maandag 25 april 2016

Doeschka Meijsing -- 26 april 1975

Doeschka Meijsing (1947-2012) was een Nederlandse schrijfster. Deel 1 van haar dagboeken is onlangs verschenen in de Privé Domein-reeks, onder de titel En liefde in mindere mate.

Badhoevedorp, zaterdag 26 april 1975
Ik kan heel weinig. Een nieuwe lente, een nieuw geluid. Welja! Maar ik kan niet schrijven, geen letter krijg ik op papier. Ik kan niet neuken zoals blijkbaar de hele wereld het gewoon vindt (ik zal wel bang zijn voor seks, dat ik het alleen maar wil doen onder de vlag van 'liefde', liefde, jawel!). En ik kan niet in een gezin wonen. Marleen is een alleraardigst kind, maar waar komt dan die ergernis vandaan, dat warme hoofd dat ik krijg, die opgekropte woede? Waarom ben ik zo lelijk vanbinnen, zo haatdragend, zo alleen? Ik heb Gerda lief, god ja, zoveel, zoveel, en ik maak alles kapot door mijn zuurheid. Bij het minste geringste ben ik gekwetst, ben ik woedend, sla ik dicht met een warm hoofd. Lieve heer, ik heb geen kinderen gewild en moet mijn leven met een kind doorbrengen dat puber worden zal met alle moeilijkheden van dien, een kind dat heel aardig is maar waar ik niet mee kan leven. Wat is er toch gebeurd, vroeger, dat ik blijkbaar geen liefde geven kan? Als ik vrolijk ben, ben ik een kind, als ik treurig ben een monster.
En ik ben natuurlijk alleen, in dit huis waar niets van mij is behalve mijn liefde, die ik niet kan hanteren. De kasten, de bedden, de ramen en d deuren zijn niet van mij, hebben niets met mij te maken. de vraag is of dat in Langbroek anders zal zijn.
Ik ben heel anders dan ik vroeger dacht, ik ben veel bozer. Toen ik alleen was, kwamen alle gebreken nauwelijks boven. Mijn eiland waar ik niet over schrijven kan, mijn naamloos Antiterra. Mijn dromen, mijn kamer op de Plantage waar ik nauwelijks over te denken durf. Mijn huilen, dat hier stiekem moet. Is trouwen langzaam sterven?
Ik dacht een roman over mijn jeugd te schrijven, over Robinson, maar hij werd slecht en Gerda zei dat het slecht was en als zij het niet gezegd had was het nog slecht geweest, maar hoewel ik dat weet, geef ik Gerda de schuld.
Ik ben zo alleen. Geen thuis meer in Haarlem. Geen eiland meer op de Plantage. Alleen een dorp. Badhoevedorp of Langbroek, dat me niets zegt, waar ik nooit van gedroomd heb zoals van Amsterdam.
Daarbij houd ik zoveel van Gerda. Stel dat zij niet meer van me gaat houden; omdat ze mijn fouten ziet of omdat ik onmogelijk ben om mee samen te leven. Ik weet dat zij niet zo zal denken, dat liefde meer moet zijn. Maar ben ik wel geschikt om mee te leven? Ik ben niet volgroeid. Ik ben het kind gebleven dat door zijn moeder gekwetst is toen het heel klein was en daarna in dat opzicht nooit meer gegroeid is. Robinson, stil zijn en tegen de dingen aankijken. Geen betrokkenheid dan die van observeerder. Maar ik kan er niet over schrijven. Bovendien bestaat er al een Anton Wachter.
Lieve God, waar is alles gebleven? Heel stil zijn en kijken, het is niet eens mogelijk als je in een gezin leeft en zeventien uur Nederlandse les geeft. Ik kan dat schrijven wel vergeten. Maar waarom moet ik zo huilen? Robinson. Ik ben een kind, ben een kind, ben een kind.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen