• De Franse componist Claude Debussy (1862-1918) schreef onderstaande woorden aan componist-dirigent André Messager. De genoemde Amerikaanse is ene Elisa Hall; haar arts had haar vanwege haar slechthorendheid aanbevolen saxofoon te gaan spelen. Zij gaf opdrachten voor composities voor dat instrument aan Vincent d’Indy, Gabriel Fauré, André Caplet en Debussy. Uit: Hartstochtelijk houd ik van muziek (vertaald door Lucas Bunge)/
Maandag 8 juni 1903
Nu is het mijn beurt om u schandelijk te laat te antwoorden...! En dit is de reden: een dame die ontevreden is, dat ze Amerikaanse is, en die zich de merkwaardige luxe veroorlooft om saxofoon te spelen, heeft bij mij enkele maanden geleden door tussenkomst van G. Longy een stuk voor orkest en obligate saxofoon besteld... ik weet niet of u zich tot dit instrument aangetrokken voelt, maar ik was de speciale klank ervan zo vergeten dat ik deze ‘bestelling’ ook op slag vergeten ben. Maar de vasthoudendheid van Amerikanen is spreekwoordelijk en... de dame met de saxofoon is acht of tien dagen geleden in Parijs, rue Cardinet 58, komen aanwaaien om mij te vragen hoe het met haar stuk ging! – Natuurlijk heb ik haar bevestigd dat het na Ramses II datgene was waar ik het meest aan dacht. – Ik heb er dus toch aan moeten beginnen en daarom ben ik nu wanhopig op zoek naar nog niet vertoonde klankcombinaties die zich het best lenen om dit aquatische instrument tot zijn recht te laten komen. Het stuk zal Rapsodie orientale heten (een betere titel heb ik nog niet). Ik heb net zo hard gewerkt als in de goede tijden van Pelléas en ik heb het ochtendgloren aanschouwd met een kater!
woensdag 7 juni 2023
dinsdag 6 juni 2023
Matthieu Galey • 7 juni 1980
• Matthieu Galey (1934-1986) was een Franse schrijver. Zijn na zijn dood (hij overleed aan ALS) verschenen Dagboek (vertaald door Joop van Helmond) wordt als een literair meesterwerk beschouwd.
7 juni. Amsterdam
Het is vijf uur. De losbol keert huiswaarts, gebroken door zijn arbeid. Maar wat een beloning, deze stad bij het ochtendgloren, donkerroze tegen een bleke, blauwgrijze lucht. Je bevindt je in een nog slecht verlichte Vermeer in een obscure zaal van een of ander museum in de provincie.
Het koninklijk paleis, afzichtelijk, triest gebouw — zelfs nergens een tuintje — met een klein deurtje in de achtergevel, zo'n klein deurtje dat het slechts kan dienen als vluchtweg voor de vorsten in het geval van een revolutie. Ik begrijp best dat de koningin daar niet wil wonen, domweg uit bijgelovigheid.
In de Oude Kerk dragen bepaalde zerken slechts een nummer. Bewonderenswaardige nederigheid. Stel je voor, het laatste oordeel als een lotto...
Dit volk bezit iets vreemds, origineels, onafhankelijks. Uit de kleding, de houding, uit alles spreekt een bijzondere persoonlijkheid, die je niet vindt bij de Belgen, noch bij de Duitsers. Vanwaar dat verschil? Misschien stelt de eeuwenlange geschiedenis die ze achter zich hebben hen in staat niet toe te geven aan conformisme, zoals heel rijke mensen de elegantie van de kleermaker vervangen door de chique van een oud, versleten colbert.
Echt gelukkig deze drie dagen. Hervonden jeugd, hier was ik niet doorzichtig. Wandelend in het Vondelpark vrijdagmiddag, kwam de herinnering aan die tochten naar huis bij me boven, vierentwintig jaar geleden, op de bagagedrager van de fiets van Emar. Halflege banden die heen en weer slingerden over de klinkers van de straten. En vanavond heb ik Emar ontmoet in een bar! Het gezicht nog zeer gelijkend, ondanks de kaalheid, maar opgemaakt als een ouwe hoer — wat vloekte met zijn macho-uitmonstering — en dat opgedirkte gezicht boven een enorme pens zelfvoldaan uitgestald in een T-shirt... Hetzelfde gold voor een andere jongen, die tegenwoordig in een sauna werkt, wiens tatoeage ik herkende — een blauwe vogel op zijn linkerborst — op een ook bij hem in omvang verdubbeld lichaam. Te weten dat hij amper tien jaar geleden danser was.
Waarna ik de avond heb doorgebracht met de charmante Boris, geboren in het jaar dat ik Emar leerde kennen... Recapitulatie: een Fransman... Gérard, 's nachts — de volgende ochtend een kapper uit Nijmegen, 's Middags Boris... en daarna, Aristoteles 's avonds.89-2015>
7 juni. Amsterdam
Het is vijf uur. De losbol keert huiswaarts, gebroken door zijn arbeid. Maar wat een beloning, deze stad bij het ochtendgloren, donkerroze tegen een bleke, blauwgrijze lucht. Je bevindt je in een nog slecht verlichte Vermeer in een obscure zaal van een of ander museum in de provincie.
Het koninklijk paleis, afzichtelijk, triest gebouw — zelfs nergens een tuintje — met een klein deurtje in de achtergevel, zo'n klein deurtje dat het slechts kan dienen als vluchtweg voor de vorsten in het geval van een revolutie. Ik begrijp best dat de koningin daar niet wil wonen, domweg uit bijgelovigheid.
In de Oude Kerk dragen bepaalde zerken slechts een nummer. Bewonderenswaardige nederigheid. Stel je voor, het laatste oordeel als een lotto...
Dit volk bezit iets vreemds, origineels, onafhankelijks. Uit de kleding, de houding, uit alles spreekt een bijzondere persoonlijkheid, die je niet vindt bij de Belgen, noch bij de Duitsers. Vanwaar dat verschil? Misschien stelt de eeuwenlange geschiedenis die ze achter zich hebben hen in staat niet toe te geven aan conformisme, zoals heel rijke mensen de elegantie van de kleermaker vervangen door de chique van een oud, versleten colbert.
Echt gelukkig deze drie dagen. Hervonden jeugd, hier was ik niet doorzichtig. Wandelend in het Vondelpark vrijdagmiddag, kwam de herinnering aan die tochten naar huis bij me boven, vierentwintig jaar geleden, op de bagagedrager van de fiets van Emar. Halflege banden die heen en weer slingerden over de klinkers van de straten. En vanavond heb ik Emar ontmoet in een bar! Het gezicht nog zeer gelijkend, ondanks de kaalheid, maar opgemaakt als een ouwe hoer — wat vloekte met zijn macho-uitmonstering — en dat opgedirkte gezicht boven een enorme pens zelfvoldaan uitgestald in een T-shirt... Hetzelfde gold voor een andere jongen, die tegenwoordig in een sauna werkt, wiens tatoeage ik herkende — een blauwe vogel op zijn linkerborst — op een ook bij hem in omvang verdubbeld lichaam. Te weten dat hij amper tien jaar geleden danser was.
Waarna ik de avond heb doorgebracht met de charmante Boris, geboren in het jaar dat ik Emar leerde kennen... Recapitulatie: een Fransman... Gérard, 's nachts — de volgende ochtend een kapper uit Nijmegen, 's Middags Boris... en daarna, Aristoteles 's avonds.89-2015>
maandag 5 juni 2023
Robert Graves • 6 juni 1915
• De Britse schrijver Robert Graves (1895-1985) was soldaat in WO 1. In Dat hebben we gehad (vertaald door Guido Golüke) zijn ook een aantal dagboekfragmenten van hem uit die periode opgenomen.
In 1916 zou hij zelf zwaargewond raken tijdens de bijna vijf maanden durende Slag aan de Somme, waarbij meer dan een miljoen doden en gewonden vielen.
6 juni. We zijn ingekwartierd in Béthune, een vrij grote stad ongeveer tien kilometer achter de frontlijn. Er is alles wat je je kunt wensen: een zwembad, allerlei winkels, vooral een banketbakkerij, de beste die ik ooit heb gezien, een hotel waar je echt goed kunt eten, en een theater waar we brigadevoorstellingen hebben. Ik zag vanmorgen een aanplakbiljet op de muur van een gebouw aan het kanaal van Béthune naar La Bassée: 'Op last van de plaatselijke commandant is het de troepen verboden vissen te bombarderen.' Béthune heeft heel weinig schade geleden, behalve de wijk Faubourg d'Arras, bij het station. Ik ben ingekwartierd bij de familie Averlant Paul in de Avenue de Bruay, mensen van de ambtenaarsstand: vluchtelingen uit Poimbert. Ze hebben twee zoontjes en een wat oudere dochter, die in de vierde klas van de plaatselijke middelbare school zit. Ze had gisteravond problemen met haar huiswerk en vroeg me haar te helpen met het schrijven van de theorie van de decimale breuken. Ze liet me haar aantekeningen zien; ze zaten vol afkortingen. Ik vroeg waarom ze zoveel afkortingen had gebruikt. Ze zei: 'De lerares praatte heel vlug omdat we erg veel haast hadden.' 'Waarom hadden jullie zo'n haast?' 'O, omdat jullie troepen in een gedeelte van de school zijn ingekwartierd en de Duitsers de school beschoten, moesten we steeds de schuilkelder in, en telkens als we terugkwamen was er minder tijd over.'209-2018>
In 1916 zou hij zelf zwaargewond raken tijdens de bijna vijf maanden durende Slag aan de Somme, waarbij meer dan een miljoen doden en gewonden vielen.
6 juni. We zijn ingekwartierd in Béthune, een vrij grote stad ongeveer tien kilometer achter de frontlijn. Er is alles wat je je kunt wensen: een zwembad, allerlei winkels, vooral een banketbakkerij, de beste die ik ooit heb gezien, een hotel waar je echt goed kunt eten, en een theater waar we brigadevoorstellingen hebben. Ik zag vanmorgen een aanplakbiljet op de muur van een gebouw aan het kanaal van Béthune naar La Bassée: 'Op last van de plaatselijke commandant is het de troepen verboden vissen te bombarderen.' Béthune heeft heel weinig schade geleden, behalve de wijk Faubourg d'Arras, bij het station. Ik ben ingekwartierd bij de familie Averlant Paul in de Avenue de Bruay, mensen van de ambtenaarsstand: vluchtelingen uit Poimbert. Ze hebben twee zoontjes en een wat oudere dochter, die in de vierde klas van de plaatselijke middelbare school zit. Ze had gisteravond problemen met haar huiswerk en vroeg me haar te helpen met het schrijven van de theorie van de decimale breuken. Ze liet me haar aantekeningen zien; ze zaten vol afkortingen. Ik vroeg waarom ze zoveel afkortingen had gebruikt. Ze zei: 'De lerares praatte heel vlug omdat we erg veel haast hadden.' 'Waarom hadden jullie zo'n haast?' 'O, omdat jullie troepen in een gedeelte van de school zijn ingekwartierd en de Duitsers de school beschoten, moesten we steeds de schuilkelder in, en telkens als we terugkwamen was er minder tijd over.'209-2018>
zondag 4 juni 2023
Elias Canetti • 5 juni 1960
• De in Bulgarije geboren maar in het Duits schrijvende Nobelprijswinnaar Elias Canetti (1905-1994) woonde van 1954-1971 in Groot-Brittannië. Uit: Het pantheon van vergeten dingen.Aantekeningen uit Hampstead 1954-1971 (vertaald door W. Hansen).
5 juni 1960
Pinksteren 1960. Het is zomers wam, een zuidelijke dag, een zondag vol langzame mensen in de hitte. Ik lees van alles en nog wat, in deze en gene taal: eergisteren Democritus, gisteren Juvenalis, vandaag Montaigne; enkele dagen geleden gedichten van Tasso. Ik voel geen spanning en geen woede. Ik praat met zomaar wat mensen. Sinds het boek verschenen is, heerst er volkomen stilte. Aanvankelijk was ik verbaasd, een beetje onrustig misschien, maar nu is de stilte op mij overgegaan en ben ik gelukkig.[...]
Soms betreur ik het dat mijn geest zich nooit in het Engels heeft gehuld. Ik woon hier nu tweeëntwintig jaar. Ik heb wel veel mensen in de taal van dit land tegen me horen praten, maar ik heb nooit naar hen geluisterd als dichters, ik heb enkel begrepen wat ze zeiden. Mijn eigen wanhoop, mijn verbazing en mijn uitbundigheid hebben zich nooit van hun woorden bediend; wat ik voelde, wat ik dacht en wat ik te zeggen had, kwam in het Duits in me op. Als mij werd gevraagd waarom, kon ik er overtuigende redenen voor geven: trots was het belangrijkste, ik geloofde er zelf in.
Tegenwoordig vind ik het een aantrekkelijke gedachte om een leven in een nieuwe taal te beginnen. Ik houd van de plaats waar ik woon, meer dan van welke plaats ook, hij is mij vertrouwd alsof ik er geboren ben. Ik ben hier als eeuwige vreemdeling thuis geraakt: de scheiding tussen dit vaderland en het gesprek in mezelf is volkomen.
567-2020>
Michel Leiris • 4 juni 1934
• In de tegenwoordige tijd. Journaal 1922 - 1989 (vertaling Michel van Nieuwstadt) van de Franse schrijver Michel Leiris (1901-1990) is geen dagboek in de eigenlijke zin: het is een 'plakboek' voor schrijfoefeningen en opzetjes, een notitieboekje voor faits divers. Vragen over dood en verval vormen een rode draad.
4 juni
Plezier dat ik gevonden heb in dronkenschap:
1) zonder vrouwen: vlucht; zuivere castratie;
2) met vrouwen: terugkeer naar een kinderlijke staat van voeding aan de borst - baden 'in de boezem' der vrouwen - daarin : oplossen als in de natuur - zich verliezen in de wezens uit de omgeving, de buitenwereld; geen rechtstreekse castratie, maar een die verloopt door middel van het infantilisme van deze verstrooiing (zeer aardig zijn, mensen de hand kussen, de een 'mijn broer', de ander 'mijn zus' noemen, romantische pseudo-lyriek). Vegetatieve kant van dit soort dronkenschap.
Jeugdherinneringen: de afschuw die ik voelde voor een zekere Van der Bilt, die zich in zijn auto doodgereden had en bij diezelfde gelegenheid ook zijn chauffeur had laten omkomen: het stuk Paljas, waarin ik dacht dat men op het toneel echt iemand doodmaakte; mijn broer Pierre en ik hadden een afschuw van wat wij 'fuifnummers' noemden.
4 juni
Plezier dat ik gevonden heb in dronkenschap:
1) zonder vrouwen: vlucht; zuivere castratie;
2) met vrouwen: terugkeer naar een kinderlijke staat van voeding aan de borst - baden 'in de boezem' der vrouwen - daarin : oplossen als in de natuur - zich verliezen in de wezens uit de omgeving, de buitenwereld; geen rechtstreekse castratie, maar een die verloopt door middel van het infantilisme van deze verstrooiing (zeer aardig zijn, mensen de hand kussen, de een 'mijn broer', de ander 'mijn zus' noemen, romantische pseudo-lyriek). Vegetatieve kant van dit soort dronkenschap.
Jeugdherinneringen: de afschuw die ik voelde voor een zekere Van der Bilt, die zich in zijn auto doodgereden had en bij diezelfde gelegenheid ook zijn chauffeur had laten omkomen: het stuk Paljas, waarin ik dacht dat men op het toneel echt iemand doodmaakte; mijn broer Pierre en ik hadden een afschuw van wat wij 'fuifnummers' noemden.
Calamity Jane • 3 juni 1903
• Van Calamity Jane (Martha Jane Canary, 1852-1903) zijn enige brieven en dagboekfragmenten bewaard gebleven (waarvan de echtheid niet vaststaat). Het dagboek was gericht aan haar dochter Janey (Jean Irene O'Neil), die ze na haar geboorte afstond voor adoptie, en die ze nooit heeft teruggezien. Hieronder haar laatste verklaring. DeepL-vertaling onderaan.
Deadwood, June 3 1903
I Jane Hickock Burke, better know as Calamity Jane, of my own free will and being of sound mind do this day June 3, 1903 make this confession. I have lied about my past life. To help clear up my daughters birth right and my sisters daughters birth I am making this confession to James O Neil to make public or to keep to himself. I was born in Missouri. I had several sisters but only one is to be mentioned in this. People got snoopy so I told them lies to hear their tongues wag. The women are all snakes and none of them I can call friends. All letters and information given prior to this are lies except the diary I have kept for Janey since 1877. The only lie in that is where I said Bell Starr was no kin of mine. She was my sister raised by Ben Waddell and his wife. They were killed in the eighties in Oklahoma. They never knew our relation. After their death Bell came to me under the name of Starr. She married Wm. Hickok, cousin to my daughters father James Butler Hickok. I lied about having a daughter born to me in 1887. I nursed my sister Bell at that time. She gave birth to a girl whom she named Jessie Elizabeth. Then Jack Oakes came from Ft. Pierre. Hickok believed the worst of his wife. He was ashamed of her doings and refused to live with her. She lived with Jack Oakes and to them was born a son, Charley Oakes. He lives near Miles City now. Jessie Elizabeth was born Oct. 28, 1887 near Bensons Landing where Janey was born Sept. 25 1873. Bell posed as my daughter and Jessie Elizabeth as my granddaughter they were neither for Bell was older than I am. Charleys father murdered a man in Ft. Pierre. I have been called the common law wife of King, Sonors, Wilson and Dorsett. I was legally married to Hickok and Burke. I dare anyone to deny these facts.
Jane Hickok Burke
Deadwood, 3 juni 1903
Ik, Jane Hickock Burke, beter bekend als Calamity Jane, leg op deze dag, 3 juni 1903, uit vrije wil en gezond van geest de volgende bekentenis af. Ik heb gelogen over mijn vorige leven. Om mijn dochters geboorterecht en dat van mijn zussen op te helderen, leg ik deze bekentenis af aan James O Neil om openbaar te maken of voor zichzelf te houden. Ik ben geboren in Missouri. Ik had meerdere zussen maar slechts één moet hier worden genoemd. Mensen werden nieuwsgierig dus vertelde ik ze leugens om hun tongen te horen wiebelen. De vrouwen zijn allemaal slangen en geen van hen kan ik vrienden noemen. Alle brieven en informatie die ik hiervoor heb gegeven zijn leugens, behalve het dagboek dat ik sinds 1877 voor Janey heb bijgehouden. De enige leugen daarin is dat ik zei dat Bell Starr geen familie van mij was. Ze was mijn zus, opgevoed door Ben Waddell en zijn vrouw. Ze werden in de jaren tachtig in Oklahoma vermoord. Ze hebben nooit onze relatie gekend. Na hun dood kwam Bell bij me onder de naam Starr. Ze trouwde met Wm. Hickok, een neef van mijn dochters vader James Butler Hickok. Ik loog dat er in 1887 een dochter van mij was geboren. Ik verpleegde toen mijn zus Bell. Ze beviel van een meisje dat ze Jessie Elizabeth noemde. Toen kwam Jack Oakes uit Ft. Pierre. Hickok geloofde het ergste van zijn vrouw. Hij schaamde zich voor haar daden en weigerde met haar te leven. Ze woonde samen met Jack Oakes en hun zoon Charley Oakes werd geboren. Hij woont nu in de buurt van Miles City. Jessie Elizabeth werd op 28 oktober 1887 geboren in de buurt van Bensons Landing waar Janey op 25 september 1873 werd geboren. Bell deed zich voor als mijn dochter en Jessie Elizabeth als mijn kleindochter. Ze waren geen van beiden want Bell was ouder dan ik Charleys vader vermoordde een man in Ft. Pierre. Ik ben de wettige echtgenote van King, Sonors, Wilson en Dorsett genoemd. Ik was wettelijk getrouwd met Hickok en Burke. Ik daag iedereen uit om deze feiten te ontkennen.
Vertaald met www.DeepL.com/Translator (gratis versie)690-2019>
Deadwood, June 3 1903
I Jane Hickock Burke, better know as Calamity Jane, of my own free will and being of sound mind do this day June 3, 1903 make this confession. I have lied about my past life. To help clear up my daughters birth right and my sisters daughters birth I am making this confession to James O Neil to make public or to keep to himself. I was born in Missouri. I had several sisters but only one is to be mentioned in this. People got snoopy so I told them lies to hear their tongues wag. The women are all snakes and none of them I can call friends. All letters and information given prior to this are lies except the diary I have kept for Janey since 1877. The only lie in that is where I said Bell Starr was no kin of mine. She was my sister raised by Ben Waddell and his wife. They were killed in the eighties in Oklahoma. They never knew our relation. After their death Bell came to me under the name of Starr. She married Wm. Hickok, cousin to my daughters father James Butler Hickok. I lied about having a daughter born to me in 1887. I nursed my sister Bell at that time. She gave birth to a girl whom she named Jessie Elizabeth. Then Jack Oakes came from Ft. Pierre. Hickok believed the worst of his wife. He was ashamed of her doings and refused to live with her. She lived with Jack Oakes and to them was born a son, Charley Oakes. He lives near Miles City now. Jessie Elizabeth was born Oct. 28, 1887 near Bensons Landing where Janey was born Sept. 25 1873. Bell posed as my daughter and Jessie Elizabeth as my granddaughter they were neither for Bell was older than I am. Charleys father murdered a man in Ft. Pierre. I have been called the common law wife of King, Sonors, Wilson and Dorsett. I was legally married to Hickok and Burke. I dare anyone to deny these facts.
Jane Hickok Burke
Deadwood, 3 juni 1903
Ik, Jane Hickock Burke, beter bekend als Calamity Jane, leg op deze dag, 3 juni 1903, uit vrije wil en gezond van geest de volgende bekentenis af. Ik heb gelogen over mijn vorige leven. Om mijn dochters geboorterecht en dat van mijn zussen op te helderen, leg ik deze bekentenis af aan James O Neil om openbaar te maken of voor zichzelf te houden. Ik ben geboren in Missouri. Ik had meerdere zussen maar slechts één moet hier worden genoemd. Mensen werden nieuwsgierig dus vertelde ik ze leugens om hun tongen te horen wiebelen. De vrouwen zijn allemaal slangen en geen van hen kan ik vrienden noemen. Alle brieven en informatie die ik hiervoor heb gegeven zijn leugens, behalve het dagboek dat ik sinds 1877 voor Janey heb bijgehouden. De enige leugen daarin is dat ik zei dat Bell Starr geen familie van mij was. Ze was mijn zus, opgevoed door Ben Waddell en zijn vrouw. Ze werden in de jaren tachtig in Oklahoma vermoord. Ze hebben nooit onze relatie gekend. Na hun dood kwam Bell bij me onder de naam Starr. Ze trouwde met Wm. Hickok, een neef van mijn dochters vader James Butler Hickok. Ik loog dat er in 1887 een dochter van mij was geboren. Ik verpleegde toen mijn zus Bell. Ze beviel van een meisje dat ze Jessie Elizabeth noemde. Toen kwam Jack Oakes uit Ft. Pierre. Hickok geloofde het ergste van zijn vrouw. Hij schaamde zich voor haar daden en weigerde met haar te leven. Ze woonde samen met Jack Oakes en hun zoon Charley Oakes werd geboren. Hij woont nu in de buurt van Miles City. Jessie Elizabeth werd op 28 oktober 1887 geboren in de buurt van Bensons Landing waar Janey op 25 september 1873 werd geboren. Bell deed zich voor als mijn dochter en Jessie Elizabeth als mijn kleindochter. Ze waren geen van beiden want Bell was ouder dan ik Charleys vader vermoordde een man in Ft. Pierre. Ik ben de wettige echtgenote van King, Sonors, Wilson en Dorsett genoemd. Ik was wettelijk getrouwd met Hickok en Burke. Ik daag iedereen uit om deze feiten te ontkennen.
Vertaald met www.DeepL.com/Translator (gratis versie)690-2019>
donderdag 1 juni 2023
Käthe Kollwitz • 2 juni 1923
Nederlandse vertaling door DeepL onderaan.
2. Juni 1923 Plivier war eben hier. Verändert, mager, blaß, mit großem Bart. Er sagte mir, daß seine Viktoria, die Thora, dieses entzückende liebliche Kind gestorben sei. 2 1/2 Jahre alt. Das ist jetzt das zweite Kindchen, das sterben mußte, erst das Peterle Gampp und nun diese liebliche Thora Plivier.
Ich fragte nach der Frau und er erzählte, daß sie das tote Kind in einer warmen Welle um sich gefühlt hätte, zugleich hätten die Worte sie durchschossen: »Der Tod ist verschlungen in den Sieg.« Diese arme und rührende Flucht der Eltern in mystische Zustände, Ekstasen, die für Momente den Schmerz verhüllen und verklären. Dann kommt er wieder mit doppelter Gewalt. - Plivier will nun am 1. Juli Gesinnungsfreunde treffen und mit denen durchs Land ziehn, predigend und redend. Er sagt es gibt viele Arbeitslose jetzt, die es so machen. Einmal die Stromer, wie es sie immer gab, dann aber die Apostel, die Berufenen. Seltsame Zeit, wie im Mittelalter zu Beginn der Bauernkriege.
Am Abend sind Georg Lise Max und seine junge Braut Annie Karow hier. Sie ist ein einfach und gut aussehendes Madchen mit warmen dunklen Augen.
Gespräch mit Karl über Else.
2 juni 1923 Plivier was hier net. Veranderd, mager, bleek, met een lange baard. Hij vertelde me dat zijn Victoria, Thora, dat heerlijke, lieve kind, was overleden. Twee en een half jaar oud. Dit is nu het tweede kind dat moest sterven, eerst Peter Gampp en nu deze lieve Thora Plivier.
Ik vroeg naar de vrouw en die vertelde mij dat zij het dode kind in een warme golf om zich heen had gevoeld, tegelijkertijd waren de woorden door haar heen geschoten: "De dood is verzwolgen in de overwinning". Deze arme en ontroerende vlucht van de ouders in mystieke toestanden, extases die voor momenten de pijn verhullen en transfigureren. Dan komt het weer met dubbele kracht. - Plivier wil nu op 1 juli geestesvrienden ontmoeten en met hen door het land trekken, preken en praten. Hij zegt dat er nu veel werklozen zijn die het zo doen. Ooit waren er de streamers, zoals altijd, maar daarna de apostelen, de geroepenen. Vreemde tijden, zoals in de Middeleeuwen aan het begin van de Boerenoorlogen.
s Avonds zijn Georg Lise Max en zijn jonge bruid Annie Karow hier. Ze is een eenvoudig en goed uitziend meisje met warme donkere ogen. Gesprek met Karl over Else. 116-2014>
Abonneren op:
Posts (Atom)






