donderdag 7 mei 2015

Brigitte Eicke -- 8 mei 1945

• Van 1942-1945 hield het Duitse meisje Brigitte Eicke (1927-?) een dagboek bij. Een gedeelte daaruit over de laatste dagen van de oorlog is te lezen bij Der Spiegel.

5. Mai 1945
Sonnabend. Mutti hat sich nachmittags hingelegt und ich bin mit Tante Walli zur Stadt rein und wir haben Mut gefasst und haben uns bis zur Firma, zu Kösters durchgeschlagen. Es war schon alles ausgeräubert. Die Keller waren leer, wo wir erst vor zwei Wochen alles reingeschleppt haben. Die Schuhfabrik Ota war aufgebrochen und Berge Schuhe lagen herum, alles einzelne. Wir haben viel rumgewühlt und ich habe mir ein Paar Lederschuhe rausgesucht.

Unser Büro war durch einen Granateinschlag verschüttet, das heißt der Weg auf dem Flur, wir sind dann durch den Hintereingang hoch und es war noch alles so, wie wir gegangen sind. In Herrn Doktors Schrank hingen die Modellkleider, ich habe mir zwei rausgenommen und wir beide haben uns von den Ballen Seidenstoff für ein Kleid abgemacht, Herrn Doktors Reisewecker habe ich an mich genommen und habe ihn dann später Frau Baermann übergeben, das hätte ich nicht machen brauchen.

Jedenfalls waren wir ziemlich schwer beladen, als wir nach Hause gingen. Wir hatten solche Angst, dass die Russen uns was abnehmen würden, aber wir sind gut nach Hause gekommen. Wenigstens haben wir etwas ergattert, wenn auch mein Koffer bei Köster mehr enthalten hat und jetzt bestimmt weg sein wird. Die Kleider sind hübsch, die Schuhe passen auch. Unsere schöne Torpedo-Schreibmaschine stand auch noch da, wer weiß, wer die dann an sich genommen hat und die restlichen Kleider.

Um 10 Uhr sind wir schlafen gegangen. Unterwegs hatten wir noch viele Tote liegen sehen. Wie ich später erfuhr, sind beim Beschuss auch zwei Schulkameradinnen von mir umgekommen. Hilde Leppuhner, die zu der Zeit schon verheiratet war und Gerda Steussloff ist beim Einholen oben bei uns an der Kirche getroffen worden und war dann gleich tot.

6. Mai 1945
Um 10 Uhr aufgestanden, Mutti und Tante Walli sind zweimal zum Flakturm zum Friedrichshain Wasser holen und ich habe unterdessen die Küche sauber gemacht. Es ist schon eine Plagerei mit dem Wasserschleppen. Es beginnt jetzt eine Nazi-Verfolgung, wie damals bei den Juden, was wird mit mir werden?

7. Mai 1945
Montag. Ab 1 Uhr mussten wir alle mit Eimern antreten und mussten die Barrikade an der Kirche wegräumen, es war ein großes Stück Arbeit und die Russen haben aufgepasst.
Es heißt, wir müssen alle unsere Radioapparate abgeben, sonst machen wir uns strafbar. Nicht nur die Radios, auch Fotoapparate. Wir haben uns mit unseren Kasten auf die Socken gemacht, wir Dussels, was haben wir uns danach geärgert, kein Mensch hat mehr danach gefragt. Oben in der Prenzlauer am Bezirksamt stand eine große Schlange, auch Seiferts standen mit ihrem großen Kasten da und Foto. Unseren Knipskasten haben wir einfach versteckt. Wir haben zwei Stunden angestanden, um unseren schönen Apparat loszuwerden, haben noch unseren Namen und Adresse auf die Seitenwand geritzt, im Fall, dass wir ihn wiederkriegten, was sie uns damals erzählten, hätten wir wenigstens die Röhren rausmontiert, aber wir hatten eben nur Angst. Um 10 Uhr ins Bett.

8. Mai 1945
Dienstag. Von 10 bis 12 Uhr mussten wir bei uns gegenüber auf dem Schutthaufen Nr. 14 arbeiten in Eimerkette. Nachmittags ist Tante Walli mit allen unseren guten Wünschen nach Wilmersdorf losgezogen, um zu sehen, ob da noch alles lebt. Sie ist eine so gute und treue Seele, wie man sie sich suchen kann. Herrn Kaiser haben sie heute abgeholt, weil er auch Nazi war, die Russen haben noch viel gestohlen bei Kaisers, als sie drin waren. Und Frau Kaiser weint fürchterlich, den ganzen Abend, wir hören das ja immer so deutlich, weil unsere Wand fehlt. Abends Mutti den Kopf gewaschen.

woensdag 6 mei 2015

Walter Schwieger -- 7 mei 1915

• Het passagiersschip de Lusitania werd op 7 mei 1915 getorpedeerd door een Duitse onderzeeër, waarna het schip zeer snel ten onder ging. Hieronder twee vertaalde fragmenten uit het verslag van de Duitse kapitein van de onderzeeboot, Kapitänleutnant Walter Schwieger.

“Clear bow shot at 700 [meters] . . . Shot struck starboard side close behind the bridge. An extraordinarily heavy detonation followed, with a very large cloud of smoke (far above the front funnel). A second explosion must have followed that of the torpedo (boiler or coal or powder?) [The superstructure right above the point of impact and the bridge are torn asunder, fire breaks out, and smoke envelops the high bridge.] The ship stopped immediately and quickly listed sharply to starboard, sinking deeper by the head at the same time. It appeared as if it would capsize in a short time. Great confusion arose on the ship; some of the boats were swung clear and lowered into the water.”

“Many people must have lost their heads; several boats loaded with people rushed downward, struck the water bow or stern first and filled at once. . . . The ship blew off steam; at the bow the name “Lusitania” in golden letters was visible. The funnels were painted black; stern flag not in place. It was running 20 nautical miles. Since it seemed as if the steamer could only remain above water for a short time, went to 24 m. and ran toward the Sea. Nor could I have fired a second torpedo into this swarm of people who were trying to save themselves.”

dinsdag 5 mei 2015

Albert Helman -- 6 mei 1955

• Albert Helman (1903-1996) was een Nederlandse schrijver. In 1955 trok hij naar de binnenlanden van Suriname. Zijn reisjournaal van die tocht is gepubliceerd als Het eind van de kaart.

Vrijdag
- Het is het getetter van radio Paramaribo, dat ons des ochtends wekt. Daarmee korten de ‘beschaafde’ lieden zich hier de tijd, godbetert. Maar wij hebben haast, want we willen nog met de bedrijfsleider S. een stuk hogerop, naar het Franse dorp Maripasoela, waar hij aardige bekenden heeft, die volgens zijn betoog een bezoek erg zouden waarderen, en waar nog het een en ander te zien valt.

Dicht bij de soela zelf zien we nog het wrak van een verongelukt watervliegtuig liggen, voor meer dan driekwart in de rivier gezonken. Onnatuurlijk is de zilverwitte aluminiumkleur van de uitstekende delen, zich aftekenend tegen het glanzend-drabbige van het water en het groen van het minieme eilandje waartegen het gedreven ligt. Niemand komt het weghalen. Even verder ligt een groot, opengekapt terrein waarop af en toe een klein vliegtuig van de Fransen sinds kort komt dalen, en vanwaar het weer veilig en wel vertrekt.

Maripasoela ziet er brandschoon uit, een eind verder, en is door dat vliegveld al minder geïsoleerd van de buitenwereld dan Bensi, dat er stiekemweg ook van hoopt te profiteren. Het hindert niet dat de ‘naaste buren’ altijd nog een uurtje varen met de motorboot van hier verwijderd zijn. Monsieur l'administrateur, een stevige bonk van een bistrobaas lijkt het wel, en het hoofd van de Gendarmerie, een lange magere Fransoos, ontvangen ons in een keurig huis; beneden is de kantoorruimte, achter een winkel, en boven de ruime woning met veranda, waar de welgedane madame en een wulpse vijftien- of zestienjarige dochter ons verwelkomen. Het is pas half negen in de ochtend, maar de obligatoire fles witte bordeaux en de droge biscuits komen toch op tafel, en de rest van het gesprek gaat ook voornamelijk over eten, - dat uit St. Laurent du Maroni moet komen, en nu eens wel, dan weer niet arriveert.

De Hollanders en de Fransen helpen elkaar in dit opzicht; jaar in jaar uit blijven ze immers persoonlijk op elkaar aangewezen, totdat de een of de ander wordt overgeplaatst en er een nieuwe familie komt. Ze moeten dan maar afwachten of ze het weer net zo goed met elkaar kunnen vinden. De wildernis leert beter samenleven dan de opgepropte beschavingscentra. Meneer de administrateur heeft een prachtige collectie Indiaanse en Boni-gebruiksvoorwerpen aan zijn kamerwanden hangen, en in allerlei hoeken en gaten weggestouwd. Klaarblijkelijk meer dan het bezit van veel dorpen bij elkaar. Ik misgun ze hem wel niet, maar vraag mij toch af, of hier niet enige cultuurplundering heeft plaatsgevonden, - en met welke middelen? Want er zijn prachtige en zeer zeldzame exemplaren bij, soms in veelvoud, zowel van het kunstigste Boni-houtsnijwerk als van weefsels, vlechtwerk en ceramiek van de Oayana's en Trio's, zelfs van de Emérillons, die nog verder zuidwaarts wonen. De Fransman blijkt wel smaak en inzicht te hebben, maar ook de roofzucht van een echte museumdirecteur.
[lees verder]

maandag 4 mei 2015

Gerrit van der Pals -- 5 mei 1818

• Gerrit van der Pals (1754-1839) was een tekenaar, kunstenaar en kunstverzamelaar. In 1818 kocht hij de buitenplaats Veelzicht.

Veelzigt Eerste Pinxterdag 5 Mei 1818.
Nu kan ik niet langer nalaten om de pen op te vatten en bij dezen U mijn waarde te melden dat ik den 1en dezer van den heer W. O. Bloys van Treslong wonende in 's-Gravenhage gekogt hebbe de buitenplaats Veelzicht gelegen aan de westzijde van den Rotterdamschen en Delfschen rijweg en aan de oostzijde van de rivier de Schie, nabij mijn landgoed Vrijenban, ik zeg nabij, want tusschen de grond van mijn landgoed en de grond van Veelzicht is maar een grond van 10 roeden lengte, welke mijn buurman Valkenburg toebehoord, liggende ten zuiden van Veelzicht, en naderbij kan ik immers niet verlangen iets tot een zomer-, ja zelfs desverkiezende winterverblijf te vinden, al had ik er jaren naar gezocht. En nu veronderstel ik maar dat ik Vrijenban en Veelzicht te samen en gelijkelijk gekogt heb met een servituut, „dat ik van de buitenplaats Veelzicht geen gebruik eerder zou kunnen maken als op den len Meij 1817". Want gij dient te weten, dat ik Veelzicht al een geheel jaar in huur gebruikt heb.
Dewijl de heer Bloys van Treslong de buitenplaats Veelzicht moede was, dewijl hij er met veel onaangenaamheden den eigendom van verkregen had, kogt ik deselve groot omtrent een en een halve mergen met alle desselfs bepoting en beplanting, woonhuis, koepel, tuinmanshuis, arbeidershuis en den opstal van een zedert weinig jaren nieuw gebouwd huis, tot den ontvangst van den tol of passagegeld over den straatweg naar Delft en Overschie leidende gediendt hebbende, al hetwelk ik gehuurt had voor den tijd van twee jaaren zullende eindigen met Meydag van 1818 en onder conditie van elkander te waarschuwen wegens continuatie der huur voor den len November dezes jaars 1818.
Dan de heer Bloys van Treslong verkoos met mij de huur op te zeggen niet tot in het najaar te wagten, maar zeide mij dat hij die huur niet wilde continueeren, maar Veelzicht wilde verkoopen om van de onaangename aandoeningen die deze plaats hem telkens veroorzaakte in 't vervolg ontheven te zijn. De heer Bloys van Treslong had aan den vorigen eigenaar J. H. Ruisch, als vader en voogd over zijne minderjarige kinderen, in huwelijk verwekt met Anna Roodenburg, eene aanzienlijke somme gelds tegens intrest geleend of geschoten onder verband van de nu door mij gekogte en hiervoor breeder omschreven buitenplaats Veelzicht en van de over deselve plaats gelegen bouwmanswoning en verder getimmerte met 15 mergen weij, hooij en teelland aan de oostzijde van meergemelde rijweg. Dan Ruisch had hem in verscheide jaren nog de bedonge aflossing nog den intrest betaald, waardoor de heer Bloys genoodzaakt wierd om Ruisch te vervolgen en te executeeren met dat gevolg dat hij vonnis ten laste van Ruisch gekregen heeft, waarna dat gemelde onderpand in naam van de Hooge Overheid deser lande int openbaar more solito (op de gewoone wijze) aan den heer Bloys verkogt en welke proceskosten meer dan vijf duizend guldens bedragen hebben, welke de heer Bloys aan den procureur Commijs te Rotterdam en andere practizijns alsmede aan de regters etc. heeft moeten betalen boven en behalven de verdere onaangenaamheden, die hij na het bekomen van gemelde vonnis en executie en inkoop van het onderpand nog heeft moeten ondergaan. Daar Ruisen van de plaats niet af wilde gaan, maar nietjegenstaande alle aangewende moeite er op bliefde te blijven wonen, wierd den heer Bloys genoodzaakt hem door gerechtsdienaars van de plaats te laten zetten.
Dan wat deed Ruisch toen? Hij ging woonen in het meergemelde tolhuisje, staande over gemelde buitenplaats, zette daarvoor een stalbak met gras om de passeerende rijtuigen daardoor nog de gelegenheid te geven, om daar aan te rijden en de paarden en passagiers eenige verversching te verschaffen. Ik ben ten dien tijde voorbij Veelzicht gereden, heb de bak zien staan en Ruisch aan een tafeltje zien zitten onder zijn fles en pijp; dewijl hij sustineerde dat dit tolhuisje niet behoorde onder dat onderpand, dewijl het op de weg en niet op het verpande erf door hem gebouwd was en ook een wakend oog wilde houden op de meubelen welke nog in het huis en koepel stonden en aan Ruisch toebehoorden.
Om welke en andere onaangenaamheden voor te komen heeft de heer Bloys hem zijne meubelen laten transporteeren naar een huis te Overschie en hem nog een zak met geld, ik meen 1 a f 275, gegeven, opdat hij Ruisch van zijn sustenu zoude afzien en dat huis te Overschie metterwoon zoude betrekken, 't gene geschied is en waarin Ruisch tegenwoordig nog woont.
Zoudet gij, mijn waarde! in een dergelijk onaangenaam geval verkeerd hebbende, ook wel lust hebben om zulk eene buitenplaats tot uw genoegen, rust en vermaak aan te houden? en ik denk dat gij mij hierop rondborstig antwoorden zult: „Neen".
Door en ter oorzake van al hetgeen ik u gemeld hebbe, is deze buitenplaats Veelzicht mijn eigendom geworden.

zondag 3 mei 2015

Maarten 't Hart -- 4 mei 1999

4 mei. Droom – W. H. Auden heeft terecht gezegd dat andermans dromen zo vervelend zijn. Gewoonlijk val ik daarom nooit iemand lastig met mijn dromen. Maar wat ik vannacht droomde! Ik stond uit te kijken door het raam van de zijdeur. Een kolossaal, lichtroze varken kwam aanrennen door de boomgaard en wierp zich met zijn volle gewicht tegen de zijdeur. Door de klap viel hij achterover op het grind. Hij schreeuwde alsof hij gekeeld werd. Hij krabbelde overeind, snelde door de boomgaard naar de sloot, begaf zich te water en zwom langs de omgewaaide populier naar de overkant. Daar probeerde hij tegen de walkant op te klauteren. Ondertussen was een tweede varken, zo mogelijk nog groter, door de boomgaard aan komen daveren, en ook dat reuzendier wierp zich tegen mijn zijdeur. Ook hij viel achterover en schreeuwde luid. Het eerste varken werkte zich intussen omhoog langs de walkant. Het tweede richtte zich op, en begaf zich eveneens naar de omgewaaide populier. Toen werd ik wakker zodat ik helaas niet weet of het eerste varken weer op het droge is gekomen, en of het tweede varken hem volgde.

Gezondheidswaan – De zuster van mijn grootvader leed aan godsdienstwaanzin. Ze dacht dat ze Maria Magdalena was. Zo erg is het bij mij nog niet, ik zou dolgraag Izebel willen zijn, maar verkondig nog niet dat ik het ben. Soms bekruipt me echter wel het bange vermoeden dat ik lijd aan gezondheidswaanzin. ’s Morgens vroeg neem ik op mijn nuchtere maag een gedroogde, ontzwavelde abrikoos. Dat zou bloeddrukverlagend werken.
Vervolgens eet ik vier donkerbruine boterhammen. De ene dag prokornbrood. Minder zout dan gewoon brood. Bevat allerlei mineralen. De volgende dag vikornbrood. Veel vitamine b.
Om half negen neem ik altijd een capsule q 10 super. Het coënzym q 10, van nature in ons lichaam aanwezig, maar helaas in steeds kleinere hoeveelheden naarmate je ouder wordt, verstevigt het tandvlees, verlaagt de bloeddruk, versterkt de hartspier. Al vrij snel nadat ik het begon te slikken had ik geen last meer van bloedend tandvlees als ik ’s avonds mijn tanden poetste.
Om een uur of half tien neem ik een hapje gepelde pompoenpitten. Van mijn Engelse zwager heb ik gehoord dat daar een stofje in zit dat de kans op prostaataandoeningen vermindert. Mocht het niet waar zijn – zo’n hapje pompoenpitten is buitengewoon smakelijk. Voor diezelfde prostaat eet ik ook elke dag een paar tomaten. In tomaten zit lycopeen en dat schijnt de kans op prostaatkanker te verminderen. Bij Italiaanse mannen komt minder prostaatkanker voor dan bij controlegroepen en dat zou te danken zijn aan het feit dat Italianen zoveel tomaten eten.
Uiteraard drink ik al sinds jaar en dag geen koffie meer. In plaats daarvan drink ik groene Chinese thee. Daarin schijnen allerlei stoffen te zitten die de vrije radicalen uit ons lichaam wegvangen.
Tussen de middag weer pro- of vikornbrood en een halve liter zelfgemaakte yoghurt. De melk haal ik bij Bertus, is dus niet fabrieksmatig behandeld. Mijn yoghurtplantje ververs ik regelmatig.
Na de middagboterham slik ik amlopidine, ofwel norvasc. Dat is een calciumantagonist die de bloeddruk verlaagt. Ik zou dat middel veel liever niet slikken, want er zijn vage geruchten dat het de kans op het optreden van tumoren vergroot, maar het helpt in mijn geval goed tegen de hoge bloeddruk. Andere middelen, bètablokkers, plasmiddelen, bleken geen effect te hebben, en dit middel werkt. Zelfs in de lage dosis van 5 mg. Dus vooruit maar. Hoe hoger de bloeddruk, hoe meer last ik heb van boezemfibrillatie. Met norvasc: bloeddruk 140/90.
Een bezwaar van die calciumantagonisten is dat grapefruits een stofje bevatten die hun werking in ongunstige zin versterkt. Dus ik moet er helaas van afzien om grapefruits te eten. En dat is spijtig, want die bevatten naar het schijnt allerlei reuzegezonde stoffen. Ik compenseer dat met sinaasappels. Elke dag minstens twee. En ananas. Elke dag een schijf (vers). In ananas zit bromeline en dat zou heel goed zijn voor de bloedvaten. Daarnaast eet ik ook elke dag een kiwi. Veel vitamine c, veel vitamine e. En een mango. Ook vitamine c en provitamine a.
Voor het avondeten drink ik altijd één en ook niet meer dan één glas rode wijn. Zou ook goed zijn voor hart en bloedvaten. Bij het avondeten eet ik altijd rauwkost, bij voorkeur geraspte winterwortel met vers sinaasappelsap erdoorheen. Vlees eet ik nooit. Vis tweemaal per week. En dan alleen vette vis, haring, zalm of makreel.
Na het eten slik ik een zink-seleniumpil. We krijgen in Nederland in ons voedsel veel te weinig selenium binnen. Selenium schijnt de kans op het optreden van tumoren te verminderen. Datzelfde geldt trouwens ook voor foliumzuur. Dat zou ik dus ook moeten gaan slikken, want ofschoon het voorkomt in onder meer asperges en spinazie krijgen we daar ook te weinig van binnen.
Al mijn rauwkost maak ik aan met olijfolie. Al wat ik bak, bak ik ook met olijfolie. Die olie is namelijk het best bestand tegen hoge temperaturen.
Wat ik waarschijnlijk te weinig binnenkrijg is linolzuur. Ik moet nog iets bedenken om daar verandering in te brengen.
Ik smeer geen margarine of boter op mijn brood. Ik gebruik geen magnetron.
’s Avonds om acht uur slik ik een pil Phosetamin. Die pil bevat een magnesiumzout. Phosetamin is niet in Nederland verkrijgbaar en wordt me regelmatig door mijn Duitse uitgeefster toegestuurd. Sinds ik dat ben gaan slikken, heb ik, behalve als ik onder spanning sta, veel minder last van boezemfibrillatie.
Me dunkt, als je deze lijst bekijkt, moet je wel tot de conclusie komen dat ik aan gezondsheidswaanzin lijd. Ik ben trouwens bang dat ik nog van alles vergeten heb. O ja, ik eet ook tweemaal per week sojaboontjes. Ook die schijnen de kans op het optreden van tumoren te verminderen. En natuurlijk gaat er bij elke warme maaltijd een half dozijn teentjes knoflook door het eten.

Friedrich Hebbel -- 3 mei 1861

• Friedrich Hebbel (1813-1863) was een Duitse schrijver. Een keuze uit zijn dagboeken is in het Nederlands verschenen als Een blinde bij zonsopgang.

3 mei
Als zigeuners trouwen drinkt het jonge paar uit een kruik. Vervolgens gooit de bruid het vaatwerk over haar schouder kapot op de grond. In zoveel stukken als het springt, voor zoveel jaren is het huwelijk geldig.

Iedere regeringsvorm zou men eigenlijk in stand moeten houden op basis van de extreem daaraan tegengestelde: de republikeinse op autocratische en de monarchistische op republikeinse wijze.

Over een zwijgzaam mens: och, die denkt alleen maar met zijn achterhoofd en daar zit nu eenmaal geen mond in.

In snelheid leg je het altijd af tegen een kanonskogel, maar die is op zijn beurt niet in staat, zoals jij de hoek om te rennen.

Het beste zou men overal in de grote steden op plaatsen waar men het p... wil tegengaan, in plaats van verbodsborden van de politie, gedenkplaten voor lieden van verdienste moeten aanbrengen.

zaterdag 2 mei 2015

Jan Wolkers -- 2 mei 1970

• Jan Wolkers (1925-2007) was een Nederlandse schrijver en kunstenaar. Gedeelten uit zijn dagboek van 1970 zijn te lezen bij Google Books.

ZATERDAG 2 MEI 1970
Tweemaal pootpil.
Om acht uur op. Mijn voet is erg goed genezen op het ogenblik. Liggen lang in bed. We praten over Marijke van Jan Vreeken, van wie hij ons foto's liet zien. Karina heeft wel zin om met haar te spelen. De foto's van Karina en Martha liggen naast me op het tafeltje. Ik bekijk ze. Praat over Martha. Karina vond haar niet geil genoeg, zo koel. Vond dat ze niet echt gepakt werd. Karina slaat de dekens weg en gaat met mijn pik spelen. Ik bekijk ondertussen de foto's. Karina zegt dat Martha net een roofdiertje was. Praten over de session met haar. Karina melkt steeds doorzichtig vocht uit mijn pik. Dan ga ik met haar naaien. Eerst van achteren. Dan van voren terwijl we over J. fantaseren. Dat zij het opwindend vindt om alleen met hem te naaien. Dat als hij komt ik wegga boodschappen doen. Dat zij ondertussen zorgt dat hij haar grijpt. Ze vindt dat met zo'n jonge jongen leuker dan een triootje. Als ze merkt dat ik klaar ga komen zet ze haar tanden in mijn strot. 'Vooruit offerdier. Als je komt word je geofferd.' Na een uur als ik met mijn reet omhoog afgetrokken word steekt ze haar vinger in mijn reet en zegt dat ik moet schijten. Ze legt een krant onder me. Als het komt zegt ze: 'Kom maar met je lekkere warme stront', en smeert er mijn ballen mee in. Ze wordt zo opgewonden dat ze mijn reet schoon likt.
Om kwart over twee gaan we in de Slufter wandelen. Rechtsaf door het aangespoelde hout van van de winter. Tot het eind, waar de 'verboden toegang-paaltjes in de duinen verdwijnen. Daar gaan we naar de plassen in de duinen. Dan tegen de hoge duinen op. Aan de andere kant de polder met rechthoekige stroken geel van de narcissenvelden en de slordige gele plaatsen waar de bloemen na het koppen zijn neergegooid. Het matte blauwige groen van de ontbloemde velden. Het is nevelig weer. Soms zachte druppeltjes op je gezicht als een schoonheidsmasker. Vlak bij ons vliegt een wilde eend weg. Er zitten zeven eieren in het nest. Er is een knoop gemaakt in het lange gras eromheen om het te herkennen. Omdat we denken dat dat door een boswachter gedaan is ter herkenning als hij met een excursie rondtrekt, maak ik met mijn ballpoint op een van de eieren een geheimzinnig tekentje. Ik had het liefst op ieder ei een Chiquita-plakkertje gedrukt.
's Avonds tik ik een uur uit van een bandje van het relaas van Han over Indonesië.