dinsdag 7 april 2015

Charles Darwin -- 8 april 1832

Charles Darwin (1809-1882) hield een journaal bij van de onderzoeksreis die hij maakte van 1831-1836. Een gedeelte hieruit is in het Nederlands vertaald (door Tinke Davids) onder de titel De reis van de Beagle.

8 april 1832 - Ons gezelschap bestond uit zeven personen. De eer­ste etappe was heel interessant. De dag was brandend heet, en toen we door de wouden kwamen was alles daar bewegingloos, behalve de grote, schitterend gekleurde vlinders die traag in het rond fladderden. Het uit­zicht dat we hadden toen we de bergen achter Praia Grande overstaken, was bijzonder mooi; de kleuren waarin een donker blauw overheerste, waren fel; de lucht en de kalme wateren van de baai wedijverden met el­kaar in schoonheid. Nadat we door wat ontgonnen land waren gereisd, kwamen we in een oerwoud dat op alle punten onvergelijkelijk mooi was. Tegen het middaguur bereikten we Ithacaia; dit dorpje ligt op een vlakte, en om het middelste huis heen liggen de hutten van de negers. De regelmatige vorm en plaats daarvan deden mij denken aan de teke­ningen van woningen van Hottentotten in Zuid-Afrika. Omdat de maan vroeg opkwam besloten we diezelfde avond nog te vertrekken naar ons nachtkwartier aan het Lagoa Marica. Toen het donker werd trokken we langs de voet van een van die enorme, kale en steile granietbergen die men in dit land overal ziet. Deze plek is berucht omdat hier lange tijd enkele weggelopen slaven hebben gewoond die zich in leven hielden met wat landbouw op een stukje grond bij de. top. Uiteindelijk werden ze ontdekt, men stuurde er een troep soldaten heen en ze werden allen gevangengenomen, met uitzondering van één oude vrouw die zich van de bergtop te pletter liet vallen, liever dan weer tot slavernij te vervallen. Bij een Romeinse vrouw zou men zoiets edele vrijheidsliefde hebben ge­noemd; bij een arme negerin heet het alleen maar brute koppigheid.
We reden enkele uren voort. De laatste paar kilometers werden moei­lijk, de weg liep door een verlaten wildernis van moerassen en lagunes. In het vage maanlicht was het landschap uiterst mistroostig. Een paar vuurvliegjes schoten langs; een eenzame snip vloog omhoog en liet zijn klaaglijke roep horen. Het verre, doffe ruisen van de zee kon nauwelijks de stilte van de nacht doorbreken.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen