woensdag 30 augustus 2017

Rienk Prins -- 31 augustus 1915

• Rienk Prins (1895-1984) was tijdens de Eerste Wereldoorlog soldaat, Hij hield over die periode een dagboek bij.

 Op den 31sten augustus 1915 had bij het baden een vreselijk ongeluk plaats. Daar we gezamenlijk met de hele compie in ’t bad waren, verdween plotseling iemand in een onbekend gat, en daar alle pogingen die we in ’t werk stelden hem te redden mislukten is hij jammerlijk verdronken. Een diepen indruk bracht dit voor een tijd onder de soldaten. Na een half uur in ’t water gelegen te hebben werd het lijk opgehaald door een sergeant van de 2de compie, na geen tien tellen onder water te zijn geweest, weer met de verdronkene onder de arm boven kwam met een vloek, daarna zeggende ’t is ook nog een werkje van niks. De persoon was afkomstig uit De Lemmer en is een paar dagen later naar Frieschland vervoerd om daar begraven te worden.

dinsdag 29 augustus 2017

Dietrich Bonnhoefer -- 30 augustus 1943

Dietrich Bonhoeffer (1906-1945) was een vooraanstaand Duits kerkleider, theoloog, verzetsstrijder tegen het nazisme en schrijver van christelijke boeken. Tijdens zijn gevangenschap schreef hij veel, vooral brieven, die zijn gebundeld in Verzet en overgave (vertaling L.W. Lagendijk). Hij werd in april 1945 ter dood gebracht.

[Augustus]
God wordt uit de wereld teruggedrongen en dat is de diskwalificatie [?] van de religie leven zonder God

Maar als het christendom] eens helemaal geen religie was? wereldlijke/niet-religieuze interpretatie van de christelijke begrippen. Christendom ontspringt uit de ontmoeting met een concrete mens: Jezus.

Ervaring van transcendentie

de beschaafden? Ineenstorting van de christelijke ethiek

Geen sociale ethiek

Het confessionele

'Ik geloof alleen wat ik zie'.

God - geen religieus begrip [?]

Terugkeer naar de Middeleeuwen

Onbewust christendom: de linkerhand weet niet wat de rechterhand doet. Mattheüs 25.

Weten niet wat te vragen.

Motto: Jezus sprak tot hem: 'Wat wilt gij dat ik doen zal?'

zaterdag 26 augustus 2017

Anaïs Nin -- 27 augustus 1934

Anaïs Nin (1903-1977) was een Franse schrijfster, die vooral bekend is vanwege haar dagboeken. Dit fragment is afkomstig uit Incest (vertaling Aafke van der Made).  Rank = Otto Rank, haar psychiater, en Henry = Henry Miller, de schrijver. Ze had met allebei een verhouding.

27 AUGUSTUS 1934
Mijn leven zal altijd een tragedie zijn. Nu ben ik in Louveciennes met Henry, waar we boeken inpakken voor ons huis, plannen maken, onze manuscripten opbergen, en ondertussen denk ik steeds aan Rank, hunker naar zijn liefde, hoop dat Henry me niet zal begeren. Ik wil eigenlijk niet met Henry leven, toch heb ik dit leven zelf gemaakt. Tegenwoordig wil ik alléén wonen, omdat ik van te veel mannen houd.
Nu is het Henry die zich vastklampt, die jaloers is, maar krijgt hij niet waar zijn egoïsme om vraagt? Een halve liefde.

Dinsdag. Ben bij een arts geweest die ontdekte dat de sage-femme [vroedvrouw] niets bereikt heeft. Ik moet geopereerd worden, en het kind is zes maanden oud, en leeft en is normaal.* Het zal bijna een gewone bevalling worden. Ik was zo zwaar geworden, en ik voelde lichte schokjes in mijn baarmoeder. Ik kijk naar beneden en zie de ronde witte buik. Mijn borsten zijn vol melk, een melk die nog niet zoet is. Terwijl ik de heuvel oploop naar Rank denk ik aan het kind. Ik zou het aan Moeder kunnen geven, en dat zou een verlossing voor Joaquin kunnen zijn. Maar verder zou het alleen maar een blok aan het been zijn. Het hoort niet in mijn leven met Henry; het hoort niet bij Rank, die al een kind heeft en toch al overbelast is; het hoort niet bij Hugh omdat het niet zijn kind is en hem alleen ongelukkig zou maken. Het hoort nergens. Ik ben een minnares. Ik heb al te veel kinderen. Er zijn te veel mannen zonder hoop en vertrouwen in de wereld. Te veel werk te doen, te velen om te dienen en voor te zorgen. Ik heb al meer dan ik dragen kan. Ik probeer aan Hugh, aan Henry en aan Rank te geven.

Toen ik bij Rank kwam was hij treurig en somber. Er wordt druk op hem uitgeoefend om naar New York te gaan, veel geld geboden en een baan. Hij heeft schulden. Maar hij wil hier blijven. 'Hoe kan ik daar naar toe gaan en alleen maar werken, zonder te leven? Mijn leven is hier bij jou. Ik wil niet gaan. Ik heb nooit succes willen hebben. Nu minder dan ooit.'
Deze conflicten, die hij anderen helpt oplossen, moet hij alleen oplossen. Ik kan hem niet helpen. Het gaat niet om zes maanden of een jaar, maar om een onbeperkte tijd. Waarom ga ik niet met hem mee als assistente?
Ik zou hem overal volgen.
Ik weet dat ik met hem mee wil gaan. Ik houd van zijn treurigheid, zijn vasthoudendheid, zijn toewijding. We zouden New York samen aankunnen, samen werken. 'Als ik gelukkig in mijn leven kon zijn,' zei Rank.

* Een paar dagen later werd het kind geaborteerd.

G.H.C. Hart -- 26 augustus 1940

George Henry Charles Hart (1893-1943) was een hoge bestuursambtenaar. Tijdens het eerste oorlogsjaar (dat hij doorbracht in Londen) hield hij een dagboek bij.

Maandag 26 augustus 1940
Vannacht weer eenige airraids: verschillende - de meeste - menschen, welke ik sprak, zijn eenige uren in de shelters geweest: ze zullen m.i. daarmee vanzelf moeten ophouden, want dit wordt voor hen een cumulatief, opstapelend tekort aan slaap, dat zich zeker wreken zal.
[...] 's Avonds vertelde Welter mij in strikt vertrouwen, dat de Koningin erop is blijven staan, dat De Geer ontslag neemt, niet slechts als premier, doch ook als Minister van Financiën. Vanmiddag behandelde de Ministerraad deze zaak en besloot zijn portefeuilles ter beschikking van de Koningin te stellen: dat is aanstonds geschied. Wat nu?
Het besluit is m.i. niet juist: de Koningin moge het ontslag van De Geer op zeer onelegante wijze hebben behandeld, vaststaat, dat hij tegenover Haar ernstig en défaut is geweest en bovendien momenteel volstrekt ongeschikt is.

Dinsdag 27 augustus 1940
Vannacht bijna zeven uur lang airraid boven Londen, verreweg de langste dien wij nog gehad hebben.
Natuurlijk verspreiden de Duitschers fantastische berichten over hun successen in Engeland: wat zouden jullie ervan hooren en denken? Zouden jullie je ongerust maken? Of beluisteren en gelooven jullie de radio uit Londen?[...]

Middernacht
Wat ben ik blij, dat ik jullie portretten en je briefje van 14 Mei heb; elken avond lees ik het vóór je - even - glimlachende portret door, mijn Gioconda. God behoede jullie.

Woensdag 28 augustus 1940
De luchtaanvallen op Engeland nemen, naar het voorkomt, nog steedsin intensiviteit toe. Meestal is er overdag twee tot vier of vijfmaal luchtalarm: dan zijn het groote Duitsche formaties van honderd tot vier- of vijfhonderd, die de zee oversteken en dan op de kust en in het binnenland groote hoeveelheden brandbommen werpen. In het algemeen bereiken tot dusverre deze aanvallen Londen nog niet. Maar 's nachts is de situatie anders: sinds enkele dagen is er geregeld luchtalarm tusschen 9 en 9.30 namiddag en dat duurt dan uren voort. Gisternacht duurde het zelfs zes en een half uur.

Donderdag 29 augustus 1940
Aan Gerbrandy, Minister van Justitie, heeft de Koningin opdracht gegeven een nieuw kabinet samen te stellen, dat wel niet veel zal afwijken van het vorige: de heele crisis wordt - terecht - diep geheim gehouden en ook als er een nieuwe premier is, zal niet worden bekend gemaakt, dat de geheele ministerraad demissionnair is geweest. Lamping en ik zullen, buiten Beelaerts en Van Tets, wel de eenigen buiten het kabinet zijn, die van de zaak afweten. [...]

dinsdag 22 augustus 2017

Luuk Gruwez -- 23 augustus 1997

Luuk Gruwez (1953) is een Vlaamse schrijver. In Het land van de wangen kijkt hij terug op episodes uit zijn leven. Het hart van het boek vormen de dagboeknotities die hij enige jaren bijhield naar aanleiding van zijn bezoeken aan zijn steeds verder aftakelende grootouders.

Deerlijk, 23 augustus 1997
Knor heft iets aan uit zijn rijke repertoire van aangebrande chansons:
‘Te rappelles-tu, Titine,
quand il faisait si froid?
Tu chatouillais ma pine
pour réchauffer tes doigts.’
Buiten is het boven de dertig graden en in de woonkamer achtentwintig, maar hij vindt het niets te warm. Hij slaapt nog onder een dubbele deken. Altijd weer die angst om het ooit te koud te hebben.
Vandaag is hij geobsedeerd door het huwelijk. Mijn tante heeft hij gevraagd of zij van plan is ooit te hertrouwen. Mij vraagt hij, voorzover ik mij dat herinner voor het eerst, of ik van plan ben ooit nog te trouwen.
‘Waarom?’ vraag ik.
‘Welja,’ zegt hij, ‘sommige venten doen dat.’
‘Misschien als ik negentig ben,’ antwoord ik.
Maar hij geeft niet af, stelt mij de meest onbeschaamde vraag die hij mij ooit gesteld heeft: ‘Luuk, ’t is maar ne keer vragen, kruipt gij af en toe met een meisken in bed? Of verslijt gij den uwen alleen maar met te piesen?’
‘Maar Knor toch,’ zeg ik. ‘Knor’, niet ‘bonpapa’: het is eruit voor ik het besef. ‘Maar Knor toch’: hij is al van papier.

Liesje, van haar kant, draait in haar glossy weekbladen niet één bladzijde meer om. Zij loopt verder vol. Zij moet nu één keer per week gedraineerd worden tegen de grote overstroming. Haar lichaam is een verzameling doorligwonden. Liesje, mijn Alice, straks dommelt zij in. Dan gaat het wonderland dicht. En op dat kerkhof van Deerlijk, niet al te ver van haar Christianeke: daar zal zij liggen, de liefste oma van het hele heelal.
En Knor zegt wat hij altijd zegt, ochtend, middag of avond: ‘’t Is ’t begin van ’t einde.’ En ik denk wat ik altijd denk: ’t is ’t einde van het einde.

In huis staat een nieuw televisietoestel met een heel groot scherm. De wereld dient groter en groter te zijn opdat zij, Liesje en Knor, hem nog zouden zien. Knor heeft overigens zeer tegen zijn zin tachtigduizend frank neergeteld voor dit toestel. Hij sist: ‘Dat zegt mij nu ne keer niets, televisie.’ ‘Schoon beeld,’ zeg ik. Maar Knor werpt mij een bitsige blik toe. Hij verzekert mij dat de leverancier naar zijn geld zal kunnen fluiten.

Het voorval is een paar weken oud. Knor dreigt een tijdje zonder oppas te zitten. Hij belt tante Nieske op. Die zegt hem: ‘Gij zijt toch geen klein kind meer, gij kunt toch wel een páár uur alleen zijn!’ Toornig brult hij: ‘Ik ben wél een klein kind!’
Het is een warme zondagmiddag, enkele uren later. Knor zit in zijn fauteuil in de donkerste hoek van de kamer. Alleen. Ik ben er niet. Niemand die op bezoek komt. Wie hij ook belt, niemand geeft thuis. De buren zijn op stap; de dokter is aan het ‘poepen’ aan zee. Wanhopig staart hij naar het telefoontoestel. Hij draait drie cijfers: het alarmnummer 100.
Geen vijf minuten later stopt, met loeiende sirene, een ambulance voor de deur. De hele straat in rep en roer. Wie op deze stralende dag toch thuisgebleven is, komt handenwrijvend en blijelijk hopend op een of ander beloftevol rampje naar buiten gesneld.
Twee ambulanciers banen zich, draagberrie tussen hen in, via de achterdeur een toegang tot het huis. In de woonkamer treffen zij tot hun niet geringe verbazing Knor, nog altijd knorrelijk, maar ook vorstelijk en vooral kerngezond in zijn fauteuil gezeten, nippend van een glaasje wijn. Op de vraag van de ene ambulancier wat er in godsnaam scheelt, antwoordt hij: ‘Nietskes, ’t is maar dat ik mij een beetje alleen voelde!’ ‘Jamaar, meneer!’ zeggen zij, en vrijwel meteen druipen zij weer af. Een spoedgeval van eenzaamheid: niet daarvoor hebben zij een opleiding genoten.
Pas nu herinner ik mij dat ik hem de dag daarna vanuit de Provence heb opgebeld. Pas nu dringt de ware toedracht door van wat hij mij toen gezegd heeft: ‘’t Was, milledzju, maar nen triestigen dag gisteren.’ Uitleg gaf hij niet en vroeg ik ook niet. Wist ik veel dat hij bedoelde: ’t was zondag, nergens ter wereld was er iemand thuis, en ík, ik voelde mij een beetje alleen.

zondag 20 augustus 2017

John Lanting -- 20 augustus 1982

John Lanting (1930) is een Nederlandse acteur. In 1982 hield hij voor NRC Handelsblad een 'Hollands Dagboek' bij.

Donderdag 19 augustus
Als het de bedoeling is dal ik vanaf donderdagmorgen begin te vertellen dan is het nu al mis. Het is vandaag vrijdag en gister had ik geen tijd. De voorstellingen van 'Een Scheve Schaats' lopen alweer en in de dagen, pal na zo'n eerste aantreden zijn er steeds twee dingen die met de grootste snelheid gedaan moeten worden: uit een honderdtal spelfoto's moeten de beste gezocht worden en ook moet ik het script nalopen, want met de klank van de voorstelling nog in mijn oren kan ik dan precies zeggen waar nog iets bijgesteld kan of moet worden. Neemt dat dan de hele dag in beslag? Nee! Maar gister zag ik dat de dakgoot overliep. Ik dacht: die goten maak ik wel even schoon. Edoch, meer en meer kom ik tot de ontdekking dat het woordje 'even' niet meer in mijn vocabulaire past. Het zal wel aan mijn leeftijd liggen. Niks gaat bij mij meer 'even'. Het kluchtwerk heeft me ook super perfectionistisch gemaakt. Overigens d'r komt wat uit die dakgoten tevoorschijn: naast het gebruikelijke blubber-bladerentafereel, vond ik twee dooie vogels, zes tennis- en hockeyballen van m'n zoon en iets dat ik aanvankelijk voor een damescorset versleet maar bij nadere inspectie (het was geen ongezellige dag gisteren) een stuk van een amateurparachute bleek te zijn. Kortom: gisteren kon ik de pen niet ter hand nemen.

Vrijdag
Vandaag is dat anders. Ook vanavond weer - net als gisteren - voorstelling in Scheveningen. Ik besloot overdag wat te gaan lummelen. Het is leuk dat ik dit dagboek juist nu moet schrijven want in de periode hiervóór zou ik geen tijd gehad hebben. Dan is het 's morgens, 's middags, 's avonds en 's nachts werken en daar tussendoor ook nog. Dat is de periode dat de nieuwe produktie ter hand wordt genomen: repeteren, leren, décorbespreken, programmaboekje, foto's maken, praten en discussiëren en zorgen dat je op het juiste moment het goeie opbeurende woord zegt. Deze periode is heerlijk en vreselijk tegelijkertijd: de slapeloze nachten met die ene gedachte: lukt het wel of lukt het niet. Voor een klucht geldt maar één ding: hij moet 100% zijn, is ie dat niet dan is ie nul procent-niks. Vandaag besloot ik dus te lummelen. Verbaasd zijn dat je buurman er ook nog is. Kijken hoe de merel een worm uit Gods aardbodem peutert. Natuurlijk wel de nodige telefoontjes maar verder kon ik mijmeren. En dat kun je dan doen over de toekomst of over het verleden. Ik koos het laatste. Over de toekomst ben je zo gauw uitgepraat: kan ik de mensen in de komende jaren laten lachen een avond lang? Ja? Nou, dan zit het met het Theater van de Lach wel snor.
Vanmiddag deed ik een boodschap op de fiets en mijn gedachten gingen terug naar één van de belangrijkste periodes van mijn leven (pas op mensen, nu begin ik serieus te worden en dan ben ik vaak onuitstaanbaar - sla maar over en neem de draad op bij zaterdag dan moet ik grasmaaien en wie weet wat ik wel onder de struiken vind - misschien wel een stuk van die parachute die bij nadere inspectie dan toch een corset blijkt te zijn). Die belangrijke periode dus. In de vierde klas van de HBS - dat was in 1949 - stopte ik plotseling. Ook toen wisten alle schoolverlaters dat er geen baan te krijgen was. Dat was de tijd dat iedereen wilde emigreren. Thuis zeg ik: 'Ik ga de wijde wereld in.' 'Zorg dan eerst dat je dat diploma hebt/ zei m'n vader (dat zeggen vaders nu nog). Ik bleef bij mijn voornemen en hoorde mijn vader roepen. 'Dan zoek je het zelf maar uit, maar dan ook helemaal zélf, begrijp je wat dat betekent?' 'Ja pa.' Ik ging liftend door Europa en Afrika. Een handvol ambachten en twee handenvol ongelukken. De navelstreng had ik a.h.w. zelf doorgesneden.
Vanavond dus voorstelling in Scheveningen.

Misia Sert -- 19 augustus 1929

Misia Sert (1872-1950) was een pianiste van Poolse afkomst. Haar salon in Parijs werd in de eerste jaren van de twintisgte eeuw bezocht door kunstenaars als Picasso, Malarmé, Debussy, Bonnard en Cocteau. Het fragment is afkomstig uit Misia (vertaald door Joop van Helmond).

19 augustus 1929
Toen de zon opkwam stierf hij vredig. De eerste zonnestralen verlichtten zijn voorhoofd op hetzelfde moment dat hij zijn laatste adem uitblies. Ineens overgoten door het ochtendgloren, begon de zee in al zijn glorie te glinsteren. Terwijl ze zich over Diaghilev heen boog, sloot de verpleegster zijn ogen, die deze overwinning van het licht niet meer zagen. Op dat moment deed zich in dat hotelkamertje, waar de grootste tovenaar van de kunst was gekomen om te sterven, een tafereel voor dat zo Russisch was dat het door Dostojewski beschreven had kunnen zijn. Het einde van Serge was de vonk waardoor de wederzijdse haat, die door de twee jongens die aan zijn zijde hadden geleefd was opgekropt, tot ontploffing kwam. De stilte die authentieke drama's kenmerkt, werd verbroken door een soort gebrul. Kochno wierp zich op Lifar, die aan de andere kant van het bed geknield zat. Ze rolden over de grond, verscheurden elkaar, en beten elkaar als beesten. Ze werden door razernij opgezweept. Twee ziedende honden vochten om het lijk van hun meester. Toen onze eerste verbijstering was geweken, hadden de verpleegster en ik de grootste moeite om hen uit elkaar te trekken en ze naar buiten te werken, zodat zij de dode kon afleggen.
Geheel gebroken trok ik me terug en liep doelloos rond. Ik ging op een bank in de zon zitten en weet niet meer hoe lang ik er ben blijven zitten.