zaterdag 2 januari 2016

Anne Frank -- 2 januari 1944

Anne Frank (1929-1945) was een Joods meisje dat bekend is geworden door het dagboek (Het achterhuis) dat ze schreef tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen ze ondergedoken zat in Amsterdam.

Zondag, 2 Januari 1944
Lieve Kitty,
Toen ik vanmorgen niets te doen had, bladerde ik eens in mijn dagboek en kwam meermalen aan brieven, die het onderwerp ‘moeder’ in zo driftige woorden behandelden, dat ik, er van geschrokken, me afvroeg: ‘Anne, ben jij het die over haat gesproken heeft? O Anne, hoe kon je dat!’
Ik bleef met de open bladzijde in de hand zitten en dacht er over na hoe het kwam, dat ik zo boordevol woede en werkelijk met zoiets als haat vervuld was, dat ik alles aan jou moest toevertrouwen. Ik heb geprobeerd de Anne van een jaar geleden te begrijpen en te verontschuldigen, want mijn geweten is niet zuiver, zolang ik je met deze beschuldigingen laat zitten, zonder je nu achteraf te verklaren hoe ik zo kwam.
Ik lijd en leed aan stemmingen die me (figuurlijk) met mijn hoofd onder water hielden en de dingen, zoals ze waren, alleen subjectief lieten zien, zonder dat ik probeerde rustig over de woorden van de tegenpartij na te denken en dan te handelen in de geest van diegene, die ik in mijn opbruisende temperament beledigd of verdriet gedaan heb.
Ik heb me in mezelf verstopt, alleen mezelf bekeken en al mijn vreugde, spot en verdriet ongestoord in mijn dagboek opgepend. Dit dagboek heeft voor mij veel waarde, omdat het vaak een memoiren boek is geworden, maar op vele bladzijden zou ik wel ‘voorbij’ kunnen zetten.
Ik was woedend op moeder, ben het soms nog. Zij begreep mij niet, dat is waar, maar ik begreep haar ook niet. Daar zij wel van mij hield was zij teder, maar daar zij ook in vele onaangename situaties door mij is gekomen, en dan daardoor en door vele andere droevige omstandigheden zenuwachtig en geprikkeld was, is het wel te begrijpen, dat zij mij afsnauwde.
Ik nam dit veel te ernstig op, was beledigd, brutaal en vervelend tegen haar, wat haar op haar beurt weer verdrietig stemde. Het was dus eigenlijk een heen en weer van onaangenaamheden en verdrietigheden. Prettig was het voor ons allebei zeker niet, maar het gaat voorbij.
Dat ik dit niet wilde inzien en veel medelijden met mezelf had is eveneens te begrijpen. De zinnen die zo heftig zijn, zijn enkel uitingen van boosheid, die ik in het gewone leven met een paar maal stampvoeten in een kamer achter slot, of schelden achter moeders rug botgevierd zou hebben.
De periode, dat ik moeder in tranen veroordeel, is voorbij.
Ik ben wijzer geworden en moeders zenuwen zijn wat gekalmeerd. Ik houd meestal mijn mond als ik me erger en zij doet dat eveneens en daardoor gaat het ogenschijnlijk veel beter. Want van moeder zó echt houden met de aanhankelijke liefde van een kind, dat kan ik niet, daarvoor mis ik het gevoel.
Ik sus mijn geweten nu maar met de gedachte, dat scheldwoorden beter op papier kunnen staan dan dat moeder ze moet meedragen in haar hart. Je Anne.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen