zaterdag 8 juli 2017

August Muls -- 8 juli 1917

August Muls (1878-1958) beheerde samen met zijn broer Henri een mangaanmijn in Georgië, toen hij in 1917 opeens klem kwam te zitten tussen de oprukkende Russische revolutie en de Duitse bezetters. Hij hield in die tijd een dagboek bij.

Zondag 8 juli 1917
Aankomst met Pieter in Darkveti [in de Kaukasus], na een vermoeiende reis die ons deed kennismaken met de Vrijheid die de Revolutie aan de Russen heeft geschonken: de trein volgepropt met soldaten die zonder biljet reizen en zowel van de daken en trappen der wagons als de compartimenten van eerste klas bezit nemen, zodat de gewone reiziger letterlijk gevangen zit op zijn eng plaatsje en langs het venster moet zoeken buiten te geraken, wil hij zich enig eten aanschaffen of aan een behoefte voldoen.
Henri stond ons beneden in de statie van Darkveti af te wachten, ofschoon hij niet juist wist wanneer wij zouden aankomen, maar hij kwam regelmatig zien sinds enige dagen. De ontvangst was heel gulhartig, ofschoon Henri wat verlegen scheen en heel rood zag.
Onder de drukkende hitte van de middagzon klimmen we naar boven en het eerste dat we doen is van ons helemaal te wassen en van linnen te veranderen, want gedurende de laatste acht dagen was het water een kostbare zeldzaamheid geweest. De knecht Nicolas was naar Satsj-keri en er kon dus weinig bestel voor het eten gemaakt worden. Ik maakte voor het eerst kennis met een Georgiaans gerecht dat later nog dikwijls op onze tafel zou komen: inlandse kaas met rauwe groenten, peterselie, jonge porei, estragon en daarbij halfzwart brood. Maar er was ook goede koffie bij en het smaakte mij opperbest.
Het huis was heel in 't nieuw gestoken en overal vers geschilderd met doorgedrukte ornementen en lichte, geschakeerde kleuren die het een heel aangenaam uitzicht gaven. Het was al eigenhandig werk van Henri en Pieter.
We brachten enige uren door in vertellen en toen de grote hitte wat voorbij was, gingen we naar het kerkhof vaders graf bezoeken. Henri plukte wilde bloemen langs de weg, want we hadden er niet op gedacht bloemen uit onze hof mee te nemen om vaders graf te versieren. Daar stond het nu, het nederig grafje zoals het mij afgeschilderd was, in een hoek van het kerkhof naast een dik bosje van palmstruiken, omgeven door een blauwgeschilderd houten hekken en beplant met irisbloemen, rozen en chrysanthemums. Een klein houten kruisje, zonder naam, duidde aan dat daar te midden van de schismatieken een katholiek voor eeuwig rustte. Toen ik mij zo ineens zo dicht bij vader voelde, al bleef er slechts het stoffelijk overschot van over, kon ik mijn tranen niet bedwingen en moest in luide snikken mijn droefheid lucht geven.
Ik stelde mij de goede man nog zo goed voor, hij die zo afkerig was van de lange reis naar Kaukasus maar tenslotte, omdat hij zag dat het moeders wens was, blijmoedig zijn toestemming had gegeven en na enige maanden verblijf alhier, ver van huis en zijn hof waaraan hij zoveel hield, op een eenzame berg in een wilde streek zijn hoofd voor eeuwig was komen neerleggen. Ik zette mij op de steen waar Tin, zo 't schijnt, ook altijd op rustte en lang bleven we in diepe gepeinzen verzonken.
[...]
De knecht, toen ik hem voor 't eerst zag, heeft op mij geen gunstige indruk gemaakt. Hij ziet er een sluwe, schijnheilige kerel uit die tot alle kwaad bereid is en hoegenaamd niet mag betrouwd worden. Hij was me nochtans afgeschilderd door moeder en Tin als een lief mannetje, ijverig, verkleefd, gedienstig. Hoe de meningen toch verschillen, en moeder die gewoonlijk zo juist in eenieders karakter kan lezen!

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen