zondag 26 januari 2014

Selma Lagerlöf -- 27 januari 1873

Maandagmorgen. Alleen in de salon met Axel Oxenstierna

(Vandaag ben ik om zeven uur opgestaan, omdat ik zo veel buitengewoons te beschrijven heb, en bang ben dat ik er niet mee klaar kom voor 't ontbijt.) Het begon gisteren metéén na twee uur, toen ik voor het middelste raam in de eetkamer stond uit te kijken. Al ben ik nu alweer een week in Stockholm, toch kan ik niet nalaten me er nog steeds over te verwonderen dat het uitzicht zo heel anders is geworden dan vijf jaar geleden. Toen was er niets anders te zien dan een grote wildernis. Ja, niet een echte wildernis, ergens buiten in de vrije natuur, 't was eigenlijk een oude tuin die verwaarloosd was. Die lag daar zonder omheining of hek, zonder bloemen of perken, alleen hier en daar een scheefhangende boom. 't Was echt een ontzettende rommel, met grote bergen puin, zand, kalk, stenen en lelijke lange schuttingen.
Nu, dan ziet het er op 't ogenblik wel heel anders uit. Heel die oude tuin is veranderd in een groot, lang plein, dat 'Centralplan' heet. Aan de ene lange zijde ervan staat nog het grote Kirsteinshuis, dat er vijf jaar geleden ook stond. Ik herinner me dat huis heel goed, omdat de hertog van Östergötland, de broer van Karl XV, daar altijd naar toe reed, juist op deze tijd van de dag, en dan zaten wij hierboven altijd te kijken naar de prachtige, koninklijke equipage.
Aan de andere lange zijde, recht tegenover het Kirsteinshuis, ligt het Centraal Station, dat nog heel nieuw is. Het Centraal Station is een 'prachtuitvinding', zoals Elin Laurell altijd zegt, want vroeger moest je helemaal naar Söder als je met de trein wilde. Maar 't is niet alleen geriefelijker om zo dicht bij het station te wonen, 't is om een heel andere reden ook prettig. Wanneer het bijvoorbeeld zou gebeuren dat een zekere student op een zondag niets te doen had en naar Stockholm ging, dan zou het niet onmogelijk zijn een glimp van hem op te vangen wanneer hij, uit het station komend, het Centralplan overstak.
Niet dat ik verliefd ben op die student, dat ben ik echt niet. Maar hij was zo aardig, zo knap, zo vriendelijk, dat het voor mij een grote troost zou zijn als ik hem nog eens zag.
Maar toen riep tante vanuit de salon: 'Selma, waarom sta jij daar in je eentje? Kom toch hier bij ons!'
Het was namelijk zo: twee van tantes beste vriendinnen, mevrouw B., de vrouw van een raadsheer, en juffrouw S. waren een ogenblik tevoren op visite gekomen en zouden nu een kopje koffie blijven drinken. Ik herinnerde mij hen best van de vorige keer en mevrouw B., die erg mooi is, en vriendelijk tegen alle mensen, zei dat zij zich mij ook herinnerde, juffrouw S. is niet mooi en niet vriendelijk, maar erg chic, en het kwam niet in haar op tegen mij te zeggen of zij zich mij al of niet herinnerde; maar ik ben toch het meest gesteld op juffrouw S. omdat zij altijd iets zegt waarover ik later nog moet nadenken. Het is bijna even prettig om naar haar te luisteren als naar Elin Laurell.
Ik zat dus ook in de salon koffie te drinken, en vond het heel plezierig te horen hoe oom aan het kibbelen was met juffrouw S. Maar opeens schoot mij te binnen wat Barnmaja had gezegd en toen ging ik weer bij het middelste raam in de eetkamer staan.
Maar toen tante me weer riep, werd ik blij en ging gauw weer naar haar toe.
'En nu, lieve kind,' zei mevrouw B., 'moetje toch eens vertellen naar wie jij de hele tijd staat te kijken daar voor het raam.'
Zij lachte en stak tegelijkertijd waarschuwend de wijsvinger tegen mij op. Maar ik ben immers helemaal niet gewend dat men mij zulke dingen vraagt, zodat ik ontzettend verlegen werd en een kleur kreeg tot over mijn oren.
'Nee maar, zie eens hoe ze bloost!' riep mevrouw B., en schudde haar opgeheven vinger. 'Ja, zeg het nu maar!'
Maar ik kon toch niet aan haar en juffrouw S. en aan oom en tante zeggen dat ik had staan uitkijken naar een student uit Uppsala. Ik nam mijn toevlucht tot het eerste het beste en zei dat ik had staan wachten tot de hertog van Östergötland naar het Kirsteinshuiskwam rijden.
'Maar kind,' riep mevrouw B. 'Weetje dan niet, dat er geen hertog van Östergötland meer is? Hij werd toch koning, vorig jaar!'
Natuurlijk wist ik dat wel. Ik had gehoord dat Karl XV was gestorven en dat zijn broer hem was opgevolgd, 't Was erg dom gezegd, maar dat kwam doordat ik zo grenzeloos verlegen was, maar 't was in elk geval geen wonder dat alle vier zich achterover wierpen in hun stoelen en het uitschaterden.
'Dat wist ik niet,' zei juffrouw S., 'dat ze in Värmland zo slecht op de hoogte waren.'
'Ze heeft gelijk, dat koning Oskar vroeger altijd op het Kirsteinshuis kwam,' zei tante, terwijl ze de tranen in haar ogen droogde. 'Jullie weten, dat de muziekacademie haar bijeenkomsten daar hield en hij was jarenlang praeses. Maar sinds hij koning is, mag hij geen tijd meer besteden aan zulke bijbaantjes.'
Ik begreep dat tante mij wilde helpen. Maar de anderen bleven onbedaarlijk lachen. En toen liet ik hen weer alleen en ging bij het raam staan als tevoren.
Ik ging niet weg, omdat ik boos was. Ik durf niet meer echt boos te worden na die avond toen we met oom Wachenfeldt kaartten. Maar ik vond het beter om weg te gaan, voor ik meer domme dingen zou zeggen.
Stel je voor dat ik nog eens over de hertog van Östergötland zou praten, terwijl ik wist dat hij koning was. Dat kon nergens anders op uitlopen, dan dat ik naar huis gestuurd zou worden. Tante en oom zouden het onmogelijk met mij kunnen volhouden. Op één of andere dag zouden ze me eenvoudig naar het station brengen, een kaartje voor me nemen en me op de trein zetten.
Terwijl ik dat allemaal overdacht keek ik naar beneden, naar het Centralplan, om me voor te stellen hoe het eruit zou zien: aan de ene kant de heer Afzelius, mevrouw Afzelius aan de andere en ik daartussenin.
Maar wie was dat, die ik daar op 't Centralplan in het oog kreeg? Als dat de student niet was, met wie we in de trein gezeten hadden, Daniël en ik, toen we naar Stockholm gingen! Hij stond stil en keek naar boven, naar Klara Strandgata 7, alsof hij wist dat ik hier woonde.
Het was hem heel zeker. Ik herkende zijn grote, slappe hoed en de donkere ogen, de neus, de kin, en de hele verschijning. Ik klopte heel zachtjes tegen 't raam en knikte hem toe, en hij keek en herkende me metéén. Hij nam de hoed af en groette, en toen (ja, wat een geluk dat mevrouw B. niet net voor een van de ramen in de salon zat) zond hij mij een kushand.
En toen hij dat deed, was ik toch zo ongelooflijk blij. Ik kan niet beschrijven hoe blij ik was.
Te denken dat iemand mij een kushand toewierp, ik die zo dom en slecht ben!
Dat maakte mij goed en lief tegelijk. Al dat gedoe met Marit van Sotbraten was van de baan, voorgoed. Ik geloof dat ik de hele week had gewacht op die kushand.
Het was toch zo typisch. Nu wist ik dat alles weer goed zou worden. Nu was het niet meer vervelend om naar pianoles te moeten. En tante en oom zouden vast niet op 't idee komen om mij terug te sturen. Het bestond niet!
Ik was zo gelukkig dat ik iets liefs moest doen voor een ander, en daarom sloop ik weg, door de vestibule, de keuken en de kamer van de dienstmeisjes naar de kinderkamer. Daar zat de oude Ulla in haar eentje te dommelen over een krant, en ik vroeg haar of ze zin had om een spelletje mariage [kaartseplletej] met mij te doen.
Ulla keek naar mij, zette de bril af en keek nog eens.
'Werkelijk, ik kan haast niet geloven dat het kleine lieve meisje dat hier vijf jaar geleden logeerde, teruggekomen is,' zei ze.


Selma Lagerlöf (1858-1940) was een Zweedse schrijfster. Als 14-jarige hield ze tijdens een verblijf bij familie in Stockholm een dagboek bij.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen