donderdag 19 september 2013

J.A. Schuurman -- 20 september 1868

De zeer sterke slingeringen van het schip, gevoegd bij de nog voortdurende zeeziekte van mijne vrouw en dochter, maakten het mij onmogelijk van de vorige dagen iets op te schrijven.
Bijzonderheden vielen er dan ook weinig voor. Het zien van bruinvisschen en zelfs, gelijk heden morgen, van een walvisch, of volgens anderen een noordkaper, is niet belangrijk genoeg om er over uit te weiden.
Het leven aan boord van een schip valt mij zeer tégen. Ik hoop nog altijd dat het een weinig gezelliger zal worden, althans dat mijne meerdere of mindere gejaagdheid zal voorbijgaan, wanneer mijne goede vrouw en kind maar hersteld mogen zijn van de zeeziekte, die op het gansche gestel een alles verlammenden invloed oefent. Ook zelf ben ik nog niet gansch vrij, en niet dan met de meeste inspanning is het mij mogelijk geregeld te denken of te studeeren.
In uwe gedachten ziet gij mij bezig met de soldaten, met hen zingende en tot hen sprekende het woord Gods. Waart gij met mij, niets van dat alles zoudt gij zien. De ziel is neergedrukt! Ik vraag mij af, is het ook de reactie van den gespannen toestand waarin ik den laatsten tijd verkeerd heb? Maar neen, ik ben mij van het tegendeel bewust. Ik schrijf het toe aan slapeloosheid door de ziekte van twee der mijnen en aan de ongewoonte van het leven op een schuit. Mogt het beter worden! Des avonds zet ik mij een poosje op de campagne en tracht dan de heeren medereizigers tot een degelijk discours uit te lokken. Ook gisteren avond mogt het mij gelukken. Het gesprek liep over zonde en genade in verband met den persoon des Heeren Jezus. De Heer ondersteunde mij en gaf mij zachtmoedigheid en wijsheid. De heeren stonden op zeggende: nu wij willen dit gesprek later gaarne nog eens voortzetten en gingen naar omlaag om te homberen! De kapitein der troepen bleef echter liever boven en sprak met mij over de Heidenen, en wat ik dan van al die velen dacht, die zonder den Christus te hebben kunnen leeren kennen, sterven. Mijn antwoord, dat zonder besliste verwerping van den Christus niemand verloren zou gaan, en dat een ieder hier of later tot zulk eene crisis gebragt werd, scheen hem te bevredigen, terwijl hij mede wel iets gevoelde van de dure roeping die er rust op den belijder des Heeren Jezus, om dien Heer door woord en daad te verkondigen.
De ellende, door den sterken drank veroorzaakt, ondervinden wij helaas ook weer aan boord. De hofmeester blijkt er zoo zeer aan verslaafd te zijn, dat hij heden van zijne functie is ontzet, en een der soldaten, die vroeger als hofmeester gevaren heeft, als zoodanig is aangesteld. De passagiers hopen, dat het gevolg hiervan wezen zal, dat het eten een weinig smakelijker zal worden toebereid. Immers dit was zoo onsmakelijk, dat wij reeds besloten waren het onaangeroerd te laten staan en ons met beschuit en rookvleesch te vreden te stellen. Door de liefdezorg van zoovelen uwer, zijn wij ook bij zeeziekte van alles ruim voorzien wat strekken kan om eenige verzachting aan te brengen. Wij danken u voor alles. De liefdegaven zijn zooveel waard wanneer men ze ontvangt van hen, aan wie men zich zoo zeer verbonden gevoelt.
Hoe gaarne zou ik weten wie heden in de beide beurten op de proef zal preêken ? Mij dunkt het zal ds. Michelsen zijn. Dan zijn er reeds drie gehoord. Dat de regte man voor de gemeente beroepen worde, dit blijft mijne bede!


J.A. Schuurman was een Nederlandse predikant. Hij hield een dagboek bij van zijn reis naar Java in 1868, dat is gepubliceerd als Mijne reis naar Java.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen