zondag 6 november 2022

Paul Verlaine • 5 november 1892

• Op uitnodiging van een aantal Nederlandse bewonderaars bracht de Franse dichter Paul Verlaine (1844-1896) van 2 tot 14 november 1892 een bezoek aan Nederland. Hij hield lezingen in Den Haag (waar Henriette van der Schalk haar toekomstige echtgenoot Richard Roland Holst leerde kennen) en in Amsterdam. Toen hij weer terug was in Frankrijk schreef hij Quinze jours en Hollande, een soort van (ongedateerd) dagboek, dat door Karel Jonckheere in het Nederlands is vertaald als Twee weken Holland.

Niet dadelijk doet zich hier het mirakel voor. Niets gelijkt meer op de Belgische grens dan de Hollandse omgeving, langs deze kant van beide landen. Groen, weinig bomen, een beetje meer water in de slootjes, en, o zo nederig dezelfde dorpjes, op weinig verschillen na. Nochtans, naarmate we met volle stoom verder rijden, wordt het groen al maar groener, slinken de bomen nog meer, wordt het water driester. Het verdunt zich in smalle kanaaltjes, zo maar om godswil, vloeiend, of liever stilstaande ver en recht voor zich uit (iets wat de Engelsen drains noemen, in parallelle en smalle stroken de weiden verdelend, waar overvloedig vee graast - met op het end van een twintigtal dergelijke lapjes en in het midden ervan een windmolen.

De lieve eentonigheid van deze eindeloze regelmatige uitzichten, verloomt een beetje de eerste belangstelling en, wat mij betreft, ik onderging deze sensatie zo sterk, dat een halve slaap niet langer op zich liet wachten om me in een gezapig hoekje van mijn coupé te laten indommelen, halve slaap bevolkt door een vage voorbereiding van mijn lezingen, zo druk weldra, dat hij weldra ontaardde in een diepe en langdurige slaap, tot de avondschemering ervoor zorgde dat de lamp boven mijn hoofd aan het branden ging. Ik verwenste de loomheid, die mij minstens gedurende een dik uur belet had de mij nieuwe vergezichten te bekijken, en die wel afwisselend moesten geweest zijn tijdens mijn schijndood, en ik ging voor het raam staan. Mens, hoe anders waren ze geworden die vergezichten!

Een eindeloze bebloede, vergulde uitgestrektheid water, even vergroend door de laatste inspanning van de zonsondergang, lag onbeweeglijk voor me, met zwarte zeilen van nauwelijks bewegende boten in het groeiende donker en de neerslaande schemernevels. Dit aan de linkerkant. Rechts hetzelfde schouwspel. Een eindeloze ijzeren brug, waar de trein langzaam over reed met regelmatig geluid, machtig bijna, precies door de regelmaat in die macht... Eens de nacht voor goed ingevallen, wiste het water zich uit om plaats te maken voor dorpen, die men bijna ondergelopen waande, zo omringd waren ze langs alle kanten door water... maar dit was tenminste wat mensdom... Een toren, windmolens, schaduwen van huizen, doorprikt in de nevel met pinkende lichten, Dordrecht, naar het schijnt. Even vroeger heette het water de Moerdijk, als ik me niet vergis.

Het duister, de vermoeienis deden me weer in mijn geliefkoosde hoek kruipen, gekoesterd in een strenge bekoring, een zeer zoete nochtans. Het wachten, moet ge weten, en vooral het wachten op iets goeds, iets hartelijks, daarnaast nieuwsgierigheid, - en de sluimer maakte zich opnieuw van mij meester, om alleen nog onderbroken te worden door hetzelfde machtig en regelmatig dokkeren, dit keer door rijen lichten, zeer dicht bij elkaar, en zeer nabij. Een andere ijzeren brug die scheerlings over huizen met trapgevels - of vreemdsoortig gepunte huizen liep, kanalen voorgoed thans en talloos, over straten vol gas- en elektrische lampen, getuigen van grote winkels, van handel van een bijna Parijse elegantie. Een grote stad eigenlijk...

Rotterdam

Na 't groene land te hebben overschreden
vol geleid water, waar op elke hoek
een windmolen het deurenstel regeert
voor 't machtig spel van de wijd-open sluizen,

die meren vormen vol intense weemoed,
bijna somber in bloedend avondgoud
van zwarte lucht, waar een zwart zeil of soms
een zwarte dam aan 't dwalen is en 't dansen.

De trein, hels en verwoed onder het maanlicht,
doet plots aan zwervend dansen op zijn beurt
en dondert eensklaps als in ovenlicht
zeer zacht en blij, teer-bruin van weerschijn,

een beetje rozig, als een geile deerne
verzadigd, rijdt tussen tralies door
boven een stad met schijn-bedaarde daken,
langs ramen, waar 't bestaan, kalm en waar

zich gaat vertonen zuiver, sterk en goed,
na al het gruwzame van wak en lucht,
om tussen de gordijnen neer te zien
op 't felle jagen van ons ijlend rijden.

En na een korte halte in het station te Rotterdam trekt de trein opnieuw de nacht in. Hij moet, want het is nacht, - tussen water door langs stroken groen (hoe het anders gezegd? schellen groen, stukken, enz.?), dan, na water in reepjes en plakjes, tussen groter oppervlakten met zwarte zeilen en dansende boordlichten in het donker, en uitzichten op windmolens, die met hun stilstaande wieken grote kruisen vormen op de zwart-rode hemel.

Ongeveer een uur na dit stil vertier, maar meer nog groots spektakulair vertoon, fluit de lokomotief gerekt - en we rijden het Haagse station binnen.

- Den Haag! Den Haag!, blaffen de blaffers. Ik vraag me af waar ik ben in mijn uiterste verwarring, want ik dacht dat men La Haye moest zeggen, o monsieur Perrichon! (Londres, dat de Engelsen London noemen! Enz.!) Terwijl ik aan het dralen ben, aan het sukkelen en mij verveel, doet de brave B..., die mij in Parijs heeft gekend, teken van op het balkon, en op een wenk van hem, ontnemen tien, twintig personen, die uit de schaduw treden in volle elektrisch licht, mijn geringe bagage en ontvoeren me eerder dan ze me brengen tot bij een gerieflijke huurkoets, in Parijs niet te vinden, en zo word ik weggebracht op de draf van een uitstekend paard (Is hier dan alles goed in Holland?), gevolgd door twee rijtuigen, langs mooie straten, misschien niet te Vlaams, misschien niet Vlaams genoeg, goed verlicht en zwierig van aanleg. Heel wat keren rijden we onder overdekte passages, die uitkomen op een hertogelijke of koninklijke of nog een andere plaats, elke of daaromtrent met een stenen, marmeren of bronzen Willem de Zwijger. Er is er zelfs een bij van de Mathildische Nieuwerkerke.

Wij kruisen een stoet met ‘Kleine roze meisjes op klompjes uit de preek.’ Zwarte jurk en witte voorschoot; ge denkt aan katolieke wezen uit de provincie.

De Verlainse stoet, aangezien Verlaine en Verlainien bestaan, houdt stil bij de ingang van een passage met vitrines, niet verschillend van vele andere, zoals de Galeries Viviennes, de Galeries Saint-Hubert, maar deze is vanzelfsprekend van jongere datum, beter. Trouwens is de architektuur, de opstelling, de verlichting aannemelijk; eveneens de elegantie en de prijs... ongeveer die van Parijs. Dit wonder van de dagen draagt de nederige of de hovaardige naam, zoals gij wilt, in het Frans en in het Hollands ‘Le Passage’, zonder de naam van een groot man of een plaats op sleeptouw.

In het centrum van deze Passage bestaat een gelegenheid voor het drinken van likeuren, schiedam, bitter, erg beklant, maar zonder veel vertoon. Dit wordt ons eerste oponthoud in 's-Gravenhage, - naar de duivel met de zesendertig keer in elkaar verstrengelde verklaring van dit vreselijke woord. Ik meen dat elke verklaring, die geen les in de geschiedenis zou zijn, het niet verder brengen zou dan het werk van de voortreffelijke heksen uit Victor Hugo's Cromwell, die ‘zingen terwijl ze knopen maken!’

(De haag van de graaf, want waarom die possessieve 's? Neen, zeg ik maar, beter zich te onthouden!). En dat is nog maar één, genoeg, nietwaar? Enkele ogenblikken later overrompelen wij een prachtige zaak, met allemaal bloemen, struiken, spiegels, lampen, waar ons een echt titanenfestijn wordt opgediend, ‘gerechten en dranken van overal gebracht.’

Schilder Philippe Zilcken en ik worden gescheiden, neen, niet van het vulgum, maar van het urbanum, van het civile, het citadinum pecus, en, overtuigde plattelandsbewoners, die we zijn, we rijden ‘zweepslags’ naar het eerder verre buitenverblijf, Helene-Villa (alweer een naam om weg te lopen, naar de polders dit keer, Bezuidenhout, waarde vriend), waar een Belgische vrouw, niet kwader maar hoeveel beter dan een Parijse (verontschuldig een gekwetste), ingoed en geestig ons ontvangt zonder al te veel morren... Op haar arm draagt ze, wakker geworden met een glimlach, hun lieve, kleine Renée, voor wie ik, voor alles, dit sonnet schrijf:

Aan Mej. Renée Zilcken

O mejuffer Renée,
alleraardigst snoezig kind,
dat de lieve God u geve
zwierig leven en fortuin.

Groei, verdiend door liefde omgeven,
in wijsheid zacht en goed,
onder 't blij verbaasde oog
van uw bekoord gezin.

Wees de hoop en het geluk
van uw vader, hij, de eer
van de kunst en uw familie,

en van uw moeder, zij, de eer
en de gratie van de uwen,
verbaasd om dit geluk.

Vroeg kapselt de slaap mij in, op de tweede verdieping, in een gerieflijke kamer, die tijdens het hele verblijf de mijne zal zijn. Wat een slapen! tot morgen!

Geen opmerkingen:

Een reactie posten