zondag 26 maart 2017

Achilles Cools -- 27 maart 2004

• Achilles Cools (1949) is een Belgische kunstenaar die zijn inspiratie vindt in de biologie. Uitgebroed. Dagboek van een beeldenmaker.

27 maart 2004
Een gelukkig halfuur. Ik geniet des te meer van deze mo­menten als ze langzaam verdwijnen. Niet vaak ben ik me bewust van het levende heden. Het zijn de schaduwen van ver­gane dingen die mij het dierbaarst zijn. De tijd speelt met mij een vreemd spel. ïk lijk hem een moment vast te leggen en te bewaren. Maar een moment laat zich niet vastleggen. Ieder moment is uniek en onherhaalbaar, het is een beeld van het moment waarmee de toekomst in het heden inbreekt en er verleden van maakt.
Mijn rondje om speelt zich af op enkele vierkante meters. Het grote leven komt op gang. Zodra de temperatuur het toelaat willen voorjaarsplanten ondergrondse krachten opslaan, om nu als de wiedeweerga uit te lopen. Om te overleven op het groene slagveld, moet je als plant vroeg opstaan. Weldra begint het ellebogenwerk. Ieder voor zich en de zon voor ons allen. Rap hoogte winnen om zich te verzekeren van een plek in het licht.

Nu steekt het eerste geel de kop op: het geelste geel heet speenkruidgeel. Maar doorgewinterde citroenvlinders ko­men op bezoek: een lenteverrassing waar zelfs de paashaas bij verbleekt, zo fleurig. Geel is de kleur van de lente. Geel is immers de modekleur van de ontwakende natuur. Winter-akonietjes, klein hoefblad, speenkruid, dotterbloem, narcis, paardebloem, sleutelbloem. Sleutelbloem schijnt ook een oud huismiddel te zijn, hoewel sommigen er de kriebels van krijgen. Maar giftig - nee. Onschuld is in de meerderheid bij het maartse groen. Zoals de bundels bloemen met die sten­gels opkomen, lijken ze inderdaad wat op een sleutelbos. Is het de sleutel tot de lente misschien? Op één bloem leunt slaapdronken een hommelgast. Een koningin. Ze klampt zich moeizaam vast. Als ik ze in mijn handpalm zet, vliegt ze niet op. Hier in de schaduw is ze nog verstijfd van de kou. Ik sluit ze op tussen mijn holle palmen en blaas wat warmte tussen mijn duimen door. Haar harig lijf begint te trillen, de ragfijne vleugeltjes bewegen. Ik blaas nog een paar keer, en ja hoor: ze stijgt op en zoemt zich nu zelf op temperatuur. Hommels zijn iets geks. Volgens de wetten van de thermiek en de zwaartekracht kunnen ze niet vliegen en toch doen ze dat.
Ik speur en spied en wrord beloond. Daar is ze dan: de dot­ter der dotters. De spindotter. Eerst nog een bescheiden pluk­je, maar een stukje verderop een hele kluit. Knalgeel! In haar gele glorie staat ze te koukleumen in het ijs-van-één-nacht. Toch weet ze het klaar te spelen om haar kop boven te hou­den. De glanzende bloemen werken als een kleine zonne-oven; in hun botergele schaal is het warmer dan in de open­lucht. Het kroontje van de dotter glanst als een bolle spiegel. Al die verblindende schittering heeft de niet veel nobelere be­doeling dan het glitterpakje van een nachtclubdanseres. Ja, seks, daar draait het om. Lokkertjes. Het idee dat de meel­draden en stampers er als uitroeptekens van voortplantings-drift uitsteken. Al geef ik het toe: ik vind het overdreven om naar een dotterbloem te kijken als naar een geslachtsorgaan. Onder de struiken spreiden zich plakkaten uit: speenkruid, het kleine nichtje van de dotterbloem, heeft een grote truc achter de oksel. Waar het blad aan de steel is aangehecht, is vaak een bolletje met een knop erop. Dit valt af en gaat aan de groei. En is zo subiet gespeend van zijn speenkruidmoeder. Het speenkruid doet nog wat bloot en rillerig aan en krijgt af en toe een ijskoude douche over zich uitgestort.
Grillige mostapijten hebben zich vol fris water gezogen. Het laddermos steekt zijn sporendoosjes op steeltjes om­hoog. Je kunt die rode snaveltjes niet over het kopje zien. De bol moet vol! Dat is het motto waaronder ook de narcis ope­reert om volgend jaar weer bij de tijd te kunnen zijn.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen