woensdag 2 maart 2016

H.P. Berlage - 2 maart 1923

H.P.Berlage (1856-1934) was een architect en stedebouwkundige. In 1923 maakte hij een reis naar Nederlands Indië, waarvan hij een dagboek bijhield: Mijn Indische reis. Gedachten over cultuur en kunst.

2 MAART
Het weer is zonnig en warm als op een mooien zomerdag in het Noorden, en de zee begint haar kleurige bewegelijkheid te openbaren. Zij is 's morgens blauw en 's middags groen, terwijl zij haar 'andere' bewegelijkheid niet doet gevoelen. Toch trachtte ik haar eindelooze bekoring te overwinnen en het werkprogram te verwezenlijken, 's Morgens 'doe ik wat' aan Hindoe-Javaansche kunst, waarvoor ik een paar studieboekjes heb meegenomen, en ook wat aan het Maleisch, bij een vriendelijk passagier, die zich onbaatzuchtig daarvoor als leermeester had aangemeld. Maar ik bemerk al heel gauw het daarin niet ver te zullen brengen, zelfs niet met behulp van het bekende bruine boekje. Mijn zelfkennis, althans wat dat betreft, had mij dit trouwens reeds doen vermoeden; want met een slecht geheugen is ook het aanleeren van een vrijwel regellooze taal nog bezwaarlijk.

We waren gisteren avond de Stromboli gepasseerd, die ternauwernood zijn vurig karakter vertoonde; terwijl de opkomende maan ons voorbereidde op het verrukkelijke droomspel van een vaart door de straat van Messina. Zelfs de Etna was even zichtbaar, en het zilveren glanslicht deed de zuidelijke schoonheid harer begroeide hellingen vermoeden. Toen dacht ik aan het heerlijk Italiaansche zigeunerleven in de jaren der jeugd, aan een reis door Sicilië, en aan een der gelukkigste uren doorleefd in de schaduw van den Goncordiatempel te Agrigentum.

3 MAART
Na gisteren voorbij Kreta te zijn gevaren, het interessante eiland der oudheid, waar zoovele archeologische ontdekkingen werden gedaan, kwamen wij van avond tegen zeven uur te Port-Said, de beruchte stad op den zelfkant van Europa en Afrika. Het was al donker, dus te laat om nog op de pier de zon te zien ondergaan achter het standbeeld van De Lesseps.

Toch gaat men aan wal, uit nieuwsgierigheid naar het eerste Oostersche stadsbeeld, zoowel als om de zwarte dekverstuiving bij het kolenladen te ontvluchten. De kijklust naar straten en gebouwen, als van een leelijke tentoonstelling, is trouwens gauw bevredigd. Amusant alleen zijn de jonge bruine toovenaartjes, die de kunst verstaan om vogeltjes op geheimzinnige wijze te doen verschijnen en verdwijnen, en voor mij, met een paar Hollandsche woorden, een grooter geldstuk dan ik bedoelde alleen te doen verdwijnen.

Maar langer kijkt men naar de oorzaak der verstuiving, naar de honderden roetzwarte kerels, die bij het licht van flambouwen, de kolen sjouwen vanuit groote platte schuiten naar den buik van het schip.

Het is een spruit van het 'riool van Europa', die fantastisch wordt verlicht. Een beeld van geweldige, maar helsche schoonheid, want hij, die dat gezien heeft, heeft ook de hel gezien met zijn gestalten als van geesten, met de tragische mogelijkheid, daaruit zelfs een kennis uit jonge jaren te zien opduiken.

'Door mij gaat gij in tot de stad van ellenden
Door mij tot de smart van 't eewiglijk berouwde
Door mij waar de verdoemden doelloos wenden.

Gerechtigheid bewoog Hem, die mij bouwde
Godlijke mogendheid en liefde schreden
Te saam met wijsheid die het werk beschouwde

Voor mij stonden geen geschapenheden
Dan de eeuwge, en eeuwig is ook mijn geduren
Laat varen alle hoop, die binnen treden.'

Er flitste even door mijn gedachten de vraag, waarom, nu alles machinaal gebeurt, ook dit niet?

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen