dinsdag 29 januari 2013

Gemeente-ambtenaar - 30 Januari 1943

Gemeente-ambtenaar, 38 jaar - Veenendaal
Zaterdag, 30 Januari 1943
- Te kwart over negen ga ik de deur uit om de trein van kwart voor tien te kunnen halen.
Ruim 20 min. was de trein te laat in A.dam aan. Half twaalf reed ik per tram op het Rokin op weg naar oom Gijsbert. Deze had met Elly op mij zitten wachten met het eten. De jongelui waar ik voor kwam waren er nog niet. Na een paar bordjes erwtensoep te hebben gegeten gingen we naar die heer met huishoudster. Mijnheer was niet thuis. Daar heb ik zitten wachten tot half drie waarop ik m'n jas aantrok en weg wilde gaan, doch daarop kwam betrokkene thuis. Ik stelde hem voor indien ik een schuilplaats voor hem had ik van hem ƒ1000 moest hebben te gebruiken voor 2 stel jongelui die het niet konden betalen. Hij ging hiermede in zooverre accoord dat hij de onkosten voor de betreffende jongelui wilde betalen. Hier vandaan, na eerst een boterham te hebben gegeten, ga ik met lijn 3 naar het Henriëtte R[onner] plein een oom en tante van Jaap en Hannie bezoeken. Te ruim 4 uur ging ik daar weer weg, na eerst een heerlijk kopje thee te hebben gedronken. Tevens krijg ik een pakje mee waarin enkele [vloer] matten, [een] vleesmachine en wat cahiers.
Nu naar de Transvaalstraat met lijn 3. Jaap is alleen thuis. Ook daar doe ik m'n boodschappen en dan te kwart over vijf weer naar de Parnassusweg. Daar aangekomen tref ik de bewuste jongelui aan. Hij een mager tenger ventje, zij nerveus in zeer erge mate, roodblonde haren doch wel bijdehand. Het heeft heel wat voeten in de aarde alvorens de ster er af is en er zoodanig weer op zit dat ze deze onderweg niet verliezen. Doordat de plek waar de ster gezeten had wat verschoten was zou ze waarempel nog een andere jas aan willen trekken. Omdat het bijna donker is, breng ik ze daar weer van af. De jonge Elly helpt haar losjes de ster er weer op te naaien. Zij vraagt me of ze mij een arm mag geven dan loopt het niet zoo in de gaten. Hij mocht van haar niet te dicht bij ons loopen omdat hij Duitsch sprak. Buiten gekomen discht ze van allerlei onsamenhangende verhalen op. Hij loopt als een haas, is regelmatig een meter of tien voor ons uit, rookt de eene sigaret na de ander, z'n vingers zijn zwart van het rooken. Een zielig figuurtje een man van 36 jaar doch doet nog kinderlijker dan onze R.
Telkens moet ik hem naar me toe halen omdat hij te ver vooruit loopt. Aanvankelijk liep hij met een zakje met eieren welke ze kregen van oom Gijsbert, zij durft ze niet in de tasch hebben. Als we op de Stadionkade loopen alwaar het zeer rustig is, adviseer ik de ster af te doen, doch ze zijn er niet toe te bewegen. Nu nog niet, als we onze buurt waar we wonen voorbij zijn. Toch doet ze de eieren in der tasch na veel praten mijnerzijdsch. Zeg, mag ik jij tegen U zeggen, noem mij maar Annie, m'n man heet Jo, wat zullen we tegen hem zeggen?
Ik: zeg maar Henk.
Annie: Henk, Jo, Henk, kom wat hier naar toe. je loopt een heel eind vooruit.
Ik: doe nou die ster af, we loopen in de Jekerstraat.
Henk: straks, op de Amstellaan, en steekt weer een sigaret op.
Annie: m'n man rookt zooveel, hij heeft veel geleden.
Houdt ik me nou goed mijnh[eer] Piet. Ik ben niets bang, maar ze rilt van de zenuwen.
Annie: waren de andere menschen ook zoo als ik, ik ben toch wel flink hè?
Ik: Henk, kom hier naar toe, je kan hem haast niet meer zien zoo ver is hij vooruit. Houd dit pakje eens een poosje vast.
Annie: Joden mogen niet met pakjes loopen.
Ik: Henk, geef maar hier dat pakje. Hij heeft er tien meter mee geloopen en kan al haast niet meer.
Amstellaan.
Ik: en nou die ster af; ja straks, zeggen ze beiden.
Ik tegen Annie: nou doe je niets tegen hoor. Ik grijp haar onder de arm, zit een beetje aan der borst te frommelen en heb de ster te pakken, nu naar Jo, en ook daar is deze er gauw van verdwenen. Ziezoo Jo, en nu jij dit pakje dragen. Maar och stumper, hij kan het niet houden en neem ik 't weer over. Annie stevig aan m'n arm.
Annie: O, daar stopt een auto, ik ga terug, en verdorie hij ook. Ik grijp ze alle twee in der lurven en zeg, vooruit, nou geen onzin langer, loopen, en ze gaan weer mee.
Annie: daar loopt een man achter ons, 't is vast een zwarte.
Ik: we zullen hem laten passeeren, en als de z.g. zwarte voorbij is blijkt het een heer met een lichte regenjas aan te zijn.
Op de Berlagebrug rijdt een tuur. [agent]
Annie: praat niet zoo hard, hij hoort ons.
Ik: doe toch niet zoo angstig en praat niet langer op zoo'n fluistertoon. Maar ja, ze doet het toch.
Jo steekt weer een sigaret op.
Annie: als we het viaduct onder door zijn: hier mogen geen joden komen zegt ze.
Ik: nou je bent toch geen jood, want je hebt geen ster meer.
Zoo naderen we het Amstelstation, de eieren moet ik in de zak stoppen, ze durft ze niet langer bij zich houden. Bij het station staat een ziekenauto met een rood achterlicht.
Annie: zou dat een fiets zijn?
Ik: heb je wel eens een stilstaande fiets gezien met een rood brandend achterlicht?
Antwoord: neen!
Einde 1e tafereel.

Nu moesten we het station in om kaartjes te nemen.
Annie: ik houd je vast Piet, ik ga mee kaartjes nemen. In de hal gekomen, haal ik hem naar me toe, zet ze bij elkaar en duw hem m'n pakje in de handen.
Wanneer ik kaartjes genomen heb staan ze nog net zoo bij elkaar.
Nu naar het perron.
Annie: wat is het hier licht hè? De trap opgaande houdt ze me stevig vast. Jo is al boven als wij halverwege zijn.
Op het perron:
Annie: kijk die twee heeren eens kijken naar ons en dat meisje dat daar loopt kent ons vast.
We loopen een beetje heen en weer. Jo steekt nog eens een sigaret op. De hoeveelste? Ik ben de tel kwijt.
Annie: Jo, in de trein moet jij niets zeggen, ga maar op het balkon staan. Ik ga met Piet in de coupé zitten. Ik houd Piet stevig vast.
De trein kwam aan en van alle voorgenomen plannen komt niets terecht. Weinig volk en we kwamen met z'n drietjes bij elkaar te zitten. En maar zeuren: wat duurt het lang hè voor we er zijn. Moeten we lang in Utrecht wachten enz. enz.
Te ruim half negen zijn we er. Nog even zit Annie in angst toen in Driebergen een marechaussee in de coupé kwam, doch deze verliet 't volgende station de trein al weer.
Bij aankomst bij de uitgang komende zat ik even in m'n rats. Een heer bekeek ze (n.l. Annie en Jo) aandachtig, tikte hun op de schouder en vroeg: is U mijnh. en mevrouw x. Nee gaf ik ten antwoord, dat zijn logé's van mij.
Toen ging ik de fiets halen en bij terugkomst was ik Annie en Jo kwijt. Nergens kon ik ze vinden. Terugloopen naar de uitgang, deksel waar zouden ze zijn, totdat ik een brandende sigaret zie en jawel hoor, dat zijn ze. Zie zoo, en nu maar gearmd naar de plaats van bestemming n.l. Bakker. Nog even zij vermeld dat ik nogal last had van m'n thermogeenwatten want door het transpireeren gingen die branden op m'n rug. Ik probeerde ze er tusschen uit te krijgen doch dat ging niet en toen wou Annie me helpen en zei: och, ik ben toch ook getrouwd.
Ziezoo, dat is ook weer gebeurd, ik ben blij dat ze binnen zijn want zulke menschen zou men zenuwpatient van worden.
Thuisgekomen vertel ik m'n wedervaren en ze zitten om een en ander smakelijk te lachen. 't Is ook werkelijk om te lachen zoo gek stelden ze zich aan. Na een kopje koffie en een bordje soep is het langzamerhand tijd geworden om naar bed te gaan.


* Dagboekfragmenten 1940-1945

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen