maandag 23 februari 2015

Frederik van Eeden -- 24 februari 1913

Frederik van Eeden (1860-1932) was schrijver en psychiater. Hij hield een groot deel van zijn leven een dagboek bij.

Van Eedens zoon Paul overleed op 21 februari 1913. Diens dood maakte grote indruk op hem, en inspireerde hem tot het boek Pauls ontwaken.

maandag 24 februari
Ik kom van het kerkhof terug. Ik wist vooraf niet wat ik doen zou. Maar op 't oogenblik voelde ik dat ik wat zeggen moest en het ook kon. En ik ben blij het gedaan te hebben. Paul had mij des nachts heerlijke rust gegeeven, ik voelde gestadig zijn zachte werking. In den vorm van wat ik ‘droom-sensatie’ noem. Ik was heerlijk verkwikt van morgen. Ik weet hij zal mij verder helpen.
Ik herinnerde mij van nacht dat Paul, kort voor zijn verheerlijking, teegen zijn moeder sprak van het ‘doodshemdje’. En zij begreep zijn bedoeling. Van daag las ik eerst het fijne sprookje van Grimm, dat hij bedoelde. Welk een helderheid, dat juist als herinnering voor zijn moeder uit te kiezen. Het kindje dat niet rusten kan zoolang moeder schreit, omdat zijn doodshemdje nat wordt van de tranen. Een geest die zooiets bedenkt, lijdt niet, maar is verhelderd. Ik nam mij voor de tuinlieden te zeggen dat ze vandaag den grooten stapel dood hout moesten verbranden op het grasveld. ▫ Toen ik van morgen uit het venster keek, hadden ze 't al uit zich zelf gedaan. Paul's vuuroffer. De vlam, symbool van diepe reiniging en verheffing.

Ignis ascendere
gestit et tendere
ad coeli atria.

De tuinman van Ingen had blijkbaar er zeer teegen opgezien iets teegen me te moeten zeggen. ▫ Van morgen nam hij zijn moed en gaf me een hand zeggend: ‘ik fielsieteer u met uw zoon.’ ▫ ‘Dankje Dirk!’ ▫ Holdert die er bij stond was er door getroffen en zei: ‘hij zeide het rechte, dat is hem ingegeeven.’ ‘Denk om het doodshemdje, moesje!’ zeide Paul. Tweemalen.
Zuster Obbes, mijn dochterken nu, hoorde in den nacht van Zaterdag op Zondag - dus den tweeden nacht na Pauls oovergang - mij roepen: ‘Obbes! Zuster Obbes!’ toen zij kwam zag zij Paul. En ze wist dat hij dood was, en ze was blij hem weer te zien. Het was mijn stem geweest, maar hij had geroepen, en ze praatten en waren verheugd. Toen zag ze ook haar zuster, die in Australië is, en Paul zei dat ze die moest verpleegen. ▫ Toen ze ontwaakte vreesde ze dat haar zuster dood was en dat Paul dit na zijn eigen afsterven weetende haar er van in kennis heeft willen stellen.
Van middag voelde ik in mij de teere, fijne wonder subtiele sensaties van een minnaar die zijn liefde beantwoord heeft gevonden. Het verrukkend besef: ‘het is tòch heerlijke werkelijkheid! het is geen illuzie! het is waarheid!’ En dan het nieuwe huiverig heerlijke gevoel van vertrouwelijkheid met een verheeven weezen. De minnaar voelt dat voor zijn geliefde, ik onderging deze zelfde sublieme aandoeningen door Paul, door het weeten van zijn verheerlijking, en door het gevoelen van de vertrouwelijkheid met hem, nu nog. ▫ Daarbij een gevoel van vastheid in alle nog onvaste dingen van mijn leeven. Het onbreekbaar bevestigen van mijn echt, mijn verbond met mijn lieve vrouw, een zachte herleeving van de aandoeningen van 6 Maart 1901. En het wegvagen van alle bittere, rancuneuze kleingeestige oude gevoelens. ▫ Ik voel nu weer de ‘heerlijke toekomst’, waar ik veel jaren geleeden van sprak. Ik voel dat alleen het bedrog van angst en vrees die toekomst verduisterd heeft.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen