dinsdag 2 april 2013

Simon Vinkenoog -- 3 april 1964

vrijdag 3 april 1964 [de achtendertigste dag]
Robert Graves doet mij de Dichter ontdekken; het eeuwige thema staat mij de Hoofdletter toe. Ik heb mijn Godin nog niet in badpak aanschouwd (het wordt een grote zomer).
Ik kan met geen grotere beloftes in zee gaan. Een meisje noemen wij Susila.
Ir. drs. M.H. Ekker (Gurdjieff-Avontuur): ‘In vergelijking met de andere bewustzijnstoestanden - zelfbewustzijn, en objektief bewustzijn - is ons zogenaamde waken te vergelijken met slapen, een soort wakend slapen. Worden wij niet in het Nieuwe Testament telkens weer opgeroepen te ontwaken? Het diepe en zeer reële verschil kunnen wij ervaren in de enkele momenten waarin wij met een schok uit de ban van deze hypnotische slaap loskomen, iets meer wakker zijn, ons “herinneren”, meer “aanwezig” zijn. De mens is naar opvoeding en maatschappij een volkomen mechanisch apparaat, een machine, zowel lichamelijk als geestelijk.’
‘Ik moet de waarheid ervan met mijn gehele wezen ervaren. Dan pas is zij voor mij waar, en kan niemand mij ooit meer van het tegendeel overtuigen. Omdat ik er één mee geworden ben. En dan ook pas kan ik proberen anderen te helpen om zelf ook tot die waarheid te komen.’

*

Het weten gaat vooraf aan de werking van de hogere funkties, met de meer potente energieën; de werkelijke verandering zal gepaard gaan met een verruiming van het bewustzijn.
Het is een zien zonder oordelen, de meest onpersoonlijke objektieve waarneming (perceptie) zonder emotionele vertroebeling, zonder vooropgezet streven, open voor ervaring: een jeugdideaal verwezenlijkt, de Dichter die het Grote Avontuur beleeft. Het enig avontuur: sprookje en werkelijkheid, droom en daad, woord in maag en hersenen, liefde in spieren en zintuigen, kracht in zenuwen en hersenen: klaar voor verder, hoger, sneller, kristalhelder klaar: het nadert.
Van de rozen de geur, als de wereld verhongert.

*

Een Noors sprookje. Het is nog niet uitverteld, ik ben nog niet uitgevonden. Maar ik hoef niet langer te zoeken: genoeg toekomst bij Rosalie, Juana en Matthias. Ze leren luisteren naar wat waar is, en niet naar wat hun wordt voorgelogen. Genoeg kinderen om vrijheid en geluk mee te bouwen. Een sprookje toegankelijk voor alle leeftijden (opgetekend uit de Noorse mond van Pete's Ingrid, moeder van zijn kind, een half jaar oud mee naar Spanje vertrokken): ‘Three little men, big like this (smaller than a finger, see?), they live along the beach, in a little house, with their Aunt Clara. They go fishing everyday, everyday is ok. Then one day something happens to them. What?’ Ze kijkt me vorsend aan, haar vinger drukt op mijn das. Ik weet het niet, wat moet ik zeggen, welke kant gaat het sprookje uit? Mijn Noors is te slecht, m'n Engels ontoereikend.
Telkens opnieuw herhaalt ze me de eerste gegevens van het boek, dat ze schrijft en tekent. Ik kom tot enkele ongeduldig verworpen vervolgzinnen:
‘One of them falls in love? With a girl? The others fall in love with her too?
Neenee, schudt ze van nee, ze vervolgt weer:
‘They are taken under the water, you know. In another world.’
Of zij op deze wereld leefden, dan, voorheen?
‘Of course not,’ kwaad bijna kijkt ze me aan, kijkt om zich heen, wijst dan nauwgezet, ongeduldig: ‘They are só small!’ Twee kleine vingers op ooghoogte.
Maar, aarzel ik (soms ben ik verleerd sprookjes te beluisteren): zijn het dan geen elfjes of kabouters?(fairies, gnomes?) ‘Nee, alleen maar zulke kleine mannetjes... En ze hebben ook een King. Hoe die heet? Die heeft nog geen naam. Hun tante wel, Clara, you understand: Aunt?’
Jaja, haast ik mij te zeggen; kinderen hebben tot deze wereld geen toegang. En ze leven onder water? ‘Yes, and at the end they come out off the water again. What happens to them?’
Ik ben niet bij machte het sprookje thuis te brengen; ze heeft het zelf bedacht, of ging het tekenen het denken vooraf? Tegelijk? Gelukkige mannetjes, ze lagen de hele dag op het strand, ze visten en ze aten lekkere maaltijden die door hun tante werden klaargemaakt, heel mooie zee, in de verte de horizon, maar eigenlijk gebeurt het allemaal onder water, weet je? Het zijn geen lilliputters, want er is geen Gulliver aanwezig, ik voel me verdwaald op de zeebodem, in verre diepten van Triffids (want dat woord verstond ik duidelijk in haar mond), waar plotseling kleine huisjes staan met tantes en koningen, en waar kleine mannetjes worden meegetrokken in zee onder zee, water onder water.
Ik zie de horizon, de scheiding tussen water en niet-water, onder-water, en huiver. Maak mij van haar los, ze kijkt me glimlachend na. Weet ze, dat ik in verwarring ben gebracht door haar sprookje?
Ik heb vele plannen: een science-fiction gedicht, maar het is geen fiction.
Een eenvoudig verhaal. Het leven van Robert Jasper.
De mensen zo waardevoel als het doel.
Ewald stelt ze de vraag: ‘Waarom leeft u?’ Verbluffende radio-antwoorden, zegt hij.


Simon Vinkenoog (1928-2009) was dichter en schrijver. In Liefde. Zeventig dagen op ooghoogte hield hij een soort dagboek bij van een bewogen periode in Amsterdam.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen