dinsdag 5 april 2016

J.J. Voskuil -- 6 april 1981

• Schrijver en volkskundige J.J. Voskuil (1926-2008) hield in 1981 een dagboek bij van twee reizen naar Frankrijk.

4 april
5 april

MAANDAG 6 APRIL
We lopen naar de brug, door het centrum. Ik voel me nog slap, maar de verkoudheid lijkt over haar hoogtepunt heen. Het is zonnig, een vage zon. Voorjaar. We klimmen aan de andere kant van de Rhône een weg tussen villa's in, met in de tuinen cactussen en cipressen. De weg slingert wat, komt bij de autoweg, buigt weer af en bereikt Les Angles, een dicht op elkaar gedrukt hoopje Provençaalse huizen in de zon, met daarachter een karakterloos buitenwijkje en onmogelijk brede, bermloze, geasfalteerde straten. We steken de weg over, lopen door een kleine rimboe met steeneikjes, jeneverbessen, liguster en veel stenen, komen weer bij de weg terug en zijn zo de hele ochtend bezig in een rommelig, heet land, tot we eindelijk definitief de snelweg over kunnen en langs een sloot met hoge populieren door het vlakke land aan de voet van de heuvels lopen. Weer een weg, een zijweg, en dan eindelijk een pad de heuvels in. Een onoverzichtelijk land, dichtbegroeid met lage, stekelige struiken en daartussen een wirwar van paadjes. Het is warm, maar we raken toch op ons gemak. Het is ook stil, zelfs geen vogels. Plotseling zien we de Rhône weer en de pijp van de kerncentrale. Aramon. Hôtel Les Platanes. Een niet zo geweldig boerenhotel. We zitten een uur in de tuin tussen een stuk of vijf spelende kinderen, die af en toe komen laten zien wie ze zijn. Daarna lopen we door het stadje. Een half ingestort kasteel met daaromheen vervallen, bochtige straatjes en een esplanade die door een hoge muur beschermd is tegen de Rhône. Veel zwerfkatten, veel Algerijnen. Het is een zachte, stille avond. We lopen langzaam en zijn tevreden.
Het eten is abominabel: boontjes die naar zeep smaken en een biefstuk die meer zeen dan bief bevat.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen