dubus, Rambosson, nog meer anderen, alles voor de te verklaren teksten zorgvuldig aangegeven door lange, witpapieren bladwijzers. Ik begin!
Totnogtoe had ik slechts één keer in het openbaar geproken. En dit was in 1869! Ziehier waarom en hoe. Samen met een vriend had ik ingestaan voor een individu, een Pools balling, voor een bedrag van enkele honderden franken voor die martelaar, en zulks namens een kredietmaatschappij, genoemd Société du Prince Impérial. Daar de held van wie sprake kort daarop een goeie morgen het Doulce France vaarwel zei, viel mij iets zeer bevelachtigs te beurt, ondertekend door de vrederechter van het XIIIde arrondissement in Parijs. Op de gestelde dag was ik present en toen de magistraat me vroeg wat ik te zeggen had, riep ik uit ‘voor acht dagen uitstellen’. Dit werd me toegestaan. Wat er van mijn sprekerstalent terecht kwam? Daar ik me acht dagen later niet aanbood (ja, waarom niet?), vermoed ik dat ik bij deze brave maatschappij nog altijd in het krijt sta... een jaar later bestond ze al niet meer.
Maar dit dubbel triomfantelijk voorgaande stemde me allesbehalve gerust, zal ik het maar bekennen? En ik trilde een beetje, toen ik de sakramentele woorden uitsprak ‘Dames en Heren’, gevolgd door mijn groet aan Holland, u reeds bekend. De diepste ondergrond van mijn gedachte, waarschijnlijk twijfelt gij er niet aan, was dat ik er zo gauw mogelijk wilde van af zijn. Gelukkig had ik onderweg een lieftallig zinnetje voor Den Haag in elkaar geknutseld, met onder meer ‘deze waarlijk koninklijke stede waar welstand en welvaren enz.’. Dit sloeg in en van dat moment af vatte ik mijn onderwerp met iets minder schuchterheid aan. Ik sprak zeer zorgvuldig over de hedendaagse poëzie, opklimmend tot het romantisme en de hedendaagse Parnassus, waaraan ik een verdiende hulde bracht, daarna ontleedde ik, verklaarde ik naar beste vermogen de schakeringen van het decadisme en het symbolisme en de geheimen van de Romaanse School, alles samenvattend met een grote goeienavond aan al deze diepzinnige woorden, om in de mode te blijven zou ik ‘abscons’ moeten zeggen - die daarom niet, gelukkig, het talent ontnemen aan wie er hebben, hoewel het hun behaagt zich te omhangen met deze ietwat ...schreeuwende pakken. En tot staving van mijn thesis citeerde ik massa's verzen van mijn kameraden en vrienden, die ik tot mijn voldoening dikwijls op handgeklap deed onthalen.
Daarna stapte ik over naar mezelf, van mijn biografie, zo ingewikkeld voor wie ze ernstig zou willen ondernemen, een diskrete maar openhartige schets brengend. En ik las verzen van mij - fragmenten uit Sagesse werden door de aanwezigen het meest gesmaakt.
Eigenlijk werd het een sukses. Slechts drie dingen werden mij verweten, mijn stem was een beetje omfloerst, ik had niet genoeg eigen verzen gelezen, ik had alles ineens afgewerkt in plaats van halverwege wat te rusten en ook wat respijt te geven aan de toehoorders, zoals het hier de gewoonte is.
Maar daar staan Zilcken, mevrouw Zilcken, Toorop, Verwey, die mij meenemen, en dit keer trekken we te voet naar de Passage, die vlakbij is, en waar we een koffiehuis overrompelen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen