zaterdag 2 mei 2020

Pieter van der Meer de Walcheren • 2 mei 1908

Pieter van der Meer de Walcheren (1880-1970) was een Nederlandse dichter-schrijver. Zijn veelgelezen dagboeken zijn in verschillende delen uitgegeven.

2 Mei
De lente is ontzaglijk schoon, dit jaar. Ik sta ontroerd voor het wonder van dit jaargetijde; alles bloeit opnieuw, alles gaat weer pralen. Waar komt dat nieuwe leven vandaan? Kennis gemaakt met C, een sympathiek man, doch daar er dien avond meer bezoekers waren, was er geen gelegenheid diepere dingen te beroeren. Wij maakten muziek, met Martha speelde ik eenige gedeelten uit de Hohe Messe. Vooral de inzet is prachtig, die hartstochtelijke en klagende roep tot God om erbarmen: Kyrie eleison.

16 Mei
Gisteren den ouden man ontmoet. Wat beduidt het leven van dezen mensch? Geteisterd door onnoembare rampen, is hij nu ook verwoest naar lichaam en ziel. Zooals van sommige wezens een straling uitgaat, een vrede en een zachte weldoende gloed, voelt men rond dezen man het onheil waren. Hij stamt uit een oude patricische familie die eertijds een paleis bewoonde. De neergang van dit geslacht is een hartverscheurend verhaal; er rust een vloek op hen, onverbiddelijk worden zij geslagen door het noodlot. De laatste afstammeling is een arbeider, nog wel als heer gekleed, maar zonder eenig hoog verlangen, zonder adel van geest, bot, stompzinnig, wiens ideaal is om uiterst spaarzaam het noodige geld bijeen te sparen en daarvan — o droom! — een huisje te koopen. Een duffe, geest-beklemmende burgerlijkheid heerscht in hun woning en in hun zielen.

vrijdag 1 mei 2020

Richard Strauss • 1 mei 1945

Richard Strauss (1864-1949) was een Duitse componist. Hieronder een fragment uit een brief die hij schreef aan zijn biograaf Willi Schuh. Opgenomen in Walter Kempowski's imposante dagboekverzameling Zwanenzang 1945. Een collectief dagboek - van Hitlers laatste verjaardag tot de bevrijding. (Vertaling: Gerrit Bussink en Izaak Hilhorst.)

Garmisch
Op 30 april is Garmisch door Amerikaanse troepen bezet. Nadat een majoor had verklaard dat er niemand in mijn huis zou worden ingekwartierd, kwam om 11 uur majoor Kramers, die zonder naar diens weerwoord te luisteren mijn zoon beval het huis binnen 15 minuten te ontruimen, met zijn zieke moeder, Richard (mijn kleinzoon) wilde me niet naar buiten laten gaan zodat ik me niet zou opwinden, maar ik liep naar de auto, zei tegen de jonge majoor alleen wie ik was en dat ik de componist was van de 'Rosenkavalier' en 'Salome', waarop hij onmiddellijk voorkomend werd, me een hand gaf en 2 minuten later was alles in orde. [...] Ik heb iedereen een foto gegeven en tot slot de Rosenkavalierwals gespeeld, kortom: aanval succesvol afgeslagen door het hoofd te gebruiken.

woensdag 29 april 2020

Albert Helman • 30 april 1955

Albert Helman (1903-1996) was een Nederlandse schrijver. In 1955 trok hij naar de binnenlanden van Suriname. Zijn reisjournaal van die tocht is gepubliceerd als Het eind van de kaart.


Zaterdag
(...) Ten slotte, als het al volop middag is en we de nodige natte pakken hebben gekregen in de stroomversnellingen die we moesten doorworstelen zonder dat wij de boot konden verlaten, arriveren we weer bij het zuidelijkste Djoekadorp, Granbori, waar we ons netjes hebben aan te melden ten bewijze dat wij veilig en wel uit de onbewoonde wereld, de geestenwereld der Indianen, zijn teruggekeerd. Hiermee voelen de Granboriërs zich kennelijk van elke verantwoordelijkheid voor ons verlost. Heeft men ze in het verleden niet al te onrechtvaardig beschuldigd van gebrek aan behulpzaamheid?

Boven en beneden aan de waterkant staan opnieuw alle vrouwen; het zijn er meer dan toen wij de vorige maal passeerden. De jonge Eva's schertsen, de oudere bedelen om tabak en argumenteren tegen ons mannen: ‘Vergeet niet dat wij het zijn die jullie gemaakt hebben,’ - want het zijn uiteraard de aanvalligste, die het meest van de arbeiders gedaan krijgen.

De schoonheidscanon voor vrouwen is bij de bosneger heel anders dan bij ons. Ofschoon een slank efeben-type onder hun jongedochters vrij veelvuldig voorkomt, voelen zij meer voor een gezette volboezemige lichaamsbouw. De zwangere en zogende vrouwen worden ondanks hun onesthetisch lang hangende borsten met bijzondere consideratie bejegend. En ze koketteren voortdurend met deze nutritieve lichaamsdelen.

Vermoedelijk is de sterk gerekte vorm die hun boezem al gauw heeft en die ons lelijk voorkomt, minder te wijten aan het lange zogen, dan wel aan de vele schuddende bewegingen die de vrouwen maken bij het dagelijks stampen van het voedsel en het ‘slaan’ van de was. Immers, die wordt aan de waterkant gebeukt met korte ‘kodja's’ (knuppels) waarvan sommige exemplaren fraai bewerkt zijn aan het handvat.

De meisjes daarentegen, die tot aan hun huwbaarheid ook met de onderhelft van hun lichaam volkomen naakt en schaamteloos rondlopen, zijn ook daarna, wanneer ze slechts een korte lendendoek om de heupen dragen, in onze ogen prachtig van gestalte en met welgevormde borsten, maar zó weinig beachtenswaardig voor de zwarte kenner, dat ze zich meestal bescheiden en verlegen op de achtergrond houden. Hun boezem hangt nog niet zwaar genoeg omlaag om te kunnen bekoren, ze hebben nog niet de veelgeprezen ‘kwattabobi’ (borsten van de kwatta-aap) waarvan de ware sex-appeal uitgaat, die ook aan een zo dik mogelijk achterwerk wordt toegekend.

Bepaald onschoon in onze ogen is de lordosis, een sterk S-vormige rughouding die veel voorkomt - met naar voren gedrukte buik en achteruitgestoken billen - zowel bij de jongere vrouwen als bij die van middelbare leeftijd. Ze gaan opzettelijk nog wat geforceerder zo staan als ze erg veel indruk willen maken, waarschijnlijk ook om hun levenslange versiering met lichaamstatoeages duidelijk te vertonen. Hun lendendoek reikt tot even boven de knieën, maar bij het koketteren wordt hij open en dicht geslagen (en laat dan een kort schaamschortje aan een koord zien) en soms voor een minuut of zo over de boezem geslagen, om dan weer daaronder vastgezet te worden. Ze zijn koketter dan welke westerse modepop op een show of een beauty-contest.

Mannen zowel als vrouwen zijn vaak op het gezicht, vooral bij de mondhoeken en op het lichaam, bij voorkeur op de buik en boven de billen, getatoeëerd door kleine inkervingen, zodat er keloïdvorming ontstaat. Dit zijn immers de plaatsen die het meest voor streling in aanmerking komen, hetgeen speciaal opwindend schijnt te werken.

Heel veel werk wordt door de jonge vrouwen, en soms ook door de mannen, van hun kapsel gemaakt. Het haar wordt zorgvuldig in kleine toefjes gescheiden en gevlochten, zodat ze als horentjes aan alle kanten uitsteken op het hoofd, en daarmee worden de kunstigste patronen gevormd, die een uitgesproken ‘persoonlijkheid’ aan de drager of draagster verschaffen. Als verdere opschik hebben ze dikwijls witte of gekleurde kralen om de hals, zilveren, koperen of kralen armbanden, ook wel windsels boven de kuiten bij feestelijke gelegenheden, evenals kralen om de enkels. Metalen vinger- en oorringen komen vaak voor. Een bontgestreepte, met twee punten over een schouder vastgeknoopte omslagdoek voltooit het ‘deftige’ toilet. Bij het werk is een lange lendendoek het maximum.

Schonen laten zich dagenlang verbidden, aleer zij hun gunsten toestaan (begi) en deze vrijage vindt dan zijn bekroning in de hangmat, waarin de man onder ligt en de vrouw boven op hem kruipt. Hij wordt geen echte man geacht, als hij niet ten minste driemaal achtereen (eventueel met een tussenpoos van een half uur) doet wat des mans is. Dikwijls vertonen de vrouwen een soort van hysterisch gedrag, want de mannen zijn vaak afwezig. Ze zijn dan lastig en onhebbelijk voor hun omgeving, - kennelijk neurotisch.

De mannen hebben op allerlei plaatsen hun vriendinnen. Dit blijkt nu ook vandaag het geval te zijn met zulke arbeiders als Kewali en Kajo, die bij verschillende dorpen onderweg vanaf de oeverwal door vrouwen begroet worden. Telkens gaan onze bosnegers aan land om een zuster of vrouwszuster - dit geloven we dan maar - even op te zoeken. Ze brengen er kleine geschenken naar toe en nemen er kleine geschenken, meestal in de vorm van voedsel, mee vandaan. Vooral ‘kwak’, de als Amerikaanse ‘grape-nuts’ gebakken, zurig smakende maar toch lekkere casave, die in deze vorm maandenlang bewaard kan worden. Dikwijls krijgen ze ook een kleurig zakje van katoen mee, met zowat een kilo rijst.

De uitwisseling van zulke geschenken schijnt bij hun liefdeshandel een grote rol te spelen. De intieme begroeting gebeurt door een korte omhelzing, waarbij de rechterarm om de lenden geslagen wordt.

Met deze bezoeken raakt natuurlijk de nodige tijd gemoeid, des te meer omdat ze telkens afgewisseld worden met het trekken door een val of het scharrelen door een stroomversnelling, - meestal een natte bedoening, want de meeste dorpen liggen óf vlak boven, óf vlak beneden zo'n val, vanouds ter bescherming tegen overvallers (slavenjagers) uit de stad. Een van de moeilijkste vallen op dit traject blijkt de Grien-kasaba (geraspte casave) waar onze ‘Oppoliba’ op een rots vast raakt en maar heel moeilijk, door terugschuiven tegen het stortende water in, vrij te krijgen is. Een van de andere vallen hier heet Aduma-singi (Aduma zingt) als een zoveelste bewijs hoeveel mooier en dichterlijker de inheemse namen zijn, dan de fantasieloze Europese, met hun stompzinnige persoonsverheerlijking.
[...]

dinsdag 28 april 2020

José Saramago • 29 april 1993

• De Portugese schrijver (en Nobelprijswinnaar) José Saramago (1922-2010) hield vijf jaar lang, van 1993 tot en met 1997, een dagboek bij dat gepubliceerd werd onder de titel Cadernos de Lanzarote. Een keuze daaruit werd (vertaald door Harrie Lemmens) gepubliceerd in Bzzletin.

29 april 1993
Bij de première van Blimunda, de toneelbewerking van Memoriaal van het klooster, heb ik voor het programmaboekje een tekst geschreven die ik als titel meegaf: ‘Het lot van een naam.’ Door twee brieven, van mijn dochter en mijn kleindochter, moest ik weer denken aan namen en wat die inhouden. Ik heb al eerder verteld hoe het komt dat ik Saramago* heet: dat Saramago de bijnaam van mijn familie was; dat toen mijn vader aangifte van mijn geboorte ging doen, de ambtenaar dronken was en zonder dat mijn vader er weet van had Saramago toevoegde aan de naam die ik eigenlijk moest krijgen, José de Sousa; dat daardoor, dankzij een plan van de schikgodinnen, de naam ontstond waarmee ik mijn boeken teken. Het was een geluk dat ik niet ter wereld ben gekomen in een van de families in Azinhaga die toen en ook vele jaren later nog rondliepen met vernederende obscene bijnamen als Pichatada (Piemeltje) en Curroto (Dekhengst) ... Ik betrad het levenspodium met die naam Saramago zonder dat mijn familie het wist. Pas toen er een geboorteoorkonde vereist was bij mijn inschrijving op de lagere school, werd het oude geheim ontdekt, tot grote verontwaardiging van mijn vader, die een hekel had aan zijn bijnaam. Maar het ergste was nog dat de instanties wilden weten hoe het kwam dat mijn vader José de Sousa heette en een zoon had wiens volledige naam José de Sousa Saramago luidde. Om ervoor te zorgen dat alles netjes in orde was, zat er voor mijn arme, geïntimideerde vader niets anders op dan zijn eigen naam te laten veranderen in José de Sousa Saramago, net als zijn zoon. Na zoveel wederwaardigheden, tegenslagen en smaad te hebben overleefd zou je denken dat die tweemaal tot achternaam gepromoveerde bijnaam een lang leven van vele generaties beschoren zou zijn. Nee. Mijn Violante en mijn kleindochter Ana heten allebei Matos, naar man en vader. Vaarwel dus Saramago.

* "Saramago", the Portuguese word for Raphanus raphanistrum (wild radish), was his father's family's nickname, and was accidentally incorporated into his name upon registration of his birth.

maandag 27 april 2020

Luise Rinser • 28 april 1986

• Luise Rinser (1911-2002) was een Duitse schrijfster en politiek activiste. Ze publiceerde verschillende boeken met dagboekaantekeningen.

Tsjernobyl. Op 25 april voorlezen uit eigen werk in het theater in Tübingen. Slecht voorgelezen, moeizaam, merkwaardig geblokkeerd. Op de 26e net zo, op de 27e nog erger. Ik voelde mij ziek en toch niet. Er spookte iets vreemds in mij rond, ongrijpbaar, ik had blauwe lippen. Omdat ik aardbevingen, ook ver verwijderde, voel aankomen, dacht ik dat dat het was, maar het was het niet: de 27e 's nachts hoorde ik het bericht van de ramp in Tsjernobyl. Langs welke wegen komt zo'n voorgevoel tot stand? Als je je de tijd niet meer als een lijn voorstelt waarbij de dingen eerder en later komen, dan begrijp je verschijnselen als telepathie. Tijd is gelijke-tijd, gelijktijdigheid. Alles bestaat altijd, alles kan altijd geweten worden, verleden en toekomst. Maar wij zijn niet gewend alles tegelijk te zien. Alleen bijzonder gevoelige en in die kennis geoefende mensen kunnen dingen die in ruimte en tijd ver weg zijn als nu aanwezig ervaren. Het kan natuurlijk zijn dat ik geen telepathische ervaring had, maar heel gewoon de radioactiviteit voelde als een lichamelijke belasting.
Of ik bang was toen de gebeurtenis in de Oekraïne bekend werd? Bang voor het geval Tsjernobyl en zijn gevolgen? Zo niet. Niet voor het geval Tsjernobyl. Dat is er maar één van de vele die gebeurd zijn en die verborgen zijn gehouden of gebagatelliseerd zijn. Al lang kunnen we weten (als we het niet verdringen) dat het aantal kankergevallen in de buurt van kerncentrales in Engeland en in de VS onrustbarend toeneemt, vooral bij kinderen die aan leukemie sterven. Ja, ja, we weten het, maar de beschaving eist nu eenmaal offers. Toen ik in Indonesië was, werd mij verteld dat ze daar tot voor kort bij de bouw van een brug een kind (of enkele kinderen) levend inmetselden: offers aan de goden. Dat schokt ons, nietwaar? Wij offeren vele duizenden kinderen bij de bouw van kerncentrales, wij offeren hen aan een afgod die technische vooruitgang heet. Wat zijn wij toch voor duivels. En wat dwaas. We offeren immers onszelf.
Was ik dus bang? Ja, voor onze hybris. Bang was ik toen ik las dat de Amerikanen hun nieuwe bemande ruimteschip Challenger hebben genoemd: uitdager. Wie daagden ze uit? De challenge werd beantwoord met de vernietiging van de raket en de dood van zeven mensen. Een heel ander soort angst had ik toen ik hoorde dat de Bondsrepubliek van de Sovjet-Unie een hoge schadevergoeding heeft geëist voor de besmetting van gras en melk. Als alle volkeren die wij helpen met onze wapens (ook gifwapens) of met steun aan vreemde oorlogen door wapenleveranties, eens volledige schadevergoeding van ons zouden eisen? Als wij al het leed dat wij direct en indirect over andere volkeren hebben gebracht eens met geld moesten betalen? Ik schaam mij voor de kleinzieligheid van onze regering. Hier is toch alleen meegevoel op z'n plaats, want de arbeiders die in Tsjernobyl zijn gestorven of in elk geval ziek geworden, zijn mensen en onze broeders. Zo verdorven is ons politieke denken. Daarvoor, en voor de gevolgen, ben ik bang.
Ik had te doen met Gorbatsjov. Het was zijn schuld niet, maar het is toch bekend hoe politieke verdachtmaking functioneert. Een buitenkansje is het geval Tsjernobyl voor de antisovjet-, de antisocialistische pers. En nuttig voor de VS omdat het de aandacht van de ernstige interne problemen afleidt.
Opnieuw de vraag naar mijn angst. Voor mij dus: nee; zo eenvoudig niet. Maar toen ik een paar dagen na het bekend worden van de zaak door mijn tuin liep en mijn hond gras wilde eten, zoals alle honden doen om hun darmen te reinigen, riep ik: 'Nee, geen gras eten, dat is vergiftig! Dat was net zoals in het sprookje van Broertje en zusje: 'Drink niet uit de beek, anders word je een ree.'
Als dat alles was, een ree worden. Geen gras eten, anders eet je vergif!
Toen ik naar mijn rozen keek, die dit jaar opvallend rijk bloeien (radioactieve invloed?) dacht ik: Weten jullie, schoonheden, dat jullie met radium besmet zijn? Hoe lang zullen jullie daar weerstand aan bieden?
En een paar dagen later in Rome: hoe anders keek ik naar de mensen, naar die duizend onbekenden: jullie ten dode opgeschrevenen, jullie dragen de kanker in je, jullie zelf en jullie kinderen. Wij allemaal. We zitten allemaal in hetzelfde zwarte schip, dat naar het dodeneiland vaart.
Nooit eerder heb ik zoveel van de mensen gehouden.
(...)

zondag 26 april 2020

Dorothee • 26 april 1995

Dorothee uit Duitsland was in 1995 zestien jaar oud.

26. April 1995

BRAD PITT! Scheiße!

Ich hätte den Fernseher nicht einschalten dürfen! Ich bin im Moment total hip auf Brad. Seit ich "Legends of the fall" gesehen habe und dann hab ich so'n Bericht über ihn gelesen mit total süßen Bildern und nem Bericht, wo drin stand, dass er solo wäre. Ich kann gar nicht mehr klar denken.

Naja, gerade eben kam was über ihn im Fernsehen und er sah wieder so verdammt gut aus, dass ich fast ausgeflippt wäre, außerdem war er in Begleitung von seiner Freundin, nem Model. Ich bin jetzt voll aufgeregt und kann nur noch an ihn denken. Ich fand das früher immer albern, dieser Star-Fanatismus, aber was soll ich denn machen?

ICH ZIEHE NACH AMERIKA!!!

Bitte, bitte mach, dass ich später nach Amerika ziehe.

Scheiße!

Edmond en Jules de Goncourt • 25 april 1858

Edmond de Goncourt(1822-1896) en Jules de Goncourt (1830-1870) waren Franse schrijvers en critici, en initiatiefnemers van de zeer prestigieuze Prix Goncourt. Ze hielden samen een (inmiddels zeer beroemd) dagboek bij, dat Edmond na de dood van Jules in zijn eentje voortzette. Vertaling door Leo van Maris.

25 april
Bij Norblin geweest, een echte kunstliefhebber, de stut en steun van handelaren en veilingen. Een klein bescheiden interieur, met een heleboel kinderen en geheel gevuld met tekeningen van Claude Lorrain van vijfhonderd frank. Hij laat ons zijn rijke collectie Hollandse meesters zien; werken van Jan Steen waar hij heel veel geld voor heeft betaald. Al die meesters vervelen me; ik denk aan de mensen die hun uiterlijk aan al die apentronies hebben gegeven en daar zie ik ze dan, gemeen, gedrongen, met grote achterwerken, in de schoorsteen pissend, hun muts op één oor, met hun bakkersjasje aan en hun voorschoot waarmee ze voor de trog staan, – lelijk en slecht opgevoed zoals bij Teniers, en eveneens verstoken van enig schoonheidsideaal.