zondag 26 januari 2014

Lucas Brouwers -- 26 januari 2013

Zaterdagochtend
Op de startbaan staat de vuurrode Dash-7 voor ons klaar. Piloot, co-piloot en monteur pakken onze koffers en rugzakken aan en snoeren ze vast onder een net van riemen en karabijnhaken in het laadruim. De voorraadkisten die bestemd zijn voor Rothera hebben ze daarvoor al ingeladen. De proviand bestaat vooral uit verse groenten en fruit. Wortels, knoflook, aardappelen, basilicum.
Het laagland van Patagonië maakt al snel plaats voor de bergachtige eilandenarchipel in het zuidelijkste puntje van Zuid-Amerika. Besneeuwde bergtoppen steken als ijsbergen boven de wolkenzee uit. Niet veel later zijn we zelf omhuld door de wolken. Alles wordt grijs.

Zaterdagmiddag
Na bijna vijf uur vliegen, dutten en lezen, leven de passagiers ineens op. „Daar! Is dat een ijsberg?” Als ik een poos door de grijze wolken tuur zie ik inderdaad een helder vlekje wit. Dan breekt het wolkendek open. Voor ons liggen honderden ijsbergen, als witte confetti over een donkerblauw tapijt uitgestrooid. Dikke ijsplaten spreiden zich uit tot ver aan de horizon. In de verte lonken bergen.
De aanvliegroute naar Rothera voert ons langs gletsjers, uitgestrekte ijsvlakten en bevroren bergen. Dan, tegen een kleine bergkam aangekropen, zie ik de Britse basis liggen.
We staan nog geen minuut op de grond, of het gebruinde, ruige hoofd van basiscommandant Matt Brown steekt om de hoek. Aan de rand van de landingsbaan krijgen we onze eerste veiligheidsles. Nooit ergens anders de baan oversteken. Altijd op sirenes en lichtsignalen letten. In een hoekje van de basis ligt een vijftal zeeolifanten te muffen en ronken in de zon.
In het hoofdgebouw krijgen we onze tweede les. Op het naambord van de hal moeten bezoekers en bewoners aangeven in welk gebouw of gebied ze verblijven. „Als er ergens brand uitbreekt en uit dit bord blijkt dat jij daar bent, ga ik mensen naar binnen sturen om je zoeken en redden.” De groep luistert met ontzag.
Het is twee uur. In de loods naast de werf hijsen we onszelf in een loodzwaar waterdicht pak. Eén voor één klimmen we in de Nimrod. Tegenover mij zit Patrick Rozema, een lange, joviale promovendus aan de Rijksuniversiteit Groningen. Achterin zit Mairie Fenton, klein, stoer en Schots. Rozema vertelt enthousiast hoe hij dagelijks in deze boten uitvaart, als het weer het toelaat, om watermonsters te nemen. Eén van de monsterpunten bevindt zich vlak voor de snel smeltende gletsjer in de baai. „Soms kun je delen van de gletsjer horen instorten”, zegt Rozema. Op dat moment horen we een doffe klap in de verte.
Op het water lijkt Brown wat te ontspannen. „Daar ligt Anchorage Island, dat is Lagoon Island en daar… Walvis! Ja, walvis!” Ik heb nog niets gezien, maar Brown laat onze Zodiac alweer over het water scheren. Als hij de boot stillegt, turen we gespannen over het kalme, zwarte water. Daar! Een gepokte rug rijst op en verdwijnt weer onder water. De jonge bultrug ist niet verlegen: onverwachts duikt de kleine reus vlak voor onze bootje op. Bij het ondergaan lijkt zijn staart de boeg te schampen.
Met 45 kilometer per uur stuiteren we langs ijsbergen en eilanden, steeds verder weg van de basis. We minderen alleen vaart als we Zuidpooldieren naderen. Luierende krabbenrobben, de stinkende broedplaats van koningsaalscholvers en een paar adéliepinguïns op de kust. Ondanks haar verkoudheid blijkt Mairi de roep van de adéliepinguïn uitstekend te kunnen imiteren. „Aaaahw”, roept ze hees. „AAAWK”, kraaien de vogels terug.

Zaterdagavond
Om half zeven verzamelt iedereen zich buiten. Het is Australia Day, en na de cricketwedstrijd tussen Engeland en de rest is het tijd voor een BBQ. Biertjes worden in de sneeuw gekoeld. Een expeditiebegeleider en timmerman braden burgers en worstjes in de striemende wind. Een beetje beschaamd vraag ik of er ook aan de vegetariërs is gedacht. „Sure, no worries mate. Kijk maar in die kruiwagen, onderin.”
„Waren jullie dat, vanmiddag in de baai?”, vraagt Tamsin Gray met een broodje in haar hand. Gray was de meteoroloog die ons al in Frankfurt voor het slechte weer waarschuwde. „Ik zat in die Twin Otter die overvloog, maar kon niet zo goed zien wie in de boten zaten. Ik was behoorlijk luchtziek, snap je.” Gray is vanmiddag samen met een piloot en technicus naar een ijskap aan de oostzijde van het Antarctisch schiereiland gevlogen, om de gegevens van een automatisch weerstation te downloaden.
De BBQ-bewakers leggen steeds minder vlees op de BBQ en steeds meer hout. Alleen dichtbij het vuur is het nog warm, elders snijdt de wind dwars door mijn vier lagen kleding heen. Zeebioloog Belinda Vause vraagt of ik haar oranje boilersuit wil lenen. Zij gaat toch naar binnen, terwijl ik en een paar anderen nog een avondwandeling rond de basis gaan maken.
Groepjes adéliepinguïns kijken nieuwsgierig toe, terwijl wij over de rotsen klauteren. Bovenop de klif zien we de monumenten voor diegenen die tijdens hun werk op Antarctica zijn omgekomen. Er is er eentje voor Kirsty Brown, de duiker die tijdens het snorkelen door een zeeluipaard onder water werd gesleurd en verdronk. Er staat een kruis voor het tweetal dat in 1981 met skidoo en al in een gletsjerspleet is gestort. Een plaquette voor de piloten die begin jaren 90 vlak na het opstijgen zijn gecrasht.
Vanochtend hoorden we dat een vliegtuig dat boven Antarctica vermist is geraakt is teruggevonden. De bemanning heeft het ongeluk waarschijnlijk niet overleefd.
Daarboven, uitkijkend over de zwarte baai, de blauwe ijsbergen en witte bergen zie ik Antarctica op haar mooist. Onheil lijkt ver weg. Ik denk aan wat piloot Meredith gisteren tegen mij zij: „Niets aan Antarctica is gewoon. Niets is vanzelfsprekend. Je geeft haar een duimbreed, en zij neemt je leven.”


Begin 2013 werd het eerste Nederlandse lab op Antarctica geopend. NRC-redacteur Lucas Brouwers was erbij en hield een dagboek bij.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen