zondag 7 april 2013

Otto van Eck -- 8 april 1794

Dinsdag 8 April [1794]
Vanmorgen ben ik laet te D[elft] gekomen om nog bij mr. Spil te kunnen gaen, waerom ik maer direct na mr. V. Bemmelen vertrokken ben. Het uur van 11 tot 12 vrij zijnde heb ik eerst een bootschap voor mij gedaen toen ten eersten na mr. Berghuis gegaen om zijn schade van voor agt daegen weeder in te haelen, wanneer ik te laet gekomen ben. Thuis gekomen zijnde, ben ik iets gaen maaken aen het hokje om er de tortelduifjes in te kunnen zetten en hiermee bezig geweest tot wij gingen eeten. Op het dessert wat geleezen en daerna wat gaen wandelen en loopen in de koestal en wat warme melk gaen drinken. Papa heeft deeze middag wel thuis geweest, maer Mama en de zusjes weer niet deeze avond, tenminsten voor een groot gedeelte te D[elft] geweest. Voorts heb ik alle mijne zaken niet afgekregen en ook mijn zusjes geen goed vorbeeld in 't spreken gegeeven.


Otto Cornelis van Eck (1780-1798) stamde uit een oude Gelderse familie van hoge ambtenaren en regenten. Hij overleed op zijn 18de aan tuberculose. In de jaren daarvoor hield hij (op last van zijn ouders) een dagboek bij.

Sarah Morgan Dawson -- 7 april 1862

April 7th.
Until that dreary 1861, I had no idea of sorrow or grief.... How I love to think of myself at that time! Not as myself, but as some happy, careless child who danced through life, loving God's whole world too much to love any particular one, outside of her own family. She was more childish then—yet I like her for all her folly; I can say it now, for she is as dead as though she was lying underground.

Now do not imagine that Sarah has become an aged lady in the fifteen months that have elapsed since, for it is no such thing; her heart does ache occasionally, but that is a secret between her and this little rosewood furnished room; and when she gets over it, there is no one more fond of making wheelbarrows of the children, or of catching Charlie or mother by the foot and making them play lame chicken.... Now all this done by a young lady who remembers eighteen months ago with so much regret that she has lost so much of her high spirits—might argue that her spirits were before tremendous; and yet they were not. That other Sarah was ladylike, I am sure, in her wildest moments, but there is something hurried and boisterous in this one's tricks that reminds me of some one who is making a merit of being jolly under depressing circumstances. No! that is not a nice Sarah now, to my taste.

The commencement of '61 promised much pleasure for the rest of the year, and though Secession was talked about, I do not believe any one anticipated the war that has been desolating our country ever since, with no prospect of terminating for some time to come. True the garrison was taken, but then several pleasant officers of the Louisiana army were stationed there, and made quite an agreeable addition to our small parties, and we did not think for a moment that trouble would grow out of it—at least, we girls did not. Next Louisiana seceded, but still we did not trouble ourselves with gloomy anticipations, for many strangers visited the town, and our parties, rides, and walks grew gayer and more frequent.

One little party—shall I ever forget it?—was on the 9th of March, I think; such an odd, funny little party! Such queer things happened! What a fool Mr. McG—— made of himself! Even more so than usual. But hush! It's not fair to laugh at a lady—under peculiar circumstances. And he tried so hard to make himself agreeable, poor fellow, that I ought to like him for being so obedient to my commands. "Say something new; something funny," I said, tired of a subject on which he had been expatiating all the evening; for I had taken a long ride with him before sunset, he had escorted me to Mrs. Brunot's, and here he was still at my side, and his conversation did not interest me. To hear, with him, was to obey. "Something funny? Well—" here he commenced telling something about somebody, the fun of which seemed to consist in the somebody's having "knocked his shins" against something else. I only listened to the latter part; I was bored, and showed it. "Shins!" was I to laugh at such a story?


Sarah Morgan Dawson (1842-1909) woonde tijdens de Amerikaanse burgeroorlog in Louisiana en hield in die periode een dagboek bij.

Stijn Streuvels -- 6 april 1916

6 april 1916
Van de morgen werden wij opgeschrikt door hevige ontploffingen! Een vlieger ergens die bommen werpt? Maar de ontploffingen herbeginnen bij regelmatige tussenpozen zodat het blijken kanonslagen te zijn... heel in de nabijheid afgevuurd? Grote verslagenheid onder de inwoners die buitenkomen om nader bescheid te weten over het gevaar! Al wie voorbijgaat wordt opgehouden en naar nieuws gevraagd. Zogauw worden de raarste onderstellingen gemaakt en de stoutste beweringen vooruitgezet. 't Zijn de bruggen die in de lucht vliegen - een zeker teken van de aanstaande aftocht. - Het kanon dondert inderdaad vervaarlijk. Een wijveke weet het al! De opperste [opperbevel] van de Duitsers te Avelgem heeft gezegd dat er na 2 dagen geen treinen meer zouden rijden! En de opperste van de Duitsers te Kortrijk zijn naar Duitsland vertrokken... omdat ze wisten wat er zou gebeuren! - Gissingen van alle aard worden gedaan - tot eindelijk de jongen aankomt die de dagbladen verkoopt - en van hem vernemen we dat het soldaten zijn die... leren schieten. De kanonnen staan te Deerlijk en te Harelbeke. Van nu voort hebben de felle ontploffingen alle indrukwekkende vervaarlijkheid verloren en iedereen blijft aan zijn bezigheid. Een andere komt ons eigenlijk de ‘Waarheid’ vertellen - en zegt dat men langs Kuurne aan 't oefenen is met handgranaten.


Stijn Streuvels (1871–1969) was een Vlaamse schrijver. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield hij een dagboek bij.

vrijdag 5 april 2013

Gaston Burssens -- 5 april 1943

Er is niet veel meer dat mij nog kan verontwaardigen. Er is zoveel gebeurd, er gebeurt nog zoveel wat nooit mogelijk scheen ooit te zullen gebeuren, dat men te langen laatste immuun wordt tegen iedere inwerking op het gevoel en het verstand van buiten naar binnen.
Maar wat zich vandaag heeft voorgedaan is zó erg dat het pantser van immuniteit met één slag, die er in werkelijkheid honderden waren, werd doorboord - wat de oorzaak is dat ik thans met bevende hand zit te schrijven. Ik zit in de vroege namiddag aan het raam in de eerste lentezon naar buiten te kijken, zo maar, naar de wandelaars. Boy heeft al een paar maal de oren gespitst en zacht gegromd zonder dat ikzelf iets verdachts heb waargenomen. Opeens zie ik vele wandelaars verschrikt omhoog kijken en enkelen zich tegen de grond werpen. Toen hoorde ik plots het loeien der alarmsirenen, gevolgd door een aanstormend gehuil, gevolgd door een paternoster van oorverdovende klappen. Alle ruiten vliegen stuk. Alle deuren vliegen open. Boy rent huilend naar de schuilkelder, ik hem vierklauwens achterna. Het bombardement leek mij nooit te zullen ophouden en ik had de indruk dat mijn zogenaamd bomvrije kelder door elkaar werd geschud. En toen werd het plots doodstil. Boy staat te hijgen en ik sta te rillen. Ik sluip voorzichtig naar boven, maar bij de derde tree begint het spektakel opnieuw. Ik tuimel over Boy weer de kelder in en de stalen deur slaat met een kanonschot dicht. Toen is de tijd voor mij stil blijven staan en ik kan nu nog niet verklaren na hoeveel tijd ik weer versuft op de straat stond. Daar zag ik de puinen van Pompei liggen onder een dunne laag sneeuw, en onder een grauwe hemel terwijl ikzelf in volle zon stond.
Ik heb uren lang door de puinen van Mortsel gedwaald; hele, halve en stukken lijken zien liggen, stervenden horen kreunen, kinderen 'horen huilen, vrouwen zien krankzinnig worden, en mannen horen vloeken die met blote handen in het puin scharrelden op zoek naar hun vrouw, hun moeder, hun kind misschien...
Als ik ooit mocht wensen de verantwoordelijke staatsleiders levend te zien villen, dan zou het nu zijn!


Gaston Burssens (1896-1965) was een Vlaamse schrijver. Zijn Dagboek werd in 1988 uitgegeven

donderdag 4 april 2013

Frans Molenaar -- 4 april 1979

Woensdag 4 april
Opgestaan 6.30 uur. Alle medewerkers waren om 8 uur aanwezig: stoelen en podium waren reeds verstuurd, collectie ingepakt; mannequins arriveerden, make-up mensen, kappers, modisten, schoenenman en geluidstechnicus druppelden binnen. Kortom: 'Het Circus' (Toni Boltini) kon beginnen. Iedereen was al doodmoe van alle afgelopen weken overwerken, doorpassen, repetities etc. We stonden voor een belangrijke dag. Eerste show, de try-out, om 11.00 uur. Nerveus en, met gemengde gevoelens, hard gewerkt om vervolgens alles voor te bereiden voor een tweede show, de pers-presentatie. Er moest nog een geluidsband veranderd worden, enkele jurken werden eruit gehaald, die achteraf niet voldeden en de laatste creaties kwamen van het atelier. En ja hoor, daar kwamen ze dan: de modepers, de VIP's, oude bekenden, trouwe klanten, bewonderaars en... de roddelaars. Met andere woorden: een atmosfeer om de zenuwen van te krijgen. Bij het zien van sommigen denk je dan: Goh, die schrijft niet meer over mode, maar komt toch, wat leuk, die interesse!
Nog even vlug enkele ANP-foto's gemaakt en ik constateerde dat de mode-redactrice van de Volkskrant er weer niet was. Oh ja, dat is waar: de Volkskrant verstrekt geen informatie meer over Haute Couture, alleen nog over macramé en 2de-handskleding. De dienstdoende dame van de NRC zie ik weer met een zuur gezicht binnenkomen en ineens realiseer ik me: natuurlijk kijkt ze zuur, wat wil je met een moeder die een briljante comédienne is, een zuster die een zeer geprezen actrice is en een vader die een even talentvolle en alom geroemde kunstenaar was, en zelf ooit aan een balletcarrière begon die mislukte en nu via TV-quizzen naast goedkope zangeressen moest zitten om toch maar de publiciteit te halen; daar zou ik ook zuur van worden!
Maar ach, tout savoir c'est tout pardonner.
Wat aardig daarentegen dat een man als Willink zo geïnteresseerd blijft en op handen wordt gedragen door zijn vrouw Sylvia, en dan altijd weer een stralende Marte Röling en Mies Bouwman te zien zitten, en een perfect uitziende Ellen Vogel en — zo kan ik uren doorgaan.
Maar goed: 15.10. De show gaat beginnen. Het zoveelste glaasje water is mij al door de geluidsman Ruud aangegeven, en zo zullen er nog ettelijke glazen water volgen (gemiddeld Y per show). Plotseling zie ik — of liever ruik ik — een crêpe de chine blouse verbranden, die in de nervositeit op een asbak was gegooid, omdat een topmannequin 3 passages vrij had en net zoals iedereen op was van de zenuwen. Van de 50 paar schoenen vliegen er van 13 paar de banden los, maar: The show must go on!
16.50. Défilé van de mannequins, wij slaken diepe zuchten; de persshow zit erop. Na het nuttigen van enkele glaasjes uitsteken¬de champagne en overheerlijke hapjes merken we al snel dat deze 25ste Couture-presentatie goed is ontvangen. Vervolgens ben ik aan mijn 2e bad toe en wederom andere kleren en laat mijn overgelukkige ouders uit. Tot slot wachten ons nu de voorbereidingen voor de 3 de presentatie. Overigens lijkt het mij opmerkelijk te vermelden dat velen zeiden: 'Die arme mannequins, 3 shows op één dag'; maar wat dacht u van 2 perfecte assistenten die alle mensen op de plaats hebben gezet en zodoende wel 9 keer het parcours hebben gelopen in één en dezelfde jurk.
Eindelijk kwam de goede geluidsband en hadden wij door op wie welke jurk het beste stond en dat bepaalde hoeden op bepaalde modellen niet pasten, en zo ga je maar door. Dus begonnen wij opgewekt aan de derde show om 8 uur. Ondertussen was de zaal meer dan volgestroomd. Gereserveerde plaatsen waren ingenomen door staatssecretarissen en onaangekondigde buitenlandse prinsessen. Dus van het uitstekende seating systeem was geheel niets meer over, maar het was oer-gezellig. De temperatuur was inmiddels tot tropische hoogte gestegen. De geluidsband werd gestart. De 6 ragdunne, beeldschone mannequins konden aan de finale van deze mode-estafette beginnen. Halverwege de show bleek dat Elke en Liesbeth de slappe lach kregen, hetgeen een komische uitwerking had op het publicum. De 18 mensen die achter zo keihard gewerkt hadden, waren blij toen zij de muziek hoorden voor het laatste défilé (americain, zoals de Telegraaf later schreef). Na een minutenlang applaus konden wij ons weer op de champagne storten. We dachten: dat was het weer, maar er moest weer worden gewerkt: opruimen, inpakken, opvouwen, af-schminken etc. etc. Vluchtige gesprekken met de gasten. Om 23.00 uur waren we terug op de Oranje Nassaulaan 13 ('het Gesloten Huis van Frans Molenaar') alwaar we met de medewerkers en vrienden de videoband van de perspresentatie hebben teruggekeken, onder het genot van eerder genoemde drank. Randy (stagiaire) haalt om 24.00 uur per taxi de ochtendkrant. Slot van deze dag: 2 uur in de morgen, gelukkig en gevloerd.


Frans Molenaar (1940-2015) was een Nederlandse modeontwerper. In 1979 hield hij op verzoek van NRC Handelsblad een 'Hollands Dagboek' bij.

dinsdag 2 april 2013

Simon Vinkenoog -- 3 april 1964

vrijdag 3 april 1964 [de achtendertigste dag]
Robert Graves doet mij de Dichter ontdekken; het eeuwige thema staat mij de Hoofdletter toe. Ik heb mijn Godin nog niet in badpak aanschouwd (het wordt een grote zomer).
Ik kan met geen grotere beloftes in zee gaan. Een meisje noemen wij Susila.
Ir. drs. M.H. Ekker (Gurdjieff-Avontuur): ‘In vergelijking met de andere bewustzijnstoestanden - zelfbewustzijn, en objektief bewustzijn - is ons zogenaamde waken te vergelijken met slapen, een soort wakend slapen. Worden wij niet in het Nieuwe Testament telkens weer opgeroepen te ontwaken? Het diepe en zeer reële verschil kunnen wij ervaren in de enkele momenten waarin wij met een schok uit de ban van deze hypnotische slaap loskomen, iets meer wakker zijn, ons “herinneren”, meer “aanwezig” zijn. De mens is naar opvoeding en maatschappij een volkomen mechanisch apparaat, een machine, zowel lichamelijk als geestelijk.’
‘Ik moet de waarheid ervan met mijn gehele wezen ervaren. Dan pas is zij voor mij waar, en kan niemand mij ooit meer van het tegendeel overtuigen. Omdat ik er één mee geworden ben. En dan ook pas kan ik proberen anderen te helpen om zelf ook tot die waarheid te komen.’

*

Het weten gaat vooraf aan de werking van de hogere funkties, met de meer potente energieën; de werkelijke verandering zal gepaard gaan met een verruiming van het bewustzijn.
Het is een zien zonder oordelen, de meest onpersoonlijke objektieve waarneming (perceptie) zonder emotionele vertroebeling, zonder vooropgezet streven, open voor ervaring: een jeugdideaal verwezenlijkt, de Dichter die het Grote Avontuur beleeft. Het enig avontuur: sprookje en werkelijkheid, droom en daad, woord in maag en hersenen, liefde in spieren en zintuigen, kracht in zenuwen en hersenen: klaar voor verder, hoger, sneller, kristalhelder klaar: het nadert.
Van de rozen de geur, als de wereld verhongert.

*

Een Noors sprookje. Het is nog niet uitverteld, ik ben nog niet uitgevonden. Maar ik hoef niet langer te zoeken: genoeg toekomst bij Rosalie, Juana en Matthias. Ze leren luisteren naar wat waar is, en niet naar wat hun wordt voorgelogen. Genoeg kinderen om vrijheid en geluk mee te bouwen. Een sprookje toegankelijk voor alle leeftijden (opgetekend uit de Noorse mond van Pete's Ingrid, moeder van zijn kind, een half jaar oud mee naar Spanje vertrokken): ‘Three little men, big like this (smaller than a finger, see?), they live along the beach, in a little house, with their Aunt Clara. They go fishing everyday, everyday is ok. Then one day something happens to them. What?’ Ze kijkt me vorsend aan, haar vinger drukt op mijn das. Ik weet het niet, wat moet ik zeggen, welke kant gaat het sprookje uit? Mijn Noors is te slecht, m'n Engels ontoereikend.
Telkens opnieuw herhaalt ze me de eerste gegevens van het boek, dat ze schrijft en tekent. Ik kom tot enkele ongeduldig verworpen vervolgzinnen:
‘One of them falls in love? With a girl? The others fall in love with her too?
Neenee, schudt ze van nee, ze vervolgt weer:
‘They are taken under the water, you know. In another world.’
Of zij op deze wereld leefden, dan, voorheen?
‘Of course not,’ kwaad bijna kijkt ze me aan, kijkt om zich heen, wijst dan nauwgezet, ongeduldig: ‘They are só small!’ Twee kleine vingers op ooghoogte.
Maar, aarzel ik (soms ben ik verleerd sprookjes te beluisteren): zijn het dan geen elfjes of kabouters?(fairies, gnomes?) ‘Nee, alleen maar zulke kleine mannetjes... En ze hebben ook een King. Hoe die heet? Die heeft nog geen naam. Hun tante wel, Clara, you understand: Aunt?’
Jaja, haast ik mij te zeggen; kinderen hebben tot deze wereld geen toegang. En ze leven onder water? ‘Yes, and at the end they come out off the water again. What happens to them?’
Ik ben niet bij machte het sprookje thuis te brengen; ze heeft het zelf bedacht, of ging het tekenen het denken vooraf? Tegelijk? Gelukkige mannetjes, ze lagen de hele dag op het strand, ze visten en ze aten lekkere maaltijden die door hun tante werden klaargemaakt, heel mooie zee, in de verte de horizon, maar eigenlijk gebeurt het allemaal onder water, weet je? Het zijn geen lilliputters, want er is geen Gulliver aanwezig, ik voel me verdwaald op de zeebodem, in verre diepten van Triffids (want dat woord verstond ik duidelijk in haar mond), waar plotseling kleine huisjes staan met tantes en koningen, en waar kleine mannetjes worden meegetrokken in zee onder zee, water onder water.
Ik zie de horizon, de scheiding tussen water en niet-water, onder-water, en huiver. Maak mij van haar los, ze kijkt me glimlachend na. Weet ze, dat ik in verwarring ben gebracht door haar sprookje?
Ik heb vele plannen: een science-fiction gedicht, maar het is geen fiction.
Een eenvoudig verhaal. Het leven van Robert Jasper.
De mensen zo waardevoel als het doel.
Ewald stelt ze de vraag: ‘Waarom leeft u?’ Verbluffende radio-antwoorden, zegt hij.


Simon Vinkenoog (1928-2009) was dichter en schrijver. In Liefde. Zeventig dagen op ooghoogte hield hij een soort dagboek bij van een bewogen periode in Amsterdam.

maandag 1 april 2013

William L. Shirer -- 2 april 1939

Warsaw, April 2

Attended a pitiful air-show this Sunday afternoon, my Polish friends apologizing for the cumbersome slow bombers and the double-decker fighters — all obsolete. They showed a half-dozen modern fighters that looked fast enough, but that was all. How can Poland fight Germany with such an air force ?


William Lawrence Shirer (1904-1993) was een Amerikaanse journalist, geschiedkundige en schrijver. Van zijn jaren als correspondent in Europa hield hij een dagboek bij, dat is uitgegeven als Berlin Diary.