• John Dee (1527–1608/1609) was een Engels humanist, filosoof, wiskundige, geograaf, astroloog en adviseur van koningin Elizabeth I. Hij hield een journaal bij, dat is gepubliceerd als The Private Diary of Dr. John Dee.
March 12th and 13th, these two nights I dremed much of Mr. Kelly, as if he wer in my howse familiar with his wife and brother.
March 17th, Francis Garland cam home and browght me a letter from Mr. Thomas Kelly. I made acquayntance with Syr Thomas Chaloner, Knight, who married sergeant Fletewood’s dowghter; Mr. Thomas Webbes was the meanes. At six after none receyved from Mr. Francis Nicholls £15, part of one hundred pounds, the rest whereof £85 is to be receyved from Mr. Nicolls within a fortnight after the Annunciation of Our Lady next; and after that in the beginning of June £100, and in Julie the third hundred powndes: and I am to teach him the conclusion of fixing and teyning the moon, &c.
April 3rd, Bartilmew Hikman and Robert Charles cam up. Letice cam with Barthilmew, and went away agayn.
zondag 12 maart 2017
woensdag 8 maart 2017
Ernst Heldring -- 9 maart 1922
• Ernst Heldring (1871-1954) was een Nederlandse reder, bankier en politicus. Zijn dagboeken zijn te lezen bij de dbnl.
Maandag, 6 Maart op Curaçao, dat voor mij bekende grond is, al is het 26 jaar geleden, dat ik er den voet zette. Weinig verandering valt er te constateren, hetzelfde zuivere aanzicht met zijn witte en geel gepleisterde huizen en roode daken, het speelgoedfort en de ietwat slaperige toestanden, waarvan de commissaris van politie, er als een Hollandsche veldwachter met lange sabel uitziende, de typeerende uiting is. [...]
9 Maart 1922.
Autorit om het Schottegat heen naar de Plantage St. Joris van Perret - mooi vee, oranjeboomen, nispero's en klappers - prachtig gezicht op de baai (Noordkust), vandaar naar Sta. Barbara, de fosfaatmijn van Godden (thans werkend met kapitaal van Hope & Co, waar ik de baai - Vuikbaai - bezichtigde (slechte haven), ontvangen door Mr. Veal. Ten slotte naar de Caracasbaai, waar het oude quarantaine station ligt. Ik herinnerde mij dat heerlijke punt van 30 jaar geleden. Mijn indruk van het Hollandsche bestuur van Curaçao na 26 jaar interruptie is, dat het onbekwaam is. De stad heeft nog geen waterleiding en de sanitaire toestand is er slecht. De wegen zijn beter dan vroeger. Bebossching heet onmogelijk. Toch zag ik op Sta. Barbara prachtige mahoni-boomen staan. Het onderwijs is beter dan op het vasteland, maar veel geld is aan de Roomschen verkwanseld, die er geen groote verlichting brengen. Misschien ook beter. Gelukkig is de Curaçaosche neger een flink slag werker, flinker dan zijn stamgenoot elders. De stemming is er in de laatste jaren wegens hooge belastingen, waarvoor weinig baat verkregen wordt, meer anti-Hollandsch geworden. Het wordt te een of andere tijd Amerikaansch - het Schottegat een mooie natuurlijke haven zijnde en de ligging van Curaçao ten opzichte van Venezuela en Colombia strategisch uniek.
Maandag, 6 Maart op Curaçao, dat voor mij bekende grond is, al is het 26 jaar geleden, dat ik er den voet zette. Weinig verandering valt er te constateren, hetzelfde zuivere aanzicht met zijn witte en geel gepleisterde huizen en roode daken, het speelgoedfort en de ietwat slaperige toestanden, waarvan de commissaris van politie, er als een Hollandsche veldwachter met lange sabel uitziende, de typeerende uiting is. [...]
9 Maart 1922.
Autorit om het Schottegat heen naar de Plantage St. Joris van Perret - mooi vee, oranjeboomen, nispero's en klappers - prachtig gezicht op de baai (Noordkust), vandaar naar Sta. Barbara, de fosfaatmijn van Godden (thans werkend met kapitaal van Hope & Co, waar ik de baai - Vuikbaai - bezichtigde (slechte haven), ontvangen door Mr. Veal. Ten slotte naar de Caracasbaai, waar het oude quarantaine station ligt. Ik herinnerde mij dat heerlijke punt van 30 jaar geleden. Mijn indruk van het Hollandsche bestuur van Curaçao na 26 jaar interruptie is, dat het onbekwaam is. De stad heeft nog geen waterleiding en de sanitaire toestand is er slecht. De wegen zijn beter dan vroeger. Bebossching heet onmogelijk. Toch zag ik op Sta. Barbara prachtige mahoni-boomen staan. Het onderwijs is beter dan op het vasteland, maar veel geld is aan de Roomschen verkwanseld, die er geen groote verlichting brengen. Misschien ook beter. Gelukkig is de Curaçaosche neger een flink slag werker, flinker dan zijn stamgenoot elders. De stemming is er in de laatste jaren wegens hooge belastingen, waarvoor weinig baat verkregen wordt, meer anti-Hollandsch geworden. Het wordt te een of andere tijd Amerikaansch - het Schottegat een mooie natuurlijke haven zijnde en de ligging van Curaçao ten opzichte van Venezuela en Colombia strategisch uniek.
Coenraad Ruysch -- 8 maart 1676
• Coenraad Ruysch (1650-1731) begaf zich in 1674 samen met zijn neef Dirck van Hoogeveen op een grand tour van drie jaar. Hij hield van die reis een dagboek bij: Journaal van een reis naar Genève, Italië en Frankrijk [Transcriptie en editie: Alan Moss]. Het onderstaande fragment gaat over het traject Vicenza-Genève.
Sondach den 8en vertrock des morgens neef van Hoogheveen en de heer Hooghenhouck naer Genua, van waer neef van Hoogheveen naer Marseijlge [Marseille] wilde gaen en de heer Hooghenhouck naer Turin om de heer Smit en mij daer weder te vinden en gesaementlijck naer Geneve te reijsen. Wij hadden soo wat questie [gedoe] met onsen waert doen t' op een betaelen ginch, doch hij gaf seer koop [bond in] als hij sach dat Smit en ick mede verhuijst souden hebben. Naer den eeten gingen wij wat wandelen buyten en binnen de stadt en gingen daer naer pater Don Celso besoeken, die mij met veel civiliteyt ontfonch. Syn conventis een van de fraijste van Milan en leyt seer vermaekelijck, genaemt St. Vittorio. t' Selve is seer verre van ons logement, t' welck oorsaeck was dat wij seer dwaelende en scrikkelyck lanch liepen eer wij t' huijs kosten geraeken, brengende den donker met groote vermoeijtheid mede, alsoo wij half Milan plat hadden geloopen.
Maendach den 9en kreech ick een visite van de heer Settale des morgens omtrent ten 16 ueren. Hij bleef omtrent een uer bij mij en gaf mij t' secreet [geheim] van met een roer [vuurwapen] 300 passen te scieten dat anders hondert passen kan bereysen [afleggen]. Wij gingenvoor de middach noch watwandelen door de stadt en saegen een seer magnifyck paleys van den marchese [markies] Homodei [het Palazzo Manriquez-Omodei. De familie Omodei was een adellijke Milanese familie].
Naer den eeten quam de heer Settale mij wederom vinden en bracht mij een secreetvan t' Aurum Diaphereticum temaeken. [Ruysch beschrijft hier een alchimistisch middel, ook wel Mercuriuswater genoemd] Daer naer bracht hij ons in t' paleijs van den prince de Ligne, dat tamelijck wel gemeubleert is. t' Cabinet van de princes is extraordinaris fraij en vol costelijckheden, soo van scilderijen als cabinette, silver, veel costelyke steenen etc. t' Selve staet in een lange galerije. Wij saegen noch een kleyn ander camertie,daer seer scoone miniaturen waeren en excessive kostelyckheden van corael. Sooals wij van t' paleijs meijnde te gaen, wiert deheer Settale bij de princes geroepen, soo dat wij ons afsceyt van hem naemen om naer huys te gaen, doch hij seyde dat hij noch bij mij wilde koomen om den avont met praeten wat te passeeren, gelyck hij deedt. Eer wij op t' hof gingen, bracht hij ons noch in een winkel van cristal,daer wij admarabele dingen saegen. Desen avont maeckten wij accort [overeenkomst] met onse viturijn op Turijn.
Sondach den 8en vertrock des morgens neef van Hoogheveen en de heer Hooghenhouck naer Genua, van waer neef van Hoogheveen naer Marseijlge [Marseille] wilde gaen en de heer Hooghenhouck naer Turin om de heer Smit en mij daer weder te vinden en gesaementlijck naer Geneve te reijsen. Wij hadden soo wat questie [gedoe] met onsen waert doen t' op een betaelen ginch, doch hij gaf seer koop [bond in] als hij sach dat Smit en ick mede verhuijst souden hebben. Naer den eeten gingen wij wat wandelen buyten en binnen de stadt en gingen daer naer pater Don Celso besoeken, die mij met veel civiliteyt ontfonch. Syn conventis een van de fraijste van Milan en leyt seer vermaekelijck, genaemt St. Vittorio. t' Selve is seer verre van ons logement, t' welck oorsaeck was dat wij seer dwaelende en scrikkelyck lanch liepen eer wij t' huijs kosten geraeken, brengende den donker met groote vermoeijtheid mede, alsoo wij half Milan plat hadden geloopen.
Maendach den 9en kreech ick een visite van de heer Settale des morgens omtrent ten 16 ueren. Hij bleef omtrent een uer bij mij en gaf mij t' secreet [geheim] van met een roer [vuurwapen] 300 passen te scieten dat anders hondert passen kan bereysen [afleggen]. Wij gingenvoor de middach noch watwandelen door de stadt en saegen een seer magnifyck paleys van den marchese [markies] Homodei [het Palazzo Manriquez-Omodei. De familie Omodei was een adellijke Milanese familie].
Naer den eeten quam de heer Settale mij wederom vinden en bracht mij een secreetvan t' Aurum Diaphereticum temaeken. [Ruysch beschrijft hier een alchimistisch middel, ook wel Mercuriuswater genoemd] Daer naer bracht hij ons in t' paleijs van den prince de Ligne, dat tamelijck wel gemeubleert is. t' Cabinet van de princes is extraordinaris fraij en vol costelijckheden, soo van scilderijen als cabinette, silver, veel costelyke steenen etc. t' Selve staet in een lange galerije. Wij saegen noch een kleyn ander camertie,daer seer scoone miniaturen waeren en excessive kostelyckheden van corael. Sooals wij van t' paleijs meijnde te gaen, wiert deheer Settale bij de princes geroepen, soo dat wij ons afsceyt van hem naemen om naer huys te gaen, doch hij seyde dat hij noch bij mij wilde koomen om den avont met praeten wat te passeeren, gelyck hij deedt. Eer wij op t' hof gingen, bracht hij ons noch in een winkel van cristal,daer wij admarabele dingen saegen. Desen avont maeckten wij accort [overeenkomst] met onse viturijn op Turijn.
maandag 6 maart 2017
Johann Peter Eckermann -- 7 maart 1830
• Johann Peter Eckermann (1792-1854) was een Duitse dichter, en daarnaast medewerker en vriend van Johann Wolfgang von Goethe. Eckermann is vooral bekend geworden door zijn opgetekende en uitgegeven gesprekken met Goethe.
Zondag, 7 maart 1830 Om twaalf uur naar Goethe, die ik vandaag bijzonder fris en krachtig vond. Hij bekende me dat hij zijn Klassieke Walpurgis-nacht opzij had moeten leggen om de laatste aflevering klaar te kunnen maken. 'Maar ik ben daarbij zo slim geweest,' zei hij, 'dat ik gestopt ben op het moment dat ik goed op dreef was en nog heel goed wist wat ik verder te zeggen had. Op die manier kan ik de draad weer veel gemakkelijker oppakken dan wanneer ik doorgeschreven had tot het stokte.' Ik knoopte dat als een goede raad in mijn oren.
Het was de bedoeling geweest voor tafel een ritje te maken, maar we vonden het allebei zo behaaglijk in de kamer dat de paarden weer werden afbesteld.
Intussen had de bediende Friedrich een grote kist uitgepakt die uit Parijs was aangekomen. Het was een zending van de beeldhouwer David, gipsafdrukken van portretten, bas-reliëfs, van zevenenvijftig beroemde personen. Friedrich bracht de afdrukken in verschillende schuifladen binnen en het was een zeer onderhoudende bezigheid, al die interessante persoonlijkheden te bekijken. Naar wie ik vooral nieuwsgierig was, was Mérimée. Zijn hoofd leek me even krachtig en ondernemend als zijn talent, en Goethe merkte op dat hij iets humoristisch had. Victor Hugo, Alfred de Vigny, Emile Deschamps bleken reine, vrije, blije hoofden te hebben. Ook verheugden we ons over de portretten van demoiselle Gay, van Madame Tastu en andere jonge schrijfsters. Het krachtige portret van Fabvier deed aan mensen uit vroegere eeuwen denken en het was een genot het uitvoerig te bekijken. Zo gingen we van de ene belangrijke persoon naar de andere en Goethe bleef maar zeggen dat hij door de zending van David een schat bezat waarvoor hij de voortreffelijke kunstenaar niet dankbaar genoeg kon zijn. Hij zou niet verzuimen de verzameling aan bezoekers te laten zien en zich mondeling over enkele hem nog onbekende personen te laten inlichten.
In de kist waren ook boeken meegestuurd, die hij naar de voorkamers liet brengen. We begaven ons daarheen en gingen aan de tafel zitten. We waren vrolijk en spraken over werk en allerlei goede voornemens. 'Het is niet goed dat de mens alleen is,' zei Goethe, 'en vooral niet dat hij alleen werkt. Hij heeft juist belangstelling en stimulans nodig als hij iets goeds wil maken. Ik heb aan Schiller de Achilleis en veel van mijn Balladen te danken, waartoe hij me heeft aangezet. En u kunt het aan uzelf toeschrijven wanneer ik het tweede deel van Faust afrond. Ik heb het u al vaak gezegd, maar ik wil het herhalen opdat u het weet.'
Ik was verheugd over deze woorden en had het gevoel dat er toch wel veel waars in stak.
Bij het dessert opende Goethe een van de pakketten. Het waren de gedichten van Emile Deschamps, begeleid door een brief die Goethe me te lezen gaf. Daarin zag ik tot mijn vreugde welke invloed op het nieuwe leven in de Franse literatuur aan Goethe werd toegeschreven en hoezeer de jonge dichters hem als hun geestelijk opperhoofd vereren en liefhebben. Zo was in Goethe's jeugd Shakespeare van invloed geweest. Van Voltaire kun je niet zeggen dat hij op jonge poëten in het buitenland zo'n belangrijke invloed had dat ze zich in zijn geest verenigden en hem als hun heer en meester beschouwden. De brief van Emile Deschamps was met veel sympathieke en hartelijke oprechtheid geschreven. 'Je werpt een blik op de lente van een mooi karakter,' zei Goethe.
Verder bevond zich onder de zending van David een blad met de hoed van Napoleon in allerlei verschillende posities. 'Dat is iets voor mijn zoon,' zei Goethe, en liet het blad meteen naar boven brengen. Het miste zijn uitwerking niet, want de jonge Goethe kwam direct naar beneden en verklaarde deze hoeden van zijn held vol vreugde tot het non plus ultra van zijn verzameling. Binnen vijf minuten bevond het blad zich ingeraamd en onder glas op zijn plaats tussen de overige attributen en herinneringsstukken van de held.
Zondag, 7 maart 1830 Om twaalf uur naar Goethe, die ik vandaag bijzonder fris en krachtig vond. Hij bekende me dat hij zijn Klassieke Walpurgis-nacht opzij had moeten leggen om de laatste aflevering klaar te kunnen maken. 'Maar ik ben daarbij zo slim geweest,' zei hij, 'dat ik gestopt ben op het moment dat ik goed op dreef was en nog heel goed wist wat ik verder te zeggen had. Op die manier kan ik de draad weer veel gemakkelijker oppakken dan wanneer ik doorgeschreven had tot het stokte.' Ik knoopte dat als een goede raad in mijn oren.
Het was de bedoeling geweest voor tafel een ritje te maken, maar we vonden het allebei zo behaaglijk in de kamer dat de paarden weer werden afbesteld.
Intussen had de bediende Friedrich een grote kist uitgepakt die uit Parijs was aangekomen. Het was een zending van de beeldhouwer David, gipsafdrukken van portretten, bas-reliëfs, van zevenenvijftig beroemde personen. Friedrich bracht de afdrukken in verschillende schuifladen binnen en het was een zeer onderhoudende bezigheid, al die interessante persoonlijkheden te bekijken. Naar wie ik vooral nieuwsgierig was, was Mérimée. Zijn hoofd leek me even krachtig en ondernemend als zijn talent, en Goethe merkte op dat hij iets humoristisch had. Victor Hugo, Alfred de Vigny, Emile Deschamps bleken reine, vrije, blije hoofden te hebben. Ook verheugden we ons over de portretten van demoiselle Gay, van Madame Tastu en andere jonge schrijfsters. Het krachtige portret van Fabvier deed aan mensen uit vroegere eeuwen denken en het was een genot het uitvoerig te bekijken. Zo gingen we van de ene belangrijke persoon naar de andere en Goethe bleef maar zeggen dat hij door de zending van David een schat bezat waarvoor hij de voortreffelijke kunstenaar niet dankbaar genoeg kon zijn. Hij zou niet verzuimen de verzameling aan bezoekers te laten zien en zich mondeling over enkele hem nog onbekende personen te laten inlichten.
In de kist waren ook boeken meegestuurd, die hij naar de voorkamers liet brengen. We begaven ons daarheen en gingen aan de tafel zitten. We waren vrolijk en spraken over werk en allerlei goede voornemens. 'Het is niet goed dat de mens alleen is,' zei Goethe, 'en vooral niet dat hij alleen werkt. Hij heeft juist belangstelling en stimulans nodig als hij iets goeds wil maken. Ik heb aan Schiller de Achilleis en veel van mijn Balladen te danken, waartoe hij me heeft aangezet. En u kunt het aan uzelf toeschrijven wanneer ik het tweede deel van Faust afrond. Ik heb het u al vaak gezegd, maar ik wil het herhalen opdat u het weet.'
Ik was verheugd over deze woorden en had het gevoel dat er toch wel veel waars in stak.
Bij het dessert opende Goethe een van de pakketten. Het waren de gedichten van Emile Deschamps, begeleid door een brief die Goethe me te lezen gaf. Daarin zag ik tot mijn vreugde welke invloed op het nieuwe leven in de Franse literatuur aan Goethe werd toegeschreven en hoezeer de jonge dichters hem als hun geestelijk opperhoofd vereren en liefhebben. Zo was in Goethe's jeugd Shakespeare van invloed geweest. Van Voltaire kun je niet zeggen dat hij op jonge poëten in het buitenland zo'n belangrijke invloed had dat ze zich in zijn geest verenigden en hem als hun heer en meester beschouwden. De brief van Emile Deschamps was met veel sympathieke en hartelijke oprechtheid geschreven. 'Je werpt een blik op de lente van een mooi karakter,' zei Goethe.
Verder bevond zich onder de zending van David een blad met de hoed van Napoleon in allerlei verschillende posities. 'Dat is iets voor mijn zoon,' zei Goethe, en liet het blad meteen naar boven brengen. Het miste zijn uitwerking niet, want de jonge Goethe kwam direct naar beneden en verklaarde deze hoeden van zijn held vol vreugde tot het non plus ultra van zijn verzameling. Binnen vijf minuten bevond het blad zich ingeraamd en onder glas op zijn plaats tussen de overige attributen en herinneringsstukken van de held.
zondag 5 maart 2017
Thomas Mann -- 6 maart 1951
• Thomas Mann (1875-1955) was een Duitse schrijver. Hij hield zijn leven lang een dagboek bij. Gedeeltes daaruit zijn in het Nederlands vertaald (door Paul Beers) in Roem en verliefdheid. Dagboeken 1949-1955.
Pacific Palisades, dinsdag 6 maart 1951
Regen. – Sinds weken volledig en ongewoon falen van de gesl. potentie. Meest drastische (en bedroevendste? De duivel hale me!) uiting van het sinds de Europareis merkbare plotseling ouder zijn geworden. Daar ik het afwijs zonder volledige erectie te masturberen, lijkt het einde van mijn fysieke seksuele leven gekomen. In de halfslaap droomde ik dat ik van Franzl W., de laatst-geliefde, als van de representant van heel de aanbeden soort, met een kus afscheid nam. Na een blik in zijn bruine ogen die hij kon laten smelten. Overigens had hij het te dikke hoofd van het ras uit Oberbayern. Of de werkelijkheid mij ooit goed genoeg had gevonden, is een vraag op zich. - Senaat stemt voor het onder de wapenen roepen van de 18-jarigen. – Ministers-conferentie in Parijs met Russische voorstellen die de Fransen hoopvol vinden, en die ‘ons’ zeer doen schrikken. We zullen alles doen om succes te verhinderen, en moeite hebben onze verantwoordelijkheid voor het mislukken te versluieren. – Gewerkt. Gelopen tot het Oude huis. ’s Middags door hartkloppingen gestoord. Dicteerde Mrs. Kahn enkele brieven en gaf haar het roman-manuscript om over te schrijven. Telefoon van Bermann uit New York. - Erika heeft helaas over verergering van haar kwaal te klagen. Nieuwe vitamine ’s morgens, tamelijk vervelend.
Pacific Palisades, dinsdag 6 maart 1951
Regen. – Sinds weken volledig en ongewoon falen van de gesl. potentie. Meest drastische (en bedroevendste? De duivel hale me!) uiting van het sinds de Europareis merkbare plotseling ouder zijn geworden. Daar ik het afwijs zonder volledige erectie te masturberen, lijkt het einde van mijn fysieke seksuele leven gekomen. In de halfslaap droomde ik dat ik van Franzl W., de laatst-geliefde, als van de representant van heel de aanbeden soort, met een kus afscheid nam. Na een blik in zijn bruine ogen die hij kon laten smelten. Overigens had hij het te dikke hoofd van het ras uit Oberbayern. Of de werkelijkheid mij ooit goed genoeg had gevonden, is een vraag op zich. - Senaat stemt voor het onder de wapenen roepen van de 18-jarigen. – Ministers-conferentie in Parijs met Russische voorstellen die de Fransen hoopvol vinden, en die ‘ons’ zeer doen schrikken. We zullen alles doen om succes te verhinderen, en moeite hebben onze verantwoordelijkheid voor het mislukken te versluieren. – Gewerkt. Gelopen tot het Oude huis. ’s Middags door hartkloppingen gestoord. Dicteerde Mrs. Kahn enkele brieven en gaf haar het roman-manuscript om over te schrijven. Telefoon van Bermann uit New York. - Erika heeft helaas over verergering van haar kwaal te klagen. Nieuwe vitamine ’s morgens, tamelijk vervelend.
Andrej Koerkov -- 5 maart 2014
• In Dagboek Majdan geeft Andrej Koerkov (Leningrad, 1961) een inkijkje in zijn dagelijks leven als schrijver tijdens ‘Euromajdan’ – de protesten die eind 2013 uitbraken toen bekend werd dat Oekraïne het associatieverdrag met deEU niet zou ondertekenen. Oekraïners trokken massaal naar het Onafhankelijkheidsplein (de Majdan) in hartje Kiev om maandenlang te demonstreren.
5 maart
Gisteren zei iemand dat de verkopers van kaarsen en bloemen de enigen zijn die baat hebben gehad bij de Oekraïense revolutie. Majdan en de Instituutstraat staan vol met muren van boeketten ter herinnering aan de gesneuvelden. In iedere kerk branden honderd keer zo veel kaarsjes als normaal. Zodat God alles ziet wat er in Oekraïne gebeurt.
Kun je van haat lijm koken, zodat land en natie niet nog verder scheuren?! Waarschijnlijk niet. De tweede ochtend zonder oorlog. Maar ook zonder vrede. De wereld staat om Oekraïne heen, als om een ziek kind. Ze proberen het te redden en op te peppen. Het aantal kankercellen is echter kritiek. Maar voorlopig nog niet dodelijk, goddank.
6 maart
Weer een ochtend zonder oorlog. Eng om te bedenken dat die woorden morgen of overmorgen hun betekenis kunnen verliezen. Maar vandaag is het rustig in Kiev. Iedereen haast zich om zijn eigen dingen te doen. Automobilisten zijn veel beleefder tegen elkaar. Vroeger waren ze ook al niet agressief, maar nu voel je die beleefdheid nog meer. Als ik de kinderen naar school breng, laat ook ik telkens auto's voorgaan die uit een klein zijstraatje komen, of die keren waar het niet mag. Wat stelt het overtreden van de verkeersregels nu voor als de regels van het normale leven voortdurend worden overtreden?!
De kinderen gaan nu met meer plezier naar school. Ze hebben nu iets om met hun klasgenootjes over te praten. Ze volgen het nieuws beter en vertellen elkaar enthousiast over hoe de Oekraïense officier Joeri Mamtsjoer met zijn soldaten, allemaal ongewapend, het door Russische troepen bezette terrein van het Oekraïense vliegveld Belbek opliep, ondanks waarschuwingsschoten van de Russische troepen. Ze vertellen hoe de kapitein van de Oekraïense oorlogsbodem Ternopil op de eis van een Russische admiraal tot capitulatie antwoordde met: 'Russen capituleren niet' en aan de Russische admiraal uitlegde dat hij, kapitein Jemeljantjsenko, een etnische Rus was en dat de helft van de bemanning van het schip ook uit etnische Russen bestond. De admiraal vertrok met lege handen.
Ik ben ook een Rus. Een etnische Rus die al sinds zijn jeugd in Kiev woont. Volgens verschillende gegevens wonen er in Oekraïne tussen de 8 tot 14 miljoen etnische Russen, en het woord 'Rus' lokt bij etnische Oekraïners geen agressie uit of een naargeestige twinkeling in de ogen. Mijn grootvader kwam als eerste op Oekraïense bodem aan, in 1943. Hij sneuvelde in de strijd voor de bevrijding van Charkiv en ligt begraven in een massagraf bij het treinstation van Valky, niet ver van de stad. Hij is gevallen in de strijd tegen de fascisten, en nu hoor ik het woord 'fascist' in woord of geschrift tot mij gericht, omdat ik me uitspreek tegen de bezetting van Oekraïne door Poetins leger, omdat ik me uitsprak en uitspreek tegen de totale corruptie die de voortvluchtige president Janoekovytsj en zijn clan organiseerde, omdat ik wil dat het recht zegeviert in het land waar ik woon. Nee, ik ben geen politieke figuur, ik sprak me nooit uit voor een of andere politieke partij en ben ook niet plan dat te gaan doen. Ik ben gewoon een burger van mijn land.
5 maart
Gisteren zei iemand dat de verkopers van kaarsen en bloemen de enigen zijn die baat hebben gehad bij de Oekraïense revolutie. Majdan en de Instituutstraat staan vol met muren van boeketten ter herinnering aan de gesneuvelden. In iedere kerk branden honderd keer zo veel kaarsjes als normaal. Zodat God alles ziet wat er in Oekraïne gebeurt.
Kun je van haat lijm koken, zodat land en natie niet nog verder scheuren?! Waarschijnlijk niet. De tweede ochtend zonder oorlog. Maar ook zonder vrede. De wereld staat om Oekraïne heen, als om een ziek kind. Ze proberen het te redden en op te peppen. Het aantal kankercellen is echter kritiek. Maar voorlopig nog niet dodelijk, goddank.
6 maart
Weer een ochtend zonder oorlog. Eng om te bedenken dat die woorden morgen of overmorgen hun betekenis kunnen verliezen. Maar vandaag is het rustig in Kiev. Iedereen haast zich om zijn eigen dingen te doen. Automobilisten zijn veel beleefder tegen elkaar. Vroeger waren ze ook al niet agressief, maar nu voel je die beleefdheid nog meer. Als ik de kinderen naar school breng, laat ook ik telkens auto's voorgaan die uit een klein zijstraatje komen, of die keren waar het niet mag. Wat stelt het overtreden van de verkeersregels nu voor als de regels van het normale leven voortdurend worden overtreden?!
De kinderen gaan nu met meer plezier naar school. Ze hebben nu iets om met hun klasgenootjes over te praten. Ze volgen het nieuws beter en vertellen elkaar enthousiast over hoe de Oekraïense officier Joeri Mamtsjoer met zijn soldaten, allemaal ongewapend, het door Russische troepen bezette terrein van het Oekraïense vliegveld Belbek opliep, ondanks waarschuwingsschoten van de Russische troepen. Ze vertellen hoe de kapitein van de Oekraïense oorlogsbodem Ternopil op de eis van een Russische admiraal tot capitulatie antwoordde met: 'Russen capituleren niet' en aan de Russische admiraal uitlegde dat hij, kapitein Jemeljantjsenko, een etnische Rus was en dat de helft van de bemanning van het schip ook uit etnische Russen bestond. De admiraal vertrok met lege handen.
Ik ben ook een Rus. Een etnische Rus die al sinds zijn jeugd in Kiev woont. Volgens verschillende gegevens wonen er in Oekraïne tussen de 8 tot 14 miljoen etnische Russen, en het woord 'Rus' lokt bij etnische Oekraïners geen agressie uit of een naargeestige twinkeling in de ogen. Mijn grootvader kwam als eerste op Oekraïense bodem aan, in 1943. Hij sneuvelde in de strijd voor de bevrijding van Charkiv en ligt begraven in een massagraf bij het treinstation van Valky, niet ver van de stad. Hij is gevallen in de strijd tegen de fascisten, en nu hoor ik het woord 'fascist' in woord of geschrift tot mij gericht, omdat ik me uitspreek tegen de bezetting van Oekraïne door Poetins leger, omdat ik me uitsprak en uitspreek tegen de totale corruptie die de voortvluchtige president Janoekovytsj en zijn clan organiseerde, omdat ik wil dat het recht zegeviert in het land waar ik woon. Nee, ik ben geen politieke figuur, ik sprak me nooit uit voor een of andere politieke partij en ben ook niet plan dat te gaan doen. Ik ben gewoon een burger van mijn land.
zaterdag 4 maart 2017
Maarten 't Hart -- 4 maart 1999
• Maarten 't Hart (1944) is een Nederlandse schrijver. In de Privé Domein-reeks publiceerde hij Een deerne in lokkend postuur. Persoonlijke kroniek 1999.
4 maart. Uitnodigingen – Vanmorgen bij de post vier uitnodigingen. Een brief van de vereniging Santpoorts Belang. Of ik op een donderdagavond in november een lezing wil geven in het Brederode Huys. Een brief van professor Koerselman, verbonden aan het Academisch Ziekenhuis te Utrecht, divisie Psychiatrie. Of ik op 25 juni bij het Artis-symposium het thema ‘Haat’ wil belichten vanuit mijn ‘eigen optiek’. ‘Daarbij,’ schrijft professor Koerselman, ‘hebben we natuurlijk uw achtergrond als bioloog in gedachten, maar ook uw persoonlijke visie en ervaring.’ Een brief van boekhandel De Kler in Leiden. Of ik op 10 maart, samen met Martin Ros en Rudy van der Paardt, mee wil doen aan een avond over ‘tien favoriete boeken’. ‘U zou als derde gast,’ schrijft bedrijfsleider Kees Schafrat, ‘wat meer “low profile” kunnen participeren.’ Een brief van de 37ste-lustrumcommissie van sociëteit Minerva. Ze willen een tentoonstelling inrichten over het onderwerp Maskerades. ‘Bij een tentoonstelling hoort uiteraard een catalogus,’ schrijft de commissie. Of ik daaraan een literair gedeelte wil bijdragen. ‘Gezien uw talent als schrijver en uw kennis van geschiedenis en Leiden dachten wij direct aan u. U heeft alle vrijheid de inhoud van het verhaal naar eigen inzicht in te vullen. De enige beperking is dat uw bijdrage niet meer dan 20 pagina’s (A4) mag beslaan.’ Verderop zegt de commissie nog: ‘Zoals u zult begrijpen hebben wij weinig geld te bieden. Wij zijn dan ook niet in staat u een hoge vergoeding te geven.’ Tot slot de mededeling: ‘het is van belang dat medio april uw verhaal bij ons binnen is’.
Ach, het gaat hier slechts om 20 pagina’s a4. Wie ben ik om voor zo’n futiele bijdrage enig geld te verwachten. Twintig pagina’s, dat schud ik toch zo uit mijn mouw?
Amper heb ik deze brieven bestudeerd, of de faxen komen zachtjes zoemend uit mijn Brother 570. Een fax van TV Rijnmond. Willen een special maken over het Bibliotheektheater te Rotterdam. Of ze mij zaterdagmorgen 6 maart een ontbijtinterview mogen afnemen in Hotel New York. Een fax van de Katholieke Universiteit Nijmegen. Of ik in mei een college wil verzorgen over het schrijven van essays. Een fax van het programma Het Lagerhuis. Of ik a.s zaterdag daarbij juryvoorzitter wil zijn.
Terwijl ik de faxen nog bestudeer wordt er gebeld. Aan de deur een medewerkster van het psychogeriatrisch centrum Mariënhaven. Uit een koffertje haalt ze de Mariënbode. Of ik daarin een column wil schrijven. Slechts één A4-tje. Aangezien die medewerkster niet alleen Janny heet, maar mij ook sterk aan Janny Dienske doet denken, zeg ik dadelijk toe. (Onder haar eigen voornaam komt Janny Dienske voor in Het woeden der gehele wereld.)
Telefoon. Een redacteur van de NRC. Of ik, in verband met het feit dat binnenkort de film Een vlucht regenwulpen zal worden uitgezonden, op de televisiepagina een stukje wil schrijven over mijn visie op de verfilming van mijn boek.
Nog een telefoon. Een dame die mij een stukje wil ontfutselen voor een tuinblad. Hoe heviger ik tegenstribbel, hoe vasthoudender ze wordt. De enige manier om van haar af te komen is zeggen: belt u volgende maand nog maar eens.
Nog een telefoon. Een redacteur van de Havenkoerier die een interview wil maken over De vlieger.
Ondertussen staan de bok Jozef en het geitje Anna buiten hevig te mekkeren omdat het geleidelijk aan steeds harder begint te regenen. Ze willen dat ik ze naar hun doorzonstalletje terugbreng. Kon ik ze maar opleiden om adequaat op al deze uitnodigingen te reageren. Natuurlijk, het is vererend dat je voor al deze dingen gevraagd wordt, maar toch heeft dit bombardement iets beklemmends. Vooral ook omdat het maar doorgaat, dag in, dag uit. Nu is dit wel uitzonderlijk, maar op twee à drie van dit soort uitnodigingen moet je elke dag wel reageren. Overigens zijn er meestal ook brieven bij van scholieren die een scriptie schrijven en mij twintig vragen voorleggen. ‘Wat was uw bedoeling toen u uw roman Het woeden der gehele aarde schreef.’ Toen ik zulke brieven nog beantwoordde, schreef ik terug: ‘Mijn bedoeling was een roman te schrijven.’
In zulke scholierenbrieven staat ook altijd de mededeling: ‘Graag de antwoorden voor volgende week maandag, want woensdag moet ik m’n scriptie inleveren.’
Overigens ligt er ook nog een brief van de VARA waarop ik nog niet gereageerd heb. Of ik hoofdpersoon wil zijn in een aflevering van De show van je leven. Ik met Astrid Joosten? Ik word bijna onpasselijk bij de gedachte daaraan.
Vanavond een man en een vrouw aan de deur. Broer en zus. Hun vader was overleden. Het laatste boek dat hij op zijn sterfbed had gelezen was Het woeden der gehele wereld. Dat had hem nog opgemonterd. Daarom vonden broer en zus dat ze mij namens hem alle orgelplaten uit zijn lp-verzameling moesten aanbieden. Een reusachtige stapel platen werd vervolgens het huis ingedragen, waaronder J. S. Bach, L’Oeuvre pour Orgue, Marie Claire Alain. Vijfentwintig langspeelplaten.
4 maart. Uitnodigingen – Vanmorgen bij de post vier uitnodigingen. Een brief van de vereniging Santpoorts Belang. Of ik op een donderdagavond in november een lezing wil geven in het Brederode Huys. Een brief van professor Koerselman, verbonden aan het Academisch Ziekenhuis te Utrecht, divisie Psychiatrie. Of ik op 25 juni bij het Artis-symposium het thema ‘Haat’ wil belichten vanuit mijn ‘eigen optiek’. ‘Daarbij,’ schrijft professor Koerselman, ‘hebben we natuurlijk uw achtergrond als bioloog in gedachten, maar ook uw persoonlijke visie en ervaring.’ Een brief van boekhandel De Kler in Leiden. Of ik op 10 maart, samen met Martin Ros en Rudy van der Paardt, mee wil doen aan een avond over ‘tien favoriete boeken’. ‘U zou als derde gast,’ schrijft bedrijfsleider Kees Schafrat, ‘wat meer “low profile” kunnen participeren.’ Een brief van de 37ste-lustrumcommissie van sociëteit Minerva. Ze willen een tentoonstelling inrichten over het onderwerp Maskerades. ‘Bij een tentoonstelling hoort uiteraard een catalogus,’ schrijft de commissie. Of ik daaraan een literair gedeelte wil bijdragen. ‘Gezien uw talent als schrijver en uw kennis van geschiedenis en Leiden dachten wij direct aan u. U heeft alle vrijheid de inhoud van het verhaal naar eigen inzicht in te vullen. De enige beperking is dat uw bijdrage niet meer dan 20 pagina’s (A4) mag beslaan.’ Verderop zegt de commissie nog: ‘Zoals u zult begrijpen hebben wij weinig geld te bieden. Wij zijn dan ook niet in staat u een hoge vergoeding te geven.’ Tot slot de mededeling: ‘het is van belang dat medio april uw verhaal bij ons binnen is’.
Ach, het gaat hier slechts om 20 pagina’s a4. Wie ben ik om voor zo’n futiele bijdrage enig geld te verwachten. Twintig pagina’s, dat schud ik toch zo uit mijn mouw?
Amper heb ik deze brieven bestudeerd, of de faxen komen zachtjes zoemend uit mijn Brother 570. Een fax van TV Rijnmond. Willen een special maken over het Bibliotheektheater te Rotterdam. Of ze mij zaterdagmorgen 6 maart een ontbijtinterview mogen afnemen in Hotel New York. Een fax van de Katholieke Universiteit Nijmegen. Of ik in mei een college wil verzorgen over het schrijven van essays. Een fax van het programma Het Lagerhuis. Of ik a.s zaterdag daarbij juryvoorzitter wil zijn.
Terwijl ik de faxen nog bestudeer wordt er gebeld. Aan de deur een medewerkster van het psychogeriatrisch centrum Mariënhaven. Uit een koffertje haalt ze de Mariënbode. Of ik daarin een column wil schrijven. Slechts één A4-tje. Aangezien die medewerkster niet alleen Janny heet, maar mij ook sterk aan Janny Dienske doet denken, zeg ik dadelijk toe. (Onder haar eigen voornaam komt Janny Dienske voor in Het woeden der gehele wereld.)
Telefoon. Een redacteur van de NRC. Of ik, in verband met het feit dat binnenkort de film Een vlucht regenwulpen zal worden uitgezonden, op de televisiepagina een stukje wil schrijven over mijn visie op de verfilming van mijn boek.
Nog een telefoon. Een dame die mij een stukje wil ontfutselen voor een tuinblad. Hoe heviger ik tegenstribbel, hoe vasthoudender ze wordt. De enige manier om van haar af te komen is zeggen: belt u volgende maand nog maar eens.
Nog een telefoon. Een redacteur van de Havenkoerier die een interview wil maken over De vlieger.
Ondertussen staan de bok Jozef en het geitje Anna buiten hevig te mekkeren omdat het geleidelijk aan steeds harder begint te regenen. Ze willen dat ik ze naar hun doorzonstalletje terugbreng. Kon ik ze maar opleiden om adequaat op al deze uitnodigingen te reageren. Natuurlijk, het is vererend dat je voor al deze dingen gevraagd wordt, maar toch heeft dit bombardement iets beklemmends. Vooral ook omdat het maar doorgaat, dag in, dag uit. Nu is dit wel uitzonderlijk, maar op twee à drie van dit soort uitnodigingen moet je elke dag wel reageren. Overigens zijn er meestal ook brieven bij van scholieren die een scriptie schrijven en mij twintig vragen voorleggen. ‘Wat was uw bedoeling toen u uw roman Het woeden der gehele aarde schreef.’ Toen ik zulke brieven nog beantwoordde, schreef ik terug: ‘Mijn bedoeling was een roman te schrijven.’
In zulke scholierenbrieven staat ook altijd de mededeling: ‘Graag de antwoorden voor volgende week maandag, want woensdag moet ik m’n scriptie inleveren.’
Overigens ligt er ook nog een brief van de VARA waarop ik nog niet gereageerd heb. Of ik hoofdpersoon wil zijn in een aflevering van De show van je leven. Ik met Astrid Joosten? Ik word bijna onpasselijk bij de gedachte daaraan.
Vanavond een man en een vrouw aan de deur. Broer en zus. Hun vader was overleden. Het laatste boek dat hij op zijn sterfbed had gelezen was Het woeden der gehele wereld. Dat had hem nog opgemonterd. Daarom vonden broer en zus dat ze mij namens hem alle orgelplaten uit zijn lp-verzameling moesten aanbieden. Een reusachtige stapel platen werd vervolgens het huis ingedragen, waaronder J. S. Bach, L’Oeuvre pour Orgue, Marie Claire Alain. Vijfentwintig langspeelplaten.
Abonneren op:
Posts (Atom)







