woensdag 17 juli 2013

Jacob Keller -- 18 juli 1918

Vandaag stierf onzen hond. ‘t Trouwste dier dat ooit onzen weg kruiste. We treuren om het dier alsof het een lid van ons gezin was. Dikwijls hebben gespot om oude sentimenteele juffrouwen die hun hondjes vertroetelen, ze angstig bewaken en bij hun dood treuren en over een begrafenis denken. Maar in het vervolg spotten we daar niet meer mee. Mijn vrouw schreit en schaamt zich voor haar tranen niet. En ik, ‘t beneden mijn mannelijke waardigheid achtend, om een hond te wenen, ik houd me flink maar ik heb toch een eigenaardig gevoel in mijn zenuwgestel. Ik gevoel dat ik iets verloor dat niet vergoed of vervangen kan worden. Want een hond als deze was, komen niet veel voor, ‘t zou dus een wonder zijn als we er ooit zoo een kregen.

Hij stierf ten gevolge van een zonnesteek. Reeds maandag en dinsdag werd hij niet goed. ‘t Scheen dat hij niet tegen de zon kon. Had ik hem toen maar vastgelegd, dan had het misschien goed afgelopen. Maar hij ging mee met mij naar het hooiland, zooals hij altijd deed en hij volgde mij achter den hooihark tot hij niet meer kon. Hij kreeg verlammingsverschijnselen en stierf vanmiddag.

Nooit heeft hij iemand een wonde van beteekenis gebeten uit eigen beweging. Maar één woord van mij was voldoende om hem te doen aanvallen en één handbeweging om hem weer te bewaren. Hij behoorde tot het herdersras. Hij is te zien op de nieuwe foto’s die van de steê genomen zijn. Tot ver in de omtrek was onze hond bekend. Zijn goede hoedanigheden werden besproken en overdreven. De wonderbaarste dingen werden van hem verteld. Vele van vrienden en bekenden schaften herdershonden aan in de hoop er een te treffen die den onze evenaarde maar niet een is nog geslaagd. Zijn dood werd overal besproken. b.v. Vanmorgen ontmoette een man hier van den dijk den broeder van mijn vrouw te Maasdam per fiets. En in ‘t voorbij rijden riep hij, zonder te groeten, met een gezicht van iemand die Jobstijdingen verbreid: “De hond van je zwager is dood.”

Inderdaad grensde het begripsvermogen en de moed van dezen hond aan het ongelooflijke. Nog maar een poosje geleden b.v. had ik een kip die niet meer lopen kon. Ik gaf hem in een zakje mede aan een arbeider van ‘s Gravendeel. Toen de man het eerste weitje al voorbij was beval ik den hond de kip terug te halen. Hij onmiddelijk de man nagerend, deze met alle respect voor het hondengebit zette haastig zijn zakje neer en stelde zich achter een boompje verdekt op. De hond nam de zak met inhoud en bracht die bij mij, alles was besteld in korter tijd dan ik noodig heb dit te schrijven. Verder, ik had om deze tijd twee toomen kippen. W. Leghorns in den boomgaard en W. Orpingtons voor op de werfd. Zonder daartoe aangezet behoeven te worden, dreef hij de kip die over de plank verdwaalde terug naar de boomgaard en de Orpington die de schuur eens rond wilde wandelen terug naar zijn hok. Zoo er een kip of haan geslacht was en dat boutje hing in de schuur aan een touwtje, dan was ‘t niemand geoorloofd daar aan te komen, anders werd hij met een weerhaak in de broek gewaarschuwd. En wat zijn moed aangaat, een koppel loeiende op hem af komende koeien achtte hij de moeite niet waard. Hij week behendig uit voor de hoorens, maar beet terwijl vinnig in de ooren. Liep geen duim verder uit de weg dan noodig was en vermoeide op die manier de koeien. Maar zette ik hem op tegen een koe of os die uit de weide was gegaan. Dan vloog hij dat dier woedend aan en beet ‘t in de zijde. Het bang geworden beest vluchtte dan gewoonlijk in woedende vaart naar de koppel terug telkens gebeten door de naast hem hollende hond. Dat was een ijzig schouwspel.

Ik eindig over mijn hond want het beest is dood.


* Dagboekfragmenten van Jacob Keller (1872-1956)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen