zondag 6 oktober 2013

Wies Moens -- 5 oktober 1920

5 Okt., 1920.
Toen zij allen, de een na de ander, met dezelfde uitspraak kwamen aandragen; eerst de doktor medicus, mijn wandelgenoot, en dan de doctor juris, mijn andere wandelgenoot, en dan ten slotte klein zorge-moederke ook al, - toen kon ik toch heus niets anders doen dan er mij maar bij neerleggen! Zij zongen allen hetzelfde liedje, de een op een toontje lager, de andere op een toontje hoger, allen het eeuwig refrein: ‘Je moet nu rusten, rusten rusten!’ - Of zij dan toch niet barmhartig wouën zijn, en maar eens even bedenken wat een karwei dat is: niks niemendal te doen? Maar zij hielden niet op. Ten eerste, je mag niet werken; ten tweede, je mag niet schrijven; ten derde je mag niet denken... En ja, waarachtig, klein zorge-moederke ôôk: ‘je mag niet denken!’ Toen ik, tussen twee zoenen, eens polste: ‘ook niet om jou?’ kreeg ik geen ‘geartikuleerd’ antwoord!

Ik heb het dan maar geprobeerd. Eéns heb ik een hele dag geleefd zonder te dénken. Dat was vreselik! Ik wil dan ook eerlik zijn en bekennen dat ik de nacht op die dag geen oogje geloken heb: zo druk als toen al de verdrongen dag-ideeën op me aanstormden! Werken deed ik ook al niet. Maar dàt is eigenlik zielig, weet je! Het is net of er binnen in je iets aan het verdorren is. Daarbij kwam dan nog het schrijfverbod. En dat is de reden warom vele goeie, beste vrienden op al hun epistels geen antwoord kregen. Ook al iets om zoo maar niet losjes overheen te stappen!

Gelukkig is de ‘krachtproef’ achter de rug. Altans, ik hoop dat ik geen tweede maal tot haar mijn toevlucht zal hoeven te nemen!

Nu ik hier weer met een effen blijde ziel aan mijn schrijftafeltje zit, gaan mijn gedachten naar allen die met een woord, een glimlach, als met zachte handen, de rimpels en plooien glad streken en mijn hemel weer spanden strak en klaar vol blijë schittering van eeuwigheidslicht! ZIJ brachten de onfeilbare medicijn: Geluk; dit geluk waarvan Roland-Holst zong: O zoete vreugd, aan levenden te reiken en vast te hechten welriekende kransen, bloemen van 't hart die zo liefelijk geuren. Als zij nu wisten, op dit oogenblik, hoe ik hier met onzeglike dankbaarheid aan hen te denken zit, hoe mijn gedachtenis hen koestert als in het licht van stralende kinderogen!

Eens, het is lang geleden, zat ik zo aan mijn schrijftafel, thuis! De hele namiddag, de hele avend had ik gewerkt. Er lagen een boel be- schreven bladen vóór me. Mijn thee was koud geworden, en in mijn pijp was de brand lang gedoofd. Ik was moe, maar kon nog niet scheiden van mijn werk. Er knaagde iets aan mijn hart, en dat was als vertwijfeling. Want er was zo machtig veel dat vóór een uur als gloeiende goud uit mijn pen was gevloeid, en dat mij nu dof scheen en glansloos: goud vermengd met koper en de afval van veel onedele metalen. En de verbittering steeg nog toen ik dacht aan hem, aan haar, tot wie deze bladzijden vóór me gericht waren. God, of er dan ooit wel een mens zou zijn die stil vóór zich heen mijn naam zou fluisteren, lijk men de naam fluistert van zijn meisje of van zijn moeder, wanneer men zich alleen voelt en verlaten; één onbekende mens die mij noemen zou: broeder, voor wie mijn woord zou zijn: lamp en houvast?

En nu, grote God, nu is dat alles vervuld. Nu heeft liefde zich rijkelik over me ontfarmd: dag en nacht staat haar gelaat over me opengebloeid, haar glimlach is warm op mijn voorhoofd, en haar witte tranen zijn als perelen in het bekken van mijn handen! Zij laat mij zijn de geringste, een simpele werkman, hààr werkman: bode van haar heerlikheid! Zij doet mij binst de dag op mijn tenen lopen, zacht, om niet te storen de ragfijne muziek van haar melodieën die zij ophangt van celwand tot celwand. En in de nacht zoent zij mij wakker met manestralen, en voert mij naar het venster en zet mijn ogen vol heldere sterren: dan is het alsof bloesems drijven op mijn bloed! Want nu is zij niet langer meer: enkel het verlangen naar het uurtje ekstaze dat mij hier om de veertien dagen wordt toegemeten uit de zoetheid van één mensemond en één paar geluksogen! (O, te midden van deze ekstaze te worden opgeschrikt met een bons op de deur van het spreekkamertje, en naar je cel te wankelen, duizelig - alsof je een heilige was die verzonken lag in visioenen, en die iemand kwam opvorderen met een ‘Broeder, ga de schotels reinigen’ - of een dergelik altans zeer prozaïes bevel!) - Nu is liefde geworden: onophoudelik reiken van mijn hele wezen naar tientallen die ik ken, naar honderden, duizenden die ik niet ken, maar uit wier scharen één reeds op me toetrad, een broeder of een zuster, met warm gelispel van woorden en blij bewegen van handen! Mens, broeder of zuster, wie gij ook wezen moogt, - die neerzat en naar me luisterde, ik dank U! Vergeef mij, indien ik altijd hetzelfde herhaal. Ik stamel. Ik leer spreken. Ik beproef de woorden waarmee gezegd moet worden wat tot nogtoe alleen geschreven stond op de kroonblaadjes van de mimosa, en op de tril-vlerkjes van de muggen die hoog en fijn bazuinen in de avend! Het staat ook in duistere hiëroglyphen gegrift op de kleine kei die rolt onder de voeten van de wandelaar. Het is een gedicht in de korrel zand en in de waterdrop, een hooglied in een druppel van ons bloed! - Maar het woord, het woord zoek ik, waarmee wij, mensen, dat eindelik zullen vermogen te noemen!

Eens, o ééns moet het zo zijn: dat wij allen mekaar begrijpen, dat wij allen één worden in het Woord! Als geen tweestrijd meer zijn zal tussen mij en mijn broeder, tussen mijn broeder en het dier; tussen ons en de sterren, de planten, de bergkristallen; geen tweestrijd meer tussen de levenden en het Leven. Maar Verzoening àl-wijd, uitgestrekt van hemel tot hemel, van planeet tot planeet, van hart tot hart en van brein tot brein!

Deze tijd nu is voor ons allen de tijd van de advent: de tijd der grote voorbereiding tot het mirakel dat Liefde moet bewerken op aarde! Honderden, duizenden zijn wij die, onbekenden voor mekaar, in alle landen en op alle plaatsen, ons hart voorbereiden tot de ontvangenis van nieuwe levensgratie, nieuw levensgeloof! Geloof in de opstanding der Mensheid, de verrijzenis des Volks! - Geloof in de komst des Geestes met witte tongen van vuur, met vurige gaven van deugd en heiligheid, over ieder van ons! Uit de baaiërd van de na-oorlogse tijd dreunt dit geloof op, als de stem van God die de wateren scheidt en de ingewanden der bergen beroert!

Wij zijn als de jonge moeder die de vrucht draagt in haar schoot, zorge-vol, angstig in de verwachting, maar koen in het allerstoutse toekomstdromen! Nog weten wij niet wat onze nieuwe wereld zijn zal.

Maar haar bouw leeft in ons: wij kennen àl de lijnen, de verdeling der vlakken, het spel van licht en ruimte; de boog van haar gewelven spant onze borst, hare koepels en torens bazuinen de lucht open over onze hoofden!

O, dat staren in deze eeuwige mogelikheden, dit ekstaties opgaan in de voleinding van onze dromebouw! - Zo heb ik nu dagen achtereen het dag-ontwaken zien gebeuren in de hemel boven de ringmuur. Het was nog klare maneschijn toen wij al aan het rondscharrelen waren om onze cel weer voor het leven van een ganse dag in orde te brengen. In de lucht van turkoois stond de gouden maansikkel, triomfantelik als een Jocondelach! - Traagjes eerst, en dan sneller om sneller ging haar goud aan het tanen, en naarmate zij al matter en bleker werd, begon de hemel van hard turkoois zachtjes open te vloeien in zee-groene, perelgrijze, room-blanke akwarel-tinten - waarin de maansikkel dreef als een slaap-omhangen waterlelie... Zo bleef het een poos: hoogheilig-rein: wierookwalmen over het tabernakel der aarde! Maar dan, plots, over de ringmuur aanstormen, stolperend, steigerend, jonge paarden over morgenheuvelen: de roze wolken, de lila wolken, de koper-rode wolken; over mekaar, door mekaar: wilde horden ten val; dan statig de ene na de andere, plechtig-traag: stoet van hogepriesters in zwaar brokaat, harpen beurende, reukvaten zwaaiend: Halleluja! halleluja!

Ik stonds telkens, met mijn handen leunende op mijn klein, krom-gezakt tafeltje: mijn hele lijf en ziel gerekt naar de wolken. Eén jubel door al mijne zenuwen, lied ik-zelf! - Maar dan, o dan, als het ware de hemelen te voelen drukken op zijn schouders, stil als een toren van zand ineen-te-breken onder de hemelen, geknield vôôr Gods morgengelaat te prevelen: woorden die tot ons terugkomen uit verre jaren, als trekvogelen met de Lentewind!

Zich klein te voelen, een kind: dankbaar om al wat in ons leven viel: goud van sterren en dorre bladeren, donder en klare vogelzang, morgendauw en bloedige tranen! - De heerlikheid die is van het graspleintje (waar nu op een terpje chrysanthen gaan bloeien: kleine kinderhandjes die opengaan in het groen!) naar de hemel, en van de hemel naar het graspleintje, - ik heb haar gezoend met mijn ogen: geaaid met mijn handen, ik heb haar als een zachte, schuchtere bruid in mijn armen gewiegd! Nu zal ik danken, danken om alles; om deze lange, lange rei van gevangenisdagen: ik ontwaakte 's morgens en vond een oud-oud lied in mijn keel; en 's avends, terwijl ik met groot-open ogen op mijn brits lag, flitsten ideeën als vuurvlinders door het azuur van mijn brein!

Moeder: nu heb ik uw ogen weer gezien, uw droef-zachte ogen waarop al de zilverbloemen stonden opengebloeid! Heel mijn leven, met zijn glanzen en donkerten, lag in uw ogen waarin ik las als in een boek. Maar uw voorhoofd was als een paar witte duivevlerken: opengespannen tot een zegening over uw kind. O moeder, die ik psalmenbiddend de dood heb ingeleid, luister: alles is goed, ik bleef getrouw aan mijn belijdenis! Ik haat niemand. Ik dank hen die mij vervolgen. Die diepst door mijn hart ploegden ontdekten voor mij mijn heerlikste kracht. Nu zijn alle torens van hoogmoed gesloopt. Kameraad, vriend, zuster, geliefde wie gij ook zijt die met zoete maanaandacht buigt over het donker meer van mijn lot - mijn handen en voeten kan men binden, men kan mijn jeugd laten verbleken tussen celmuren; aan wat binnen in mij opspringt als de bergwel, aan wat binnen in me bloeit als een oleander, aan deze zuiderhemel, deze vrede, deze zekerheid raakt niemand, niemand, niemand!

Eens, eens zullen wij van hier gaan: met het reine goud des levens in onze handen: een gave voor allen die ontberen! Wij zullen onze glimlach hangen aan de mond van de droeve, wij zullen het hart van de zwakke kneden.


Wies Moens (1898-1982) was een Belgische schrijver. Zijn Celbrieven bestaat uit gedateerde fragmenten, maar is niet een echt dagboek.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen