zondag 19 april 2026

Soetan Sjahrir • 20 april 1937

• Soetan Sjahrir (1909-1966), was een Indonesisch politicus en de eerste premier van dat land. Hij speelde een grote rol in de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. In 1934 werd hij gerarresteerd. Hij doet verslag van zijn gevangenschap en verbanning in een dagboek, dat is gepubliceerd als Indonesische overpeinzingen.

20 April 1934. - Vandaag aan mijn broer in Holland geschreven, dat hij daar als het enigszins kan, maar liever voorlopig moet blijven, zelfs al zijn zijn inkomsten nu feitelijk onvoldoende. Het voornaamste is, dat hij er de gelegenheid heeft zich de westerse wetenschap in het land zelf eigen te maken. In drie maanden tijds kan hij er méér van de Europese samenleving leren begrijpen dan uit alle schoolboekjes, die je hier in de loop van een tiental jaren moet verwerken, — tenminste, als hij zijn ogen goed gebruikt en zijn hart wijd open houdt. Vooral dit laatste is een voorwaarde, want velen van ons komen in Europa met de vaste wil om alles wat westers is te veroordelen en dat gelukt hun meestal heel gemakkelijk. Kort geleden sprak ik nog iemand, een Mr in de Rechten, die het had klaargespeeld om in de ruim vier jaren studietijd, die hij in Holland had doorgebracht, zijn vooroordelen, zijn antipathie, ja, zijn fanatieke haat tegen alles wat westers en Europees is, nog te versterken. Deze houding is betreurenswaardig, want alleen in verband met de samenleving, die haar voortgebracht en gevoed heeft, is het mogelijk de zin van de westerse wetenschap te begrijpen. Dan leert men dat streng gedisciplineerde denken, het rationalisme, zien als een noodzakelijk iets om de veel ingewikkelder en aan verscheidenheid rijker samenleving te ontwarren en in stand te houden. Toen ik voor het eerst in Londen was, voelde ik mij bijna als een kannibaal. Wat een tempo, wat een techniek, wat een menselijk kunnen! In één ogenblik word je daar de zin van de wetenschap duidelijk: dit alles is zonder wetenschap eenvoudig niet denkbaar. Daarom geloof ik, dat het ontbreken van wetenschappelijk leven en werkelijke wetenschappelijke interesse bij onze intellectuelen hier in Indonesia niet in de eerste plaats is te wijten aan gemis aan capaciteit, gebrek aan karakter of morele lacunes, maar meer aan het nog niet in voldoende mate aanwezig zijn van de nodige prikkels in onze voorlopig nog zoveel eenvoudiger maatschappij. Voor de meeste van onze ‘titelhouders’ - ik gebruik dit woord in plaats van ‘intellectuelen’, omdat hier immers het criterium niet zozeer is het intellectuele leven als wel de schoolopleiding - blijft het begrip wetenschap een pak, geen innerlijke verworvenheid. Voor hen blijft de wetenschap een dood ding, niet een levend, zich ontwikkelend wezen, dat voortdurend gevoed en onderhouden moet worden. Het is niet hun schuld, vooral niet, wanneer zij niet de gelegenheid hebben gehad kennis met die wetenschap te maken, als levend begrip, in Europa zelf. Overigens weet ik bij ondervinding, dat goed studeren voor ons in Holland niet zo gemakkelijk is. Klimaat en samenleving daar kunnen zeer enerverend op ons werken. Het leven achter muren in bedompte kamers, het rusteloze in de samenleving, alles werkt extra op ons in. Er zijn talentvolle jongelui onder de Indonesische studenten geweest, die mislukt zijn alleen, omdat ze daartegen niet opgewassen waren, die in rusteloosheid al hun energie verspilden en zelfs hun lichaam daardoor te gronde richtten. Ik heb mijn broer hierop gewezen en hem gezegd, dat op een goede manier studeren tegelijk karaktervormend is: er is zelfbeperking, zelfdiscipline voor nodig. Verder heb ik hem aangeraden aandacht te wijden aan het culturele leven in Europa, vooral aan de literatuur. Behalve een betere kijk op het leven en de gedachtenwereld van den westersen mens zal het hem ook de ogen openen voor de levensproblemen die er daar bestaan, voor de veelvormigheid en ingewikkeldheid van het leven daar. Ook sociale en politieke problemen zal hij er op een gemakkelijker en interessanter manier door leren kennen. Tegelijk heb ik M. geschreven hem zoveel mogelijk daarbij te helpen. Dat hij zulke leiding nog nodig heeft is niets bijzonders: onze zogenaamde intellectuelen zijn op dit gebied over het algemeen nog analphabeten! Men leest niet, buiten zijn vakliteratuur en zijn krant en soms nog wat ontspanningslectuur. In de gehele boekerij van Hafil bijvoorbeeld is maar één roman aanwezig, waarover hij zich nota bene verontschuldigde met de opmerking, dat hij die cadeau gekregen had. En Hafil behoort toch zonder twijfel tot de spits van onze Europees-gevormde intellectuelen. Hiermee is feitelijk ook al alles gezegd over de stand van onze eigen literatuur. Er zijn zelfs nog geen intellectuelen in dit land, die schrijven. Er is geen literatuur, noch in het Maleis, noch in een van de vele andere talen die er zijn. Er wordt natuurlijk wel geschreven, en niet weinig zelfs. Er is een Instituut voor Volkslectuur, het geeft boekjes uit voor de massa, meestal vertalingen, ook wel oorspronkelijke geschriften, maar literatuur is dat nog niet. Wij zijn pas zo ver, dat men verhalen schrijft. Men is hier - de weinige uitzonderingen natuurlijk niet te na gesproken - totaal onbekend met het bestaan van een Europese, van een wereldliteratuur en men bestudeert ze dus ook niet. Vandaar dat bijvoorbeeld de pogingen van een paar jonge nationalisten om de schone letteren te bedrijven, al worden zij als renaissance aangekondigd, op het ogenblik nog niet de aandacht waard blijken. Het peil is er nog te laag voor; er is zelfs geen gedachte, geen vorm, geen klank, en wat het ergste is: niet genoeg ernst en eerlijkheid. Er is alleen nog onsmakelijk maakwerk, dat met veel reclame wordt aangekondigd. En zonder romanliteratuur ook geen bekentenissen van levensvraagstukken en daardoor ook weer gebrek aan levenskennis bij ons. Een H.B.S.-abituriënt, een jongen van misschien 17, 18 jaar in Europa, weet soms meer van het leven dan onze intellectuelen, studenten of afgestudeerden!

Geen opmerkingen:

Een reactie posten