maandag 23 juli 2012

Frederik van Eeden -- 24 juli 1902

donderdag 24 juli
Nog altijd koel, bewolkt, nu en dan zonnig en wat zoeler, meestal prachtige wolken. ▫ Ik begin nu goed te slapen. In 't eerst was ik wat hypochonder, bang voor kwaaltjes en in den nacht onrustig wakker. Maar nu ben ik recht gelukkig. Ik maakte een vers ‘des Levens Kern’ en schrijf aan mijn artikel over Woordkunst. Ik las Leone Leoni en le Secrétaire intime, de Bhagavad Gítá des morgens, 's avonds te Vuur en te Zwaard van Sienkiewicz. Morgen gaan we naar Leiden wandelen.

Frederik van Eeden (1860-1932) was schrijver en psychiater. Hij hield een groot deel van zijn leven een dagboek bij.


Des Leevens Kern

Zooals de kleuren nu mijn hart opbeuren
deeden ze 't nooit, ook niet in versche jeugd,
en aller waer'ld zoet-zorgelijk gebeuren
heeft nooit zoo rechtstreeks mijn verstand verheugd.

Het Leeven spreekt nu met een klare stem.
Als 't carrillon des morgens van een tooren,
dreunt mij, die opziet, wislijk en met klem
de blijde noodzaak van elk ding in d'ooren.

Elk lijden waan, zonder bestand noch duur,
elk pijntje een wenk en richtvonk onzer weegen,
de waan een toornwolk rond Gods liefdevuur
hoe kloeker dóórgeboord, te eer ontsteegen.

En God geen ding, geen kracht, maar vriend en vader
digt bij mij, digt, den dag, den nacht—den nacht,
liever dan 't liefst en dan het naaste nader,
de vreugd van 't blijdst en van het schoonst de pracht.

Nu zie ik weer geranium en linde
met 't oog eens kinds, als waar ik pas ontwaakt
en zee en duin, die ik als kind zóó minde
mijn manlijk hart met voller vreugde raakt.

Ai, laat mijn blik verzwakken, 't lijf verouden!
wanneer herinnren faalt en denkkracht dooft
heb ik bereikt wat 'k eeuwig zal behouden,
dat vrij de ladder breek', ik borg het ooft.

Wie zou 'k nog haten, schoonheid is in allen,
'k zie gansch den nacht niet om één vonkske licht
en waar een hart zich ópdoet, moet ook vallen
mijn liefdevloed, door eigen wigt gericht.

Het lust mij wat ik heb aan glans te spreiden,
niemand moog danken, nochthans blijft de lust,
om wisse vreugd trots ik 't onwisse lijden,
ik ken het zoete werk om zoeter rust.

Dat komt dewijl ik in een blind vertrouwen
d'onzichtbre kern van 't zichtbre Leeven zocht,
geduldig zooals dorst'ge bloemen schouwen
die zich ontvouwen voor het reegenvocht.

Dit's ál, onrust'ge, die mij mocht benijden,
geen meerder weetenschap en doet u nood:
blijf 's Leevens kern betrouwen—en de Dood
met àl zijn schrik moet eeuwig van u scheiden.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen