woensdag 19 oktober 2016

Alice Ehrmann -- 20 oktober 1944

Alice Ehrmann (1927-?) was een Joods meisje in het ghetto van Theresienstadt. Haar dagboek uit die tijd is bewaard gebleven.

18 oktober 1944
Transport. Treinwagons om negen uur 's avonds; vertrek om twee uur 's nachts. De laatste: een zeventienjarige doofstomme jongen. Zestienhonderd zieken, degenen die niet kunnen lopen. De keten verbroken: ongeveer twee wagonladingen bagage bleven achter. Het eerste transport waarbij [Rudolf] Haindl [plaatsvervangend kampcommandant] geen oorvegen uitdeelde.

20 oktober 1944
Orders. De laatste sectiehoofden (Elbert, Klapp, Gonda Redlich), 80 procent van de artsen, volslagen invaliden, dodelijke tuberculose, dodelijk zieke kinderen zonder ouders; de moeders van dodelijk zieke kinderen achtergebleven. Het is te erg om nog ongelukkig te zijn. Vader twee weken geleden (ongeveer) uit het [Kleine] Fort vertrokken; bestemming onbekend. Moeder zonder geregelde levenstekens - wasgoed - is ze ook niet in staat redelijk te denken, zoals wij? Of heeft haar lijdensproces zich anders ontwikkeld? Wie weet... Alleen, dat ik in deze verdomde muizenval — tachtig kilometer ver (in Midden-Europa) haar zelfs niet kan zeggen dat dit nog niet het einde is. Ik ben in al mijn ergernissen zo enorm evenwichtig, in een merkwaardige vooruitblik over dit alles heen, zelfs voel ik me gerechtigd te zeggen, over mijn dood heen. [...]
Ik volg een pad dat nu al niet te onderbreken is. Ik volg het pad van de verlossing. Ik heb het begrepen, en als ik morgen sterf, was mijn leven het leven van iemand die het begrepen heeft, zoals wanneer ik over zestig jaar zou sterven. Vandaag besef ik dat. Dit is hoe het is. En wanneer de gola me alles afneemt - en het zo moet zijn -, wanneer mijn ouders me op de afschuwelijkste manier worden afgenomen en mijn vrienden elkaar in de wereld kwijtraken, wanneer mijn huis is verwoest en het huis van mijn geboorte en jeugd in puin ligt en ik onder onbekenden moet zwerven met mijn kennis, wanneer het laatste boek in het vuur is verbrand en het laatste beeld dat is getekend, voor mijn ogen verdwijnt en er voor mij niets, niets op deze aarde overblijft, dan heb ik mijn duizendjarige zwerftocht afgelegd, het uur zal het uur van de Messias zijn - dan zal ik het land in gaan en zal ik kinderen ter wereld brengen. En een leven opbouwen, een leven, leven. Jij alleen weet dat ik rustig ben, dat ik rustig door mijn dagen ga, door ons lijden om te worden verlost. Om mezelf te verlossen. Plotseling heeft elk gebed, elke psalm, elk lied over Erets [Jisraël]zin. [...]

22 oktober 1944
De sluis (verzamelplaats voor te deporteren bewoners]: drommen kinderen van zes of zeven jaar alleen op transport. Zieke kinderen. Professor Lieben met open tuberculose. Hans Steckelmacher: volledig verlamd; enteritis. Geen geüniformeerden. Het is te troosteloos. Ik verlang naar je, en je wordt langzaam te onbereikbaar, je huidige bestaan te onbekend. Ik begin te knagen aan de zekerheid van onze hereniging. Ik doorsta verschrikkelijke angsten om jou. Alsjeblieft, blijf gezond. In deze apocalyps van de sluis verdwijnt voor mij elk geloof aan enige zin.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten