donderdag 27 november 2014

Karel van de Woestijne -- 28 november 1914

Karel van de Woestijne (1878-1929) was een Vlaamse schrijver. In de Eerste Wereldoorlog hield hij een dagboek bij, dat hier te lezen is.

28 November.
In geen acht dagen heb ik nog in dit dagboek geschreven: acht dagen die ik in Holland heb doorgebracht. - Wat ik er ben gaan doen? Ach, niet veel: alleen wat herinneringen opfrisschen; mij gaan verzekeren dat sommige verbeeldingen van thans wel degelijk berusten op werkelijkheden, die voor ons tot het verleden behooren.

En nu kan ik aan mijne Belgische lezers mededeelen: stelt u dat eens voor, in Holland kan men zich, van bij de grens, nog oefenen in het opzenden van een telegram. Op afstanden, die met het bloote oog onberekenbaar zijn, kan men er in betrekking komen met telefoonjuffrouwen. Had ik van Antwerpen tot in Rosendaal anderhalf uur met bevroren voeten Siberische ondervindingen opgedaan: het Hollandsche grondgebied bezorgde mij onverwijld een zorgvuldig-verwarmde spoorweg-coupé. Ik was nauwelijks aangekomen, of ik kon een brief posten, een gesloten brief nogal, naar een verafgelegen werelddeel, waar hij vermoedelijk vlugger aankomt dan een bericht, dat ik van Brussel naar Brussel zou hebben verzonden. En er was ook - innigste herinnering aan het meest-gemiste comfort - er was dat, wanneer ik met den ‘Neutral’-trein voorbij zeker schildwachthuisje reed, waar een Nederlandsche vlag aan wapperde, ik daar het onzichtbaar-astrale lichaam bevond te staan van een valet de chambre, die mij een jasje van vóós jaren, toen ik nog zoo mager was (ik ben in den laatsten tijd veel verdikt) en dat ik sedert een paar maanden, bij gebrek aan beters, weer dragen moest, ontknoopen en uittrekken kwam, hetgeen ineens mijn hart en overig ingewand van eene danige beklemming mocht bevrijden. (Gij begrijpt, wat ik bedoel.)

Ik trof in Holland nog andere souvenirs aan van mijn zeer gevuld verleden: zoo mocht ik er onder meer een strijkje van Weensche dames ondervinden: eene geneuchte die wij, in hare mij wat pijnlijk-aandoende, voor sommigen echter hoogst-verlokkelijke morbidezza, tegenwoordig in Brussel missen. Zand echter over deze blanke verschijningen. Want daar waren in Holland menschen, Vlaamsche en Hollandsche, waar nog mijn hart vol van is, als ik er aan denk, - oneindig meer dan van ‘Dichter und Bauer’-krassende Wiener-kapellen...

Weer iets dat de oorlog in ons tot hoogeren en dieperen bloei ontwikkelen zou: het waardebegrip der vriendschap. Wij kennen nu vaderlandsliefde en de beteekenis van onafhankelijkheid, beschouwd als collectief gevoel. De haast-physische gewaarwording der samenhoorigheid, de ontreddering vooral die onze secure zelfgenoegzaamheid onderging, verhoogden, verruimden ineens den zin der vriendschap. Nooit meer dan in Holland zou ik dit met eene oneindige vreugde, als bij eene verlossing, bevroeden.

Vlaamsche vrienden, van wier lot men zoo goed als niets wist, buiten het vaderland terug te vinden: het opent schatkameren van genegenheid. Of de eigen geboortegrond, de gemeenschappelijke geboortegrond ineens verplaatst was geworden in veiliger, vrijer oorden, vindt men elkander terug met de wederzijdsch aangedragen weelden van al wat ons binden kan, gezuiverd van al wat kon scheiden. Het is als een verzoening na een geschil dat nooit heeft bestaan, maar dat, vanwege een vertroeteld egoïsme, steeds scheen te dreigen. En dan, wij gevoelen, daar op vreemden bodem, wat wij, onafscheidbaar van ons, meedragen uit het vaderland. Want: niet allen weten het, maar allen loopen, als Uilenspiegel, met aarde van de geboortestreek in hunne schoenen.

Op vreemden bodem. Is Holland dan wel vreemde bodem? Staatkundig: ja. Maar hoe heb ik in mijn bonzend hart ervaren, dat ik weet niet welk atavisme, ik weet niet welke verwantschap, waar de taalgemeenschap maar een deel van is, mij bond aan die menschen, die voor onze landgenooten zoo enorm veel hebben gedaan, met toch nog iets anders dan het plichtbesef van een naburig land, iets meer dan de theoretische naastenliefde, die in de practijk anders nogal gemakkelijk in het licht der eigen belangen verduistert. Eene zekere ‘pudeur’ weêrhoudt mij, van Belgische erkentelijkheid te spreken: men maakt soms schulden, waarvan men weet dat men ze nooit zal kunnen betalen en die langs uw leven loopen als eene weldoende vermaning. Maar dit kan ik toch zeggen, niet alleen om de innig-warme ontvangst, die ik van mijne eigene Hollandsche vrienden genoot - daar hebben zij mij allang aan gewoon gemaakt! -, maar van de bejegening, waar mijne landgenooten, zoo Walen als Vlamingen, zich benoorden-Moerdijk in mochten verheugen: dat de leuze van ‘Noorderbroeders’ voortaan niet louter nog congressengrootspraak is...

- Weêr naar huis terug, eerst per spoor tot in Antwerpen, daarna op een karretje naar Brussel.

In den trein, duizenden, een dringende drom, vol gejaagdheid en angst en hoop, die naar Antwerpen terug gaan wonen. Het nazien der passen wordt er niet makkelijker op. Onder die menigte zijn er velen, die nog geen Duitsch soldaat van heel den tijd dat de oorlog duurt gezien hebben, en ze nu gaan bekijken met iets als verbijsterde nieuwsgierigheid. Eene dame, die slechts eenige dagen in Holland geweest was, er de waarde der vrijheid voor 't eerst bevroedde, en thans heel goed beseft wat de onderscheiden Duitsche uniformen beteekenen, barst in tranen los als wij weer over de pseudo-Belgische grens rijden...

- Het karretje, dat zich noemt: ‘train-bloc Anvers-Bruxelles. Chauffage central’.

Wij zitten onder een huifje, de voeten in het stroo, dat de beloofde verwarming uitmaakt, en trouwens zijne rol uitnemend vervult. Het is een zachte, zachte middag. Komt de lollige drukte van het echt-Brusselsche gezelschap de teeder-weemoedige stemming ook breken: het tochtje is mij niet onaangenaam langs dien breeden steenweg, waarvan alle boomen tot stompjes zijn afgezaagd, en die te breeder uitzicht geeft op de naakte, maar nog groene vlakten. Wij naderen Waelhem. Hoog bovenop de regelmatige karteling van het bolwerk, de zwarte silhouet van een soldaat. Beneden de wriemeling van andere soldaten, volop aan het werk. Eindelijk de afzichtelijk-geteisterde dorpsstraat, waar alleen nog enkele muren recht staan...

Landschappen des oogenbliks: velden van prikkeldraad; plantages van afgehakte sparretjes. Ik heb ineens het visioen: duizenden zwarte armen met gebalde vuisten, die uit den grond opsteken. Wat weer uiterstsubjectief is.

Bij valavond rijden wij Mechelen binnen. Sint-Rombaut heb ik nooit zoo grandioos gezien, zoo tragisch-machtig, met den reuzig-sterken, van kartets-schroot beketsten en doorpokten toren, met die diepe, ronde wonden, die de houwitsers boorden, en al de ramen wijde gaten. Sint-Rombaut is geen blijde kerk meer, als nog kort geleden. Maar is mij thans liever dan ooit. En was het mij te doen, ik zou er zeer zeker te gepaster ure zoo weinig mogelijk aan restaureeren...

De nacht is ingetreden, en de koude, als wij rijden door Eppeghem, of wat er van overschiet. Een laatste schildwacht aan den ingang van Vilvoorde, en een laatste onderzoek naar de passen: wij zijn weldra te Brussel, en rond den familiehaard.

Vertellen, vertellen, - tot er gescheld wordt. Een onbekende komt mij den plotsen dood melden van mijn vriend Lodewijk de Raet, den Vlaamschen oeconomist: het eerste nieuws bij de terugkomst in het vaderland.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen