dinsdag 12 april 2016

Eugène Delacroix -- 13 april 1853

Eugène Delacroix (1798-1863) was een Franse schilder. Dagboekfragmenten en brieven van zijn hand zijn verzameld in Ik heb het niet over middelmatige mensen (vertaling: Joop van Helmond).

Woensdag 13 april. [1853] – Je moet een schilderij altijd een beetje bederven om het af te maken. De laatste touches die erop gericht zijn harmonie tussen de verschillende onderdelen te scheppen, ontnemen er de frisheid aan. Je kunt er alleen mee voor de dag komen nadat je alle heerlijke slordigheden waar de kunstenaar zo verzot op is, hebt weggewerkt. Ik vergelijk die moorddadige retouches met de banale ritornellen waarmee alle melodieën afsluiten, en met de onbeduidende opvulsels die de componist tussen de interessante stukken van zijn werk moet plaatsen om van het ene motief op het andere over te stappen, of om ze beter uit te laten komen. Toch zijn de retouches voor een schilderij niet zo funest als men zou kunnen denken, wanneer het schilderij goed doordacht is en met een diep gevoel uitgevoerd is. Door de eerste zowel als de laatste penseelstreken weg te werken geeft de tijd aan het werk zijn uiteindelijke eenheid terug.

Woensdag 20 april. [1853] [...] Toen ik samen met Grzymala terugging, hebben we over Chopin gesproken. Hij vertelde me dat diens improvisaties veel gedurfder waren dan diens voltooide composities. In dat opzicht staan ze ongetwijfeld in dezelfde verhouding tot elkaar als de schets voor een schilderij tot het voltooide schilderij. Nee, men bederft een schilderij niet door het af te maken! Misschien dat er minder ruimte is voor de verbeelding als de schets eenmaal is uitgewerkt. Men ervaart andere indrukken van een bouwwerk dat wordt opgetrokken en waarvan de details nog niet zijn ingevuld, dan van hetzelfde bouwwerk nadat het de aanvullende ornamentering en afwerking heeft gekregen. Hetzelfde geldt voor een ruïne, die frappanter overkomt door de ontbrekende onderdelen. De details zijn weggevaagd of verminkt, net zoals men in een bouwwerk in aanbouw nog niet meer dan de rudimenten en de eerste vage aanzetten ziet van de kroonlijsten en sierelementen. Het voltooide bouwwerk sluit de verbeelding binnen een cirkel en verhindert deze erbuiten te treden. Misschien dat de schetsmatige opzet van een werk alleen maar zo in de smaak valt omdat iedereen hem op zijn eigen manier kan uitwerken. Kunstenaars die begiftigd zijn met een uitzonderlijke gevoeligheid en die een fraai kunstwerk bekijken en zelfs bewonderen, zijn geneigd het niet alleen te bekritiseren om de tekortkomingen die er wel degelijk in zitten, maar ook vanwege het verschil dat het vertoont met hun eigen gevoel. Toen Correggio zijn beroemde uitspraak Anch’io son’ pittore deed, bedoelde hij te zeggen: ‘Dit is een fraai kunstwerk, maar ik zou er iets in gelegd hebben wat er niet in zit.’ De kunstenaar bederft het schilderij dus niet door het te voltooien; alleen door de vaagheid van een schets op te geven toont hij meer van zijn persoonlijkheid en onthult daarmee de volledig reikwijdte, maar tevens de grenzen van zijn talent.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen