dinsdag 5 augustus 2014

Nina d’Aubigny von Engelbrunner -- 6 augustus 1790

Nina d’Aubigny (1770–1847) was een Duitse zangeres en schrijfster van een dagboek over haar verblijf in Nederland.

Vrijdag, 6 augustus
Een rijtuig bracht ons naar 'Le parlement d'Angleterre' en nog naar een andere herberg zonder dat we onderdak konden krijgen, omdat alles vol was met buitenlanders die gekomen zijn voor de verjaardag van de prinses [Wihelmina Frederika van Pruisen, gemalin van Willem V]. Omdat er onweer dreigde maakten we haastig toilet en gingen naar Scheveningen. De weg leidt van Den Haag door de duinen naar zee. Ofschoon die weg beplant is met bosjes, bestaat ze uit rul, door de zee opgeworpen zand. Vader wilde ons plagen en zei toen we een heuvel beklommen - vanwaar we de hele noordelijke zijde konden overzien - dat we er nog een kwartier vandaan waren. Dat deed Mama de moed verliezen; ze voelde geen kracht meer om nog een kwartier tot de kuiten in het zand voort te ploeteren. En het vergalde bijna ons plezier in een voor ons zo nieuw schouwspel. Dat schouwspel is inderdaad schitterend, en - vooral wanneer, zoals vandaag, de golven van de zee de schepen op en neer doen deinen - het is gemakkelijk te begrijpen hoe dichters het beeld van de zee en van die geheimzinnige golven voor zich zien. Ik zou haast hebben gewenst dat, mocht op enig plekje ter wereld een schip móeten vergaan, zo iets zou gebeuren op het ogenblik dat wij ons aan de kust van de Noordzee bevonden. Met een dergelijke zuidwesten wind kun je vanuit Engeland in minder dan zes uur hier komen. Grote schepen komen nooit naar Scheveningen, die moeten bij Texel aanleggen. We kwamen gemakkelijk vooruit want het was eb, we zochten zelfs schelpen. Er is een herberg vlakbij zee waar we een goede kop koffie dronken. Een man had een zeekat gevangen, een soort zeemonster dat er zeer onsmakelijk uitziet, maar toch eetbaar is. Een aantal personen droeg manden aan, gevuld met garnalen, kleine zeekreeftjes die zich voeden met mensenvlees en kadavers, maar die, indien goed toebereid, heerlijk zijn om te eten. Toen we terugkeerden kwamen we een groot aantal karren tegen die door twee honden werden getrokken. De koetsier loopt er met de teugels in de hand naast. Op vlakke wegen nemen honden de plaats van paarden in, maar ze zijn niet sterk genoeg om een berg te beklimmen, of om de kar tegen te houden bij het afdalen. Ik schreef aan mijn lieve Mietje en om 6 uur aten we heel goed in de herberg genaamd de Grote Keizers Hof. Mama wilde dat we om 8 uur naar bed gingen, en toen de heer Scholten kwam moesten zij hun thee alleen drinken omdat wij naar bed gingen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen