donderdag 30 april 2015

J.J. Voskuil -- 1 mei 1981

• Schrijver en volkskundige J.J. Voskuil (1926-2008) hield in 1981 een dagboek bij van twee reizen naar Frankrijk.

VRIJDAG I MEI
L. is weer fit, ik nog niet. We besluiten een dag te blijven. Hoge, smalle straatjes die door trappen onder de huizen grillig met elkaar verbonden zijn. Onder een van die gewelven ontmoeten we een man die bezig is pamfletten van de CGT te verspreiden. Om halfelf is er een i-meidemonstratie bij het stadhuis, om twaalf uur vertrek naar het bos van Valbelle, waar om halfeen de aperitief zal worden geserveerd.
Door sloppen en stegen bereiken we de rand van het stadje, aan de voet van de citadel. We dalen af naar de rivier en zitten daar op een bank. Om elf uur keren we onder de huizen door terug naar het plein. Geen spoor van de demonstratie. Het stadhuis ligt met geopende glazen deuren verlaten midden op het plein. Er staan wat auto's. Voor een café onder de arcaden zit een twintigtal mannen en jongens te drinken. We drinken een kop koffie op de kleine boulevard om de hoek, keren tegen twaalf uur terug naar het plein en wachten op een bank op de gebeurtenissen. Precies om twaalf uur komen er twee mannen uit het stadhuis. De een heeft een groot, wit karton bij zich, de ander een fles mineraalwater. Ze stappen in een auto en rijden weg. Als er om kwart over twaalf nog niets gebeurd is, stappen we op en lopen door het stadje naar het hotelrestaurant aan de voet van de citadel. Het bestaat uit een grote ruimte met donkere tafels en stoelen, hoge ramen, oude borden met bloemen, en er zitten veel mensen. Het is er gezellig maar duur en het eten is niet best. Niettemin verlaten we het etablissement in een tevreden stemming. We zitten opnieuw enige tijd aan de rivier, nu op de andere bank, en lopen dan de brug over naar een groepje huizen en een kerk aan de andere kant. Er blijkt daar een dorpsfeest te worden gehouden met jeu de boules. De wedstrijden hebben plaats op een wat bredere plek achter de kerk en spelen zich af tussen een twaalftal mannen die volgens strakke regels te werk lijken te gaan. Hun concentratie wordt doorkruist door het lawaai van twee draaimolens en twee schiettenten op het pleintje voor de kerk. Er is een geïmproviseerd terrasje waarop wat mensen zitten. In de draaimolen draaien een stuk of wat kinderen rond. Een meisje gooit met een pijl een ballon in een van de schiettenten stuk. Er is ook nog een kraampje met suikerspinnen en in een tent achter het terras zie ik een man tussen een groepje mensen een duif optillen, een vermaak waarvan de zin me ontgaat en dat ik ook niet wil kennen. Het is warm geworden. Een stel jongens in zwarte, leren pakken maakt lawaai. Op een veld beneden de weg spelen een paar mannen met een voetbal. L. wijst erop dat ze nu twee keer gelijk heeft gehad: demonstraties en feesten zijn niks. Dat wist ze van tevoren en toch wilde ik ernaar toe.
We klimmen naar de citadel. Twee oude vrouwen die in hun deuropening zitten, roepen ons ongevraagd achterna hoe we lopen moeten. Als we de ingang bereikt hebben en een paar mensen voor ons naar hun achterzak zien grijpen, keren we weer terug. Henri iv schijnt te hebben gezegd dat dit zijn sterkste fort was. De taxichauffeur taxeerde het op de tijd van Napoleon. We gaan in het park in de schaduw op een bank zitten en kijken een uur of twee over de daken van het stadje tot in de verte de trein van kwart voor vijf het stationnetje binnenrijdt. Dan drinken we een glas bier op de boulevard, lopen nog eenmaal rond en keren tevreden naar het hotel terug.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen