woensdag 26 juli 2017

John Bake -- 27 juli 1830

John Bake (1787-1864) was een Nederlandse classicus en filoloog. In 1830 maakte hij een reis naar Duitsland en Zwitserland, die hij beschreef in brieven aan zijn vrouw, die zijn te lezen als een reisdagboek.

Dinsdag, 27 juli.
Ik heb goed geslapen, op een heerlijk zindelijk bed. Uit mijn bed kon ik 's morgens reeds de Montblanc zien! Het is eigenlijk dwaas om u van de grootse, stoute natuur, die dit heerlijke dal omringt, een beschrijving te willen geven. De Montblanc met zijn onderhorigheden, sedert eeuwen met sneeuw en ijs bedekt, beslaat een ruimte, die men pas na 7 dagen kan rondreizen en hijzelf is over de 14 duizend voet hoog. Links en rechts ziet men de aiguilles, als scherpe punten, tot ver toe zich uitstrekken. Achter u, tegen het noorden, weer andere Alpen, en tussen beide, op een breedte van een kwartier uurs, een delicieus dal, door de Arve bepaald, een land van melk en honing, met aartsvaderlijke zeden en welvaart. Na ons ontbijt (altijd best weer) trokken wij met één muilezel, beladen met Hamaker en onze mondbehoefte, naar de Mont Brevent. Dit is de hoogste van alle bergen die vlak tegenover de Montblanc liggen, om daarop een goed uitzicht te hebben. Dit is een der zwaarste tochten die ik tot nog toe gemaakt heb. Die vriend is 6500 voet hoog. De klim, zeer steil en moeilijk, door bos, over en door beken heen, meestal over rotsstukken, duurde eerst 4 uur en een kwartier, tot wij aan de hoogste chalet kwamen. Zo noemt men de houten hutten, die door de Zwitsers van mei tot september op de bergtoppen bewoond worden om het vee te weiden, koeien en geitebokken. Daar verkwikten wij ons met de meegenomen provisie. Ik voornamelijk met de verse melk van de boer. Zoiets heb ik nooit geproefd. Daar is onze beste Hollandse melk niets bij, voornamelijk omdat het vee daar graast op fijne, aromatische kruiden. Toen bleef Hamaker achter en de muilezel was zelfs niet berekend voor het verdere eind. Geel en ik trokken met de guide nu nog 5 kwartier hoger, tot op de hoogste rotsspits, hetgeen waarlijk niet alle reizigers doen. Ook was het zeer, zeer zwaar, zelfs nu en dan tegen een loodrechte rotsmuur op, waar hier en daar een plaatsje voor de voet was. Ambitie doet alles overwinnen. Wij ledigden daar met de guide een fles wijn, en beschouwden het majestueuze van de Montblanc, met al zijn verschillende toppen en ijsbergen. Ik zal er u een plaat van meebrengen. Schilderachtig contrasteert het benedengezicht naar Chamounix en de gehele smalle vallei, zodat men zomer en winter, cultuur en barre woestenij, het lieflijke en schrikbarende van de aarde tevens ziet. De afklim was allesbehalve licht. Te half zes in het logement komende ging men juist aan tafel (zoals gewoonlijk om die tochten in de bergen) en een heerlijke soep en perfecte tafel kwam ons zeer te stade. Het gezelschap was uitgezocht. Na het eten ging ik wat aan deze brief schrijven, en toen met een kop thee naar bed. - Wegens de dag van gisteren vergat ik u te zeggen, dat wij op onze tocht naar Chamounix, op een der somberste plaatsen van de Tête Noire, een enorm rotsstuk zagen, zo groot als onze zaal bij voorbeeld, dat gekocht was door de gravin Guilford (hoe gek, daar het onmogelijk te transporteren is), die er een hoogdravende inscriptie op had laten zetten. Ook moet ik niet vergeten, dat wij op de top van de Mont Brevent een bijzonder luchtverschijnsel zagen. De lucht was helder, en de zon bestraalde (hetgeen niet altijd gebeurt) de onbewolkte toppen van het reuzengebergte, dat schitterde van de sneeuw die daar sedert eeuwen ligt en nooit smelt. Het was tevoren winderig geweest, maar tegen onze verwachting was het niet koud op de top en wij bakerden ons in de zon. Toen vertoonde zich rondom de zon een grote volmaakte cirkel, zijnde een regenboog met alle kleuren daarvan op een proportie als of men een stuivertje op een bord legde. Zo was de afstand van die cirkel tot de zon.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen