• Vic van de Reijt (1950) was in 2001 uitgever bij Nijgh & Van Ditmar. Hij hield op verzoek van NRC Handelsblad een 'Hollands dagboek' bij ter gelegenheid van de verschijning van zijn Nederlandstalige Cover Top-100 en een boek over Elsschot.
Dinsdag
Promotie-overleg over de lopende titels. Geen klachten over de Cover Top-100, kan ik mede namens de auteur melden. We bespreken de campagne voor Kees van Beijnum die aanstaande vrijdag de Bordewijkprijs ontvangt voor De oesters van Nam Kee. Het boek, dat bij verschijnen al vergeleken is met Turks fruit, wordt verfilmd met Katja Schuurman in de hoofdrol. Ook twee andere titels van Kees, De ordening en Over het IJ, krijgen een filmversie. En daarnaast komt hij zelf met een nieuwe roman en het scenario voor De passievrucht.
's Avonds een eerste interview over Elsschot, helemaal in Leeuwarden. Om half vier stap ik in de trein, voorzien van noodrantsoenen en drie dagen leesvoer. Maar alles gaat goed.
Pieter de Vries van het Rotterdamse Reclamebureau v/h Boorman en Laarmans en ik vormen het voorprogramma van Herman Verbeecks solovoorstelling van Kaas. De zaal zit stampvol, met dank aan de hoofdact. Pieter is uiteraard goed ingevoerd in het onderwerp en de Friezen hangen aan onze lippen. Na afloop doet Pieter op zijn doorreis naar huis ook nog Landsmeer aan.
Woensdag 12 december
Het leuke van een uitgeverij is dat je nu al weet wat volgend jaar de spraakmakende boeken zullen worden. Het romandebuut van Marja Pruis is zoiets bijzonders. Vandaag de laatste kritische ronde met Lolies, Marion en Marja en daarna een feestdronk op de hoek.
's Avonds mijn bureau uitgegraven, waar [dochter] Maud de afgelopen dagen haar tentamens heeft voorbereid. Zij volgt een algemeen basisjaar van de Universiteit van Amsterdam en pendelt heen en weer naar Almere waar ze colleges krijgt in psychologie, politicologie en sociologie. Het geklaag van Abram de Swaan in deze krant over de studenten daar was niet echt aan haar besteed.
[Dochter] Fanny aan de telefoon: met Spaanse en Oostenrijkse kinderen heeft ze een internationale krant gemaakt. En ze zou wel in Oostenrijk willen wonen, "de mensen zijn er zo gul!"
De Volendammer visman herkent mij als tv-persoonlijkheid.
zaterdag 9 december 2017
Andreas Oosthoek -- 10 december 1986
• Andreas Oosthoek (1942) is een Nederlandse schrijver en journalist, die al zeer lang aan een biografie over Martinus Nijhoff werkt. Dit fragment (afkomstig uit dit journaal) gaat over de dood van de zoon van Nijhoff.
10, 11, 12 december 1986, Genève/St-Légier
Faan* is plotseling dood, rustig in zijn slaap. Vanochtend belde Maurice. Hij zei me dat Stephan niet meer sprak en dat zijn nagels zo paars waren. Ik heb Eric Rochat, de huisarts, gebeld en gevraagd te kijken. Die bevestigde. Ik ben nu op de vliegveld Cointrin. Ik word afgehaald. (...) Het is verschrikkelijk. M. heeft Faantje opgebaard, every inch the gentleman, in zijn tweed met zijn kleine schoenen, temidden van brandende kaarsen en onder het grote houten kruis van zijn grootmoeder Alida. De dood moge onaantastbaar zijn, ik vind deze uitstalling toch te wreed voor een man die nooit van poespas heeft gehouden. (...) Er is een brief voor mij, die lag al klaar van zijn laatste jaardag. Hij wil niet door Europa gezeuld worden, dus blijft hij hier in Saint-Légier. De gemeenteman graaft een graf naast Paul Hindemith. Faan heeft een witte kist. (...)
Hij had, schrijft hij, eindelijk vrede met het idee van een boek: het boek van mijn vader zal dat van moeder en mij zijn... Ik zal Martin Ros laten weten dat ik het zal schrijven.
* Faan: Stephan Nijhoff, beter bekend als Stephen Storm, de zoon van dichter Martinus Nijhoff en diens eerste vrouw Netty Wind (ook bekend als A.H. Nijhoff).
10, 11, 12 december 1986, Genève/St-Légier
Faan* is plotseling dood, rustig in zijn slaap. Vanochtend belde Maurice. Hij zei me dat Stephan niet meer sprak en dat zijn nagels zo paars waren. Ik heb Eric Rochat, de huisarts, gebeld en gevraagd te kijken. Die bevestigde. Ik ben nu op de vliegveld Cointrin. Ik word afgehaald. (...) Het is verschrikkelijk. M. heeft Faantje opgebaard, every inch the gentleman, in zijn tweed met zijn kleine schoenen, temidden van brandende kaarsen en onder het grote houten kruis van zijn grootmoeder Alida. De dood moge onaantastbaar zijn, ik vind deze uitstalling toch te wreed voor een man die nooit van poespas heeft gehouden. (...) Er is een brief voor mij, die lag al klaar van zijn laatste jaardag. Hij wil niet door Europa gezeuld worden, dus blijft hij hier in Saint-Légier. De gemeenteman graaft een graf naast Paul Hindemith. Faan heeft een witte kist. (...)
Hij had, schrijft hij, eindelijk vrede met het idee van een boek: het boek van mijn vader zal dat van moeder en mij zijn... Ik zal Martin Ros laten weten dat ik het zal schrijven.
* Faan: Stephan Nijhoff, beter bekend als Stephen Storm, de zoon van dichter Martinus Nijhoff en diens eerste vrouw Netty Wind (ook bekend als A.H. Nijhoff).
Sergej Prokofjev -- 9 december 1925
• Sergej Prokofjev (1891-1953) was een Russische musicus en componist. Hij hield een groot deel van zijn leven een dagboek bij, waaruit gedeeltes in het Nederlands zijn gepubliceerd onder de titel Dagboek 1907-1933 (vertaling Arie van der Ent). Eind 1925 was hij op tournee in Nederland.
7 december
Achter visa aan, allerlei zaken en het afschrijven van een hele hoop zakelijke brieven.
8 december
Verdere afhandeling dringende zaken in Parijs. MetPtasjka op de foto bij Sjoemov, op zijn uitnodiging. Bij Eberg Stravinski gezien, omhelsd, hij vertelde dat hij auto leert rijden, ik vertelde hem van het succes van zijn liederen in Ptasjka's uitvoering. 's Avonds verder aan brieven geschreven. Doodmoe. Ptasjka, die zich aldoor niet lekker voelt, was bij Olmsted, maar trof die zelf zwak en ziek aan, in een leunstoel. Ze zei vreemde dingen: je mag jezelf niet misbruiken, je moet jezelf wel in acht nemen, niet afmatten enzovoort. Dat bracht ons in verwarring. Een geestelijke inzinking in verband met haar ongesteldheid? En de aanwezigheid van familie, die niet zo sciëntistisch is?
9 december
Ik vertrok naar Nederland. Ptasjka bleef nog zes dagen: lessen, toiletten en inpakken (ons hele bezit moet in drie kisten, twee dozen en een ontelbaar aantal koffers worden gestouwd. Mijn God, wanneer krijgen we nu eens een permanent hoekje voor onszelf?). In de trein had ik last van mijn hart. Van de zomer was het helemaal over, maar in oktober, toen ik bij vertrek uit Bellevue koffers terugbracht, ging het weer mis. Ik probeerde het onder handen te nemen via Christian Science. Merkte verbetering! Ik kwam 's avonds in Nederland aan, uit het raam was niets te zien, en daardoor had ik twee indrukken: 1) de trein rijdt heel snel; 2) alles is heel duur. In dezelfde restauratiewagen rekenden ze op Frans grondgebied vijftien frank voor een lunch, hier vijfendertig. Niemand haalde me af en ik reed meteen door naar het Amstel Hotel, waar een kamer voor me gereserveerd was en waar ik te horen kreeg dat Monteux gebeld had en dat de repetitie morgen om negen uur 's ochtends was. Ik was geschokt door het krantenbericht over de zelfmoord van Joerjevskaja* in Zwitserland had; ze morfine genomen, zich de keel doorgesneden (wat een keel!) en was van de Duivelsbrug in de rivier gesprongen -inderdaad, in de armen van de duivel! Wat heeft haar daartoe gebracht? Wat was de rol van haar man? De Nedérf; landse kranten schrijven er ook over, ik vertaalde de berichten met hulp van de portier van het hotel, een muziekliefhebber en iemand die Joerjevskaja, die hier gelogeerd heeft, had gekend.
In de Nederlandse berichtgeving klinkt twijfel door: gaat het niet om een mystificatie? Haar lichaam is niet gevonden.
* Zinaïda Petrovna Joerjevskaja (1892-1925), zangeres, maakte op 3 december 1925, op het hoogtepunt van haar carrière, een eind aan haar leven door in Andermatt van de Duivelsbrug in de rivier de Reuss te springen. Op haar kamer vond men de romans Anna Karenina (Tolstoj] en Duivelsbrug (Aldanov), alsmede een briefje aan haar man om tegenover de buitenwereld te zeggen dat ze was overleden aan een hartaanval.
7 december
Achter visa aan, allerlei zaken en het afschrijven van een hele hoop zakelijke brieven.
8 december
Verdere afhandeling dringende zaken in Parijs. MetPtasjka op de foto bij Sjoemov, op zijn uitnodiging. Bij Eberg Stravinski gezien, omhelsd, hij vertelde dat hij auto leert rijden, ik vertelde hem van het succes van zijn liederen in Ptasjka's uitvoering. 's Avonds verder aan brieven geschreven. Doodmoe. Ptasjka, die zich aldoor niet lekker voelt, was bij Olmsted, maar trof die zelf zwak en ziek aan, in een leunstoel. Ze zei vreemde dingen: je mag jezelf niet misbruiken, je moet jezelf wel in acht nemen, niet afmatten enzovoort. Dat bracht ons in verwarring. Een geestelijke inzinking in verband met haar ongesteldheid? En de aanwezigheid van familie, die niet zo sciëntistisch is?
9 december
Ik vertrok naar Nederland. Ptasjka bleef nog zes dagen: lessen, toiletten en inpakken (ons hele bezit moet in drie kisten, twee dozen en een ontelbaar aantal koffers worden gestouwd. Mijn God, wanneer krijgen we nu eens een permanent hoekje voor onszelf?). In de trein had ik last van mijn hart. Van de zomer was het helemaal over, maar in oktober, toen ik bij vertrek uit Bellevue koffers terugbracht, ging het weer mis. Ik probeerde het onder handen te nemen via Christian Science. Merkte verbetering! Ik kwam 's avonds in Nederland aan, uit het raam was niets te zien, en daardoor had ik twee indrukken: 1) de trein rijdt heel snel; 2) alles is heel duur. In dezelfde restauratiewagen rekenden ze op Frans grondgebied vijftien frank voor een lunch, hier vijfendertig. Niemand haalde me af en ik reed meteen door naar het Amstel Hotel, waar een kamer voor me gereserveerd was en waar ik te horen kreeg dat Monteux gebeld had en dat de repetitie morgen om negen uur 's ochtends was. Ik was geschokt door het krantenbericht over de zelfmoord van Joerjevskaja* in Zwitserland had; ze morfine genomen, zich de keel doorgesneden (wat een keel!) en was van de Duivelsbrug in de rivier gesprongen -inderdaad, in de armen van de duivel! Wat heeft haar daartoe gebracht? Wat was de rol van haar man? De Nedérf; landse kranten schrijven er ook over, ik vertaalde de berichten met hulp van de portier van het hotel, een muziekliefhebber en iemand die Joerjevskaja, die hier gelogeerd heeft, had gekend.
In de Nederlandse berichtgeving klinkt twijfel door: gaat het niet om een mystificatie? Haar lichaam is niet gevonden.
* Zinaïda Petrovna Joerjevskaja (1892-1925), zangeres, maakte op 3 december 1925, op het hoogtepunt van haar carrière, een eind aan haar leven door in Andermatt van de Duivelsbrug in de rivier de Reuss te springen. Op haar kamer vond men de romans Anna Karenina (Tolstoj] en Duivelsbrug (Aldanov), alsmede een briefje aan haar man om tegenover de buitenwereld te zeggen dat ze was overleden aan een hartaanval.
dinsdag 5 december 2017
Lidija Tsjoekovskaja -- 6 december 1960
• Lidija Tsjoekovskaja (1907-1996) was een Russisch schrijfster en dichteres. Ze was bevriend met de dichteres Anna Achmatova. Een dagboek van haar ontmoetingen met Achmatova is verschenen als Ontmoetingen met Anna Achmatova 1938-1962.
6 december 1960
Ik trof Anna Andrjevna [Achmatova] liggend aan. Bleek, zwaarlijvig en opgezwollen ligt ze op haar lage divanbed.
We hadden elkaar nauwelijks begroet, ik was nog maar net aan haar voeteneind gaan zitten, of ze pakte met een onverhoedse beweging een grote uitgeversenvelop van de tafel en reikte mij die aan.
'Leest u dat eens.'
Ik maakte hem open. Het was het nawoord van Soerkov.
Terwijl ik las, voelde ik hoe mijn hart in mijn oren en keel bonkte.
Eerst heel keurig alles uit het werk van de dichter halen wat haar liefde voor Rusland aantoont en dan Achmatova voorstellen als een vrouwtje dat overspel bezingt. Zo gaat dat: je verzint een vrouwtje dat volksvijandig een loflied zingt op overspel (waarom hebben ze trouwens allemaal zo'n minachting voor de liefde?) en dan begiftig je haar met een plotseling gevoel van patriottisme in 1941... En dan herinner je haar nog aan 1946. Wat laag!
Het gebonk in mijn keel en oren werd zo hevig dat ik mijn eigen woorden niet heb gehoord en niet meer kan herinneren.
'Zo is het genoeg, Lidija Komejevna,' onderbrak Anna Andrejevna mij, 'ze hebben vandaag al een keer de eerste hulp voor mij laten komen en dat wil ik niet nog eens. Bergt u dit weg. Nee, nee, nog verder weg. Kozmin heeft me gebeld met de vraag wat ik van het nawoord vond. Ik heb geantwoord: "Over dat document zullen we het niet hebben." Met Kozmin wil ik helemaal nooit meer ergens over praten. Hij is een leugenaar. Hij heeft me immers verzekerd dat in het nawoord zou staan dat ik een schakel ben tussen bepaalde dingen... En in plaats daarvan is hij met een parafrase gekomen van de verordening van '46!'
Ik zweeg. Ik moest een ander onderwerp bedenken, maar mijn hoofd stond niet naar een gesprek, zo heftig bonkte mijn hart in mijn oren. Anna Andrejevna stond op, ging de kamer uit, kwam terug en vroeg me om thee te komen drinken in de eetkamer. Op tafel lag de Newyorkse editie van het werk van Mandelsjtam. Ik bladerde erin. Maar er kwam geen woord over mijn lippen. Anna Andrejevna kreeg medelijden met me en begon, om me af te leiden en te boeien, te vertellen over haar ontmoetingen met Tsvetaeva. [...]
6 december 1960
Ik trof Anna Andrjevna [Achmatova] liggend aan. Bleek, zwaarlijvig en opgezwollen ligt ze op haar lage divanbed.
We hadden elkaar nauwelijks begroet, ik was nog maar net aan haar voeteneind gaan zitten, of ze pakte met een onverhoedse beweging een grote uitgeversenvelop van de tafel en reikte mij die aan.
'Leest u dat eens.'
Ik maakte hem open. Het was het nawoord van Soerkov.
Terwijl ik las, voelde ik hoe mijn hart in mijn oren en keel bonkte.
Eerst heel keurig alles uit het werk van de dichter halen wat haar liefde voor Rusland aantoont en dan Achmatova voorstellen als een vrouwtje dat overspel bezingt. Zo gaat dat: je verzint een vrouwtje dat volksvijandig een loflied zingt op overspel (waarom hebben ze trouwens allemaal zo'n minachting voor de liefde?) en dan begiftig je haar met een plotseling gevoel van patriottisme in 1941... En dan herinner je haar nog aan 1946. Wat laag!
Het gebonk in mijn keel en oren werd zo hevig dat ik mijn eigen woorden niet heb gehoord en niet meer kan herinneren.
'Zo is het genoeg, Lidija Komejevna,' onderbrak Anna Andrejevna mij, 'ze hebben vandaag al een keer de eerste hulp voor mij laten komen en dat wil ik niet nog eens. Bergt u dit weg. Nee, nee, nog verder weg. Kozmin heeft me gebeld met de vraag wat ik van het nawoord vond. Ik heb geantwoord: "Over dat document zullen we het niet hebben." Met Kozmin wil ik helemaal nooit meer ergens over praten. Hij is een leugenaar. Hij heeft me immers verzekerd dat in het nawoord zou staan dat ik een schakel ben tussen bepaalde dingen... En in plaats daarvan is hij met een parafrase gekomen van de verordening van '46!'
Ik zweeg. Ik moest een ander onderwerp bedenken, maar mijn hoofd stond niet naar een gesprek, zo heftig bonkte mijn hart in mijn oren. Anna Andrejevna stond op, ging de kamer uit, kwam terug en vroeg me om thee te komen drinken in de eetkamer. Op tafel lag de Newyorkse editie van het werk van Mandelsjtam. Ik bladerde erin. Maar er kwam geen woord over mijn lippen. Anna Andrejevna kreeg medelijden met me en begon, om me af te leiden en te boeien, te vertellen over haar ontmoetingen met Tsvetaeva. [...]
maandag 4 december 2017
Hanny Michaelis -- 5 december 1944
• Hanny Michaelis (1922-2007) was een Joodse Nederlandse schrijfster. Haar oorlogsdagboek is onlangs in twee delen verschenen bij Van Oorschot (bezorgd door Nop Maas).
Dinsdag 5 december '44, ± 10 uur 's avonds
Ik heb vandaag gewerkt in een tempo dat de vonken eraf sloegen, en dat alleen omdat Bep me beloofd had de rest van de middag vrij te zijn als ik met het gewone werk klaar was. Ik maakte al allerlei plannen hoe ik die tijd zou besteden: sokken stoppen, pianospelen of eindelijk de achterstand in mijn dagboek eens in te halen - entre ces trois mon coeur balança [Tussen die drie aarzelde mijn hart] ... Maar toen puntje bij paaltje kwam, was er een stapel dassen te strijken, terwijl ik pas om half 4 met de afwas klaar was want we hadden laat gegeten. Om half 6 kon ik de strijkplank opbergen en toen was het tijd om tafel te dekken. Dat was mijn vrije middag geweest! Enfin, verdiend had ik hem toch ook nog niet helemaal.
Er is vandaag weer flink gevlogen en niet minder geschoten - met mitrailleurs en boordkanonnen wel te verstaan, want het afweergeschut heeft zich weer merkwaardig koest gehouden. Vanmorgen zagen we een parachutist neerkomen uit een verongelukt vliegtuig. Het blijkt nu dat hij vlakbij Leiden is gedaald, maar met zijn voet beklemd raakte in een dakgoot. In deze benarde en hachelijke positie bracht een opgewonden menigte hem 10 minuten lang een stormachtige ovatie, waarna de Duitse militairen verschenen en hem gevangen namen. Wat moet er in dien man zijn omgegaan! Hij moet wel gedacht hebben, dat wij hier stapelgek zijn, een troep idioten zonder het minste begrip voor wat er zich op het ogenblik in en buiten ons land afspeelt. Het lijkt wel wat op de beruchte mentaliteit van de Amsterdamse slagersjongens die allerlei meer of minder spottend-meewarige opmerkingen hebben wanneer je met je fiets op de straat terecht bent gekomen, maar er niet aan denken de helpende hand uit te steken. Ons volk heeft nooit de naam gehad van overdreven hoffelijkheid, maar dat deze gemakkelijke plompheid zich uitstrekt tot mensen die hun leven wagen voor onze bevrijding is toch wel erg beschamend.
Het was vandaag weer een prachtige dag met grillige wolkenluchten en plotselinge uitbundige stortbaden van zon, afgewisseld door even plotselinge en niet minder uitbundige regenvlagen. Toen ik om 4 uur op mijn kamertje kwam om me op te knappen, bleef ik geboeid staan kijken naar een fascinerende partij van machtige stapelwolken, waarbij oud-goud boven somber paars torende en mat oranje half schuilging achter dreigend loodgrijs. En dit alles tegen een onwezenlijk heldere, groenachtige hemel, van het puurste blauw dat je je denken kunt, terwijl heel laag boven de huizen dikke, bruingrijze wolkenvlokken door de wind voort werden gedreven.
Toen ik 's middags op het plaatsje een mat aan 't uitkloppen was, zag ik aan de overkant een jongen van een jaar of 20 lopen, waarvan het aardige, beschaafde gezicht me opviel. Toen ik goed keek zag ik dat hij naast een meisje liep, dat hier in de buurt woont en dat ik vaak met haar vriendinnetje zie voorbijkomen. Ze zullen niet ouder zijn dan een jaar of 17, als ze dat al zijn, en hebben helemaal het voorkomen van zelfbewuste, knappe gymnasiummeisjes. Zelfbewust en knap zijn ze dan ook inderdaad, van een uitdagende, zorgeloze onaantastbaarheid, waarom ik hen benijd en waarvan ik het betwijfel of ik haar ooit heb bezeten, zelfs toen ik ervoor in de termen viel. Zeventien jaar heeft me altijd de meest benijdenswaardige leeftijd geleken, toen ik het nog moest worden en nu ik het al 5 jaar achter me heb liggen.
Het was vanavond wonderlijk rustig en stil in de kamer, een vreemde Sinterklaasavond, waar we niets aan hebben gedaan. Alleen Aartje heeft een cadeautje gekregen, nog voor hij is geboren! Een zilveren paplepeltje, heel smaakvol en practisch. Piet is vanmiddag voor een tocht van enkele dagen vertrokken. Bestemming: Wieringermeer, doel: voedselvoorziening. Ik heb deze avond een beetje verknoeid met eerst een uur aan de radio te prutsen zonder een goed programma te kunnen krijgen, en daarna nog eens te gaan lezen in Eldert Holier, dat hoe langer hoe absurder wordt, maar aan de andere kant kleur begint te bekennen (i.c. de Christelijke kleur) naarmate het zijn ontknoping (kennelijk een knaleffect) nadert.
Toen ik eindelijk aan Diet ging schrijven was het al 9 uur en nu is het 11 uur en ik word met de minuut slaperiger. Ik probeer niet te denken aan onze laatste Sinterklaasavond thuis, nu 3 jaar geleden, die zo ontzettend gezellig is geweest en die zulke weemoedige herinneringen opwekt. Maar toen ik vanmiddag stond te strijken, dacht ik er onwillekeurig aan hoe ik op datzelfde moment 3 jaar geleden met pappie en mammie bij de haard had gezeten in de grijze schemering van de vroege winteravond en geprobeerd heb iets te uiten van mijn dankbaarheid voor de onbezorgde, gelukkige jeugd, die ze me hebben gegeven, in jaren waarin ze het zelf zo moeilijk hebben gehad. Ik ben achteraf dikwijls blij geweest dat ik daar toen Over heb gesproken, al zijn woorden te arm om dank uit te drukken. Het is nu al mijn derde Sinterklaasavond onder vreemden. Die bij mevr. S. herinner ik me ook nog, toen was zijzelf weg, wat voor mij al een attractie op zichzelf vormde, en ik was 'gast' bij de B.'s die bij haar in waren. Niet dat we er toen iets aan hebben gedaan, maar de stemming was toch erg gezellig en geanimeerd, naar wat ik me ervan herinner. En de Sinterklaasavond bij v.M. verleden jaar was êr eigenlijk ook geen, ook al regende het gedichten (waarvan ik de Voornaamste producent was geweest!) en al kreeg ik een suikeren hart en een flesje parfum. Het blijst was ik nog met het Bijbelomslag van Maaike, maar sfeer was er voor geen cent, en het had er alleen toe geleid dat ik des te pijnlijker werd herinnerd aan onze eigen Sinterklaasavond toen we nog bij elkaar waren.
Dinsdag 5 december '44, ± 10 uur 's avonds
Ik heb vandaag gewerkt in een tempo dat de vonken eraf sloegen, en dat alleen omdat Bep me beloofd had de rest van de middag vrij te zijn als ik met het gewone werk klaar was. Ik maakte al allerlei plannen hoe ik die tijd zou besteden: sokken stoppen, pianospelen of eindelijk de achterstand in mijn dagboek eens in te halen - entre ces trois mon coeur balança [Tussen die drie aarzelde mijn hart] ... Maar toen puntje bij paaltje kwam, was er een stapel dassen te strijken, terwijl ik pas om half 4 met de afwas klaar was want we hadden laat gegeten. Om half 6 kon ik de strijkplank opbergen en toen was het tijd om tafel te dekken. Dat was mijn vrije middag geweest! Enfin, verdiend had ik hem toch ook nog niet helemaal.
Er is vandaag weer flink gevlogen en niet minder geschoten - met mitrailleurs en boordkanonnen wel te verstaan, want het afweergeschut heeft zich weer merkwaardig koest gehouden. Vanmorgen zagen we een parachutist neerkomen uit een verongelukt vliegtuig. Het blijkt nu dat hij vlakbij Leiden is gedaald, maar met zijn voet beklemd raakte in een dakgoot. In deze benarde en hachelijke positie bracht een opgewonden menigte hem 10 minuten lang een stormachtige ovatie, waarna de Duitse militairen verschenen en hem gevangen namen. Wat moet er in dien man zijn omgegaan! Hij moet wel gedacht hebben, dat wij hier stapelgek zijn, een troep idioten zonder het minste begrip voor wat er zich op het ogenblik in en buiten ons land afspeelt. Het lijkt wel wat op de beruchte mentaliteit van de Amsterdamse slagersjongens die allerlei meer of minder spottend-meewarige opmerkingen hebben wanneer je met je fiets op de straat terecht bent gekomen, maar er niet aan denken de helpende hand uit te steken. Ons volk heeft nooit de naam gehad van overdreven hoffelijkheid, maar dat deze gemakkelijke plompheid zich uitstrekt tot mensen die hun leven wagen voor onze bevrijding is toch wel erg beschamend.
Het was vandaag weer een prachtige dag met grillige wolkenluchten en plotselinge uitbundige stortbaden van zon, afgewisseld door even plotselinge en niet minder uitbundige regenvlagen. Toen ik om 4 uur op mijn kamertje kwam om me op te knappen, bleef ik geboeid staan kijken naar een fascinerende partij van machtige stapelwolken, waarbij oud-goud boven somber paars torende en mat oranje half schuilging achter dreigend loodgrijs. En dit alles tegen een onwezenlijk heldere, groenachtige hemel, van het puurste blauw dat je je denken kunt, terwijl heel laag boven de huizen dikke, bruingrijze wolkenvlokken door de wind voort werden gedreven.
Toen ik 's middags op het plaatsje een mat aan 't uitkloppen was, zag ik aan de overkant een jongen van een jaar of 20 lopen, waarvan het aardige, beschaafde gezicht me opviel. Toen ik goed keek zag ik dat hij naast een meisje liep, dat hier in de buurt woont en dat ik vaak met haar vriendinnetje zie voorbijkomen. Ze zullen niet ouder zijn dan een jaar of 17, als ze dat al zijn, en hebben helemaal het voorkomen van zelfbewuste, knappe gymnasiummeisjes. Zelfbewust en knap zijn ze dan ook inderdaad, van een uitdagende, zorgeloze onaantastbaarheid, waarom ik hen benijd en waarvan ik het betwijfel of ik haar ooit heb bezeten, zelfs toen ik ervoor in de termen viel. Zeventien jaar heeft me altijd de meest benijdenswaardige leeftijd geleken, toen ik het nog moest worden en nu ik het al 5 jaar achter me heb liggen.
Het was vanavond wonderlijk rustig en stil in de kamer, een vreemde Sinterklaasavond, waar we niets aan hebben gedaan. Alleen Aartje heeft een cadeautje gekregen, nog voor hij is geboren! Een zilveren paplepeltje, heel smaakvol en practisch. Piet is vanmiddag voor een tocht van enkele dagen vertrokken. Bestemming: Wieringermeer, doel: voedselvoorziening. Ik heb deze avond een beetje verknoeid met eerst een uur aan de radio te prutsen zonder een goed programma te kunnen krijgen, en daarna nog eens te gaan lezen in Eldert Holier, dat hoe langer hoe absurder wordt, maar aan de andere kant kleur begint te bekennen (i.c. de Christelijke kleur) naarmate het zijn ontknoping (kennelijk een knaleffect) nadert.
Toen ik eindelijk aan Diet ging schrijven was het al 9 uur en nu is het 11 uur en ik word met de minuut slaperiger. Ik probeer niet te denken aan onze laatste Sinterklaasavond thuis, nu 3 jaar geleden, die zo ontzettend gezellig is geweest en die zulke weemoedige herinneringen opwekt. Maar toen ik vanmiddag stond te strijken, dacht ik er onwillekeurig aan hoe ik op datzelfde moment 3 jaar geleden met pappie en mammie bij de haard had gezeten in de grijze schemering van de vroege winteravond en geprobeerd heb iets te uiten van mijn dankbaarheid voor de onbezorgde, gelukkige jeugd, die ze me hebben gegeven, in jaren waarin ze het zelf zo moeilijk hebben gehad. Ik ben achteraf dikwijls blij geweest dat ik daar toen Over heb gesproken, al zijn woorden te arm om dank uit te drukken. Het is nu al mijn derde Sinterklaasavond onder vreemden. Die bij mevr. S. herinner ik me ook nog, toen was zijzelf weg, wat voor mij al een attractie op zichzelf vormde, en ik was 'gast' bij de B.'s die bij haar in waren. Niet dat we er toen iets aan hebben gedaan, maar de stemming was toch erg gezellig en geanimeerd, naar wat ik me ervan herinner. En de Sinterklaasavond bij v.M. verleden jaar was êr eigenlijk ook geen, ook al regende het gedichten (waarvan ik de Voornaamste producent was geweest!) en al kreeg ik een suikeren hart en een flesje parfum. Het blijst was ik nog met het Bijbelomslag van Maaike, maar sfeer was er voor geen cent, en het had er alleen toe geleid dat ik des te pijnlijker werd herinnerd aan onze eigen Sinterklaasavond toen we nog bij elkaar waren.
zondag 3 december 2017
Wim Hazeu -- 2 december 2006
• Wim Hazeu (1940) is een Nederlandse programmammaker, journalist, schrijver en biograaf. In 2007 verschenen in het tijdschrift Liter dagboekfragmenten van hem onder de titel Een jaar voorafgaande aan de Lucebertbiografie.
2 december 2006
- De Maatschappij voor Letterkunde vraagt mij een necrologie te schrijven van Kees Lekkerkerker, ‘omdat u veel met hem te maken heeft gehad.’ Ik heb de oude Kees meermalen, wekelijks op maandag, bezocht om zijn Slauerhoff-collectie door te nemen (tegen betaling van honderd gulden per dag), maar dat was dan ook alles. Ik heb er ook geen zin in. De uitvoering van zo'n opdracht kost weken, nog los van het feit dat de nalatenschap ongecatalogiseerd bij een antiquaar ligt. De opdracht voor de necrologie van Peter Berger heb ik, na weken van onderzoek, interviews en studie, naast mij neergelegd. Ik ben er beroerd van geworden, oude vriend Peter blijkt psychopathische trekken te hebben gehad, en ik kan daar niet omheen, maar wil ze niet publiceren. Laat deze drinkbeker maar voorgoed aan mij voorbijgaan. Ik moet nu kiezen voor Lucebert en Toonder.
8 december 2006
- Hans Olink interviewt mij voor het radioprogramma OVT van de VPRO over Darja Collin, de echtgenote van Slauerhoff. Na afloop praten we over zijn plan voor een biografie van A. den Doolaard (ik heb van hem een groot archief, met brieven en documenten) en mijn idee voor een Lucebertbiografie. Hans is nogal boos op Peter Hofman, omdat deze zonder bronvermelding gebruik zou hebben gemaakt van Olinks artikel over Lucebert in Berlijn, ooit gepubliceerd in De Parelduiker.
2 december 2006
- De Maatschappij voor Letterkunde vraagt mij een necrologie te schrijven van Kees Lekkerkerker, ‘omdat u veel met hem te maken heeft gehad.’ Ik heb de oude Kees meermalen, wekelijks op maandag, bezocht om zijn Slauerhoff-collectie door te nemen (tegen betaling van honderd gulden per dag), maar dat was dan ook alles. Ik heb er ook geen zin in. De uitvoering van zo'n opdracht kost weken, nog los van het feit dat de nalatenschap ongecatalogiseerd bij een antiquaar ligt. De opdracht voor de necrologie van Peter Berger heb ik, na weken van onderzoek, interviews en studie, naast mij neergelegd. Ik ben er beroerd van geworden, oude vriend Peter blijkt psychopathische trekken te hebben gehad, en ik kan daar niet omheen, maar wil ze niet publiceren. Laat deze drinkbeker maar voorgoed aan mij voorbijgaan. Ik moet nu kiezen voor Lucebert en Toonder.
8 december 2006
- Hans Olink interviewt mij voor het radioprogramma OVT van de VPRO over Darja Collin, de echtgenote van Slauerhoff. Na afloop praten we over zijn plan voor een biografie van A. den Doolaard (ik heb van hem een groot archief, met brieven en documenten) en mijn idee voor een Lucebertbiografie. Hans is nogal boos op Peter Hofman, omdat deze zonder bronvermelding gebruik zou hebben gemaakt van Olinks artikel over Lucebert in Berlijn, ooit gepubliceerd in De Parelduiker.
vrijdag 1 december 2017
Cees Nooteboom -- 1 december 1963
• Cees Nooteboom (1933) is een Nederlandse schrijvers. Reisjournalen van zijn hand zijn verschenen in Waar je gevallen bent, blijf je.
Onderstaand fragment gaat over zijn reis naar Sbeïtla in Tunesië.
Kairouan, december 1963
Waar begint de weg naar Sbeïtla? Vraag het aan een man in doeken, hij haalt er iemand bij met een aktentas, die haalt er iemand bij met een paraplu, die haalt er iemand bij van een garage, maar niemand weet het. Elke keer rijden we al hun rondes en rijrichtingen, maar een bord met Sbeïtla komen we niet tegen. Achter de muren ligt nog steeds Kairouan, tweede stad van de islam, en wil niet weg. Een man met een tractor weet het tenslotte zeker, daar, die weg, dat is de weg naar Sbeïtla. Wat hem betreft is het al eeuwen zo, en de aarzelende bezwaren van de omstanders worden met een krachtig Arabisch gebaar tegen het asfalt gegooid. Het was niet de weg naar Sbeïtla, maar het duurt een tijd eer je daar achter bent, want langs de weg stond niemand behalve dertig kilometer verder een herdersjongen in een helderblauwe jas. Hij proefde de plaatsnaam op zijn tong – Sbeïtla, Sbeïtla, keek de aankomende leegte in, draaide zich om en wees onverbiddelijk de kant op waar wij vandaan kwamen, Kairouan. Zijn middeleeuwse boerengezicht begeleidde goedkeurend het omdraaien van onze auto, toen kwam hij naar voren en vroeg of hij mee mocht rijden, zijn broer zou verder op de geiten passen. We lieten hem instappen, en als een standbeeld zat hij de hele afstand terug achterin, niet één woord heeft hij gezegd.
Kairouan, december 1963
Waar begint de weg naar Sbeïtla? Vraag het aan een man in doeken, hij haalt er iemand bij met een aktentas, die haalt er iemand bij met een paraplu, die haalt er iemand bij van een garage, maar niemand weet het. Elke keer rijden we al hun rondes en rijrichtingen, maar een bord met Sbeïtla komen we niet tegen. Achter de muren ligt nog steeds Kairouan, tweede stad van de islam, en wil niet weg. Een man met een tractor weet het tenslotte zeker, daar, die weg, dat is de weg naar Sbeïtla. Wat hem betreft is het al eeuwen zo, en de aarzelende bezwaren van de omstanders worden met een krachtig Arabisch gebaar tegen het asfalt gegooid. Het was niet de weg naar Sbeïtla, maar het duurt een tijd eer je daar achter bent, want langs de weg stond niemand behalve dertig kilometer verder een herdersjongen in een helderblauwe jas. Hij proefde de plaatsnaam op zijn tong – Sbeïtla, Sbeïtla, keek de aankomende leegte in, draaide zich om en wees onverbiddelijk de kant op waar wij vandaan kwamen, Kairouan. Zijn middeleeuwse boerengezicht begeleidde goedkeurend het omdraaien van onze auto, toen kwam hij naar voren en vroeg of hij mee mocht rijden, zijn broer zou verder op de geiten passen. We lieten hem instappen, en als een standbeeld zat hij de hele afstand terug achterin, niet één woord heeft hij gezegd.
Abonneren op:
Posts (Atom)







