donderdag 9 april 2015

W.N.P. Barbellion -- 10 april 1915

W.N.P. Barbellion (1989-1919) was het pseudoniem van Bruce Frederick Cummings, een Britse natuurvorser. Hij overleed aan multiple sclerose. Zijn dagboeken worden nog steeds gelezen.

April 10.
'Why, asks Samuel Butler, 'should not chicken be born and clergymen be laid and hatched? Or why, at any rate, should not the clergyman be born full grown and in Holy Orders not to say already beneficed ? The present arrangement is not convenient ... it is not only not perfect but so much the reverse that we could hardly find words to express our sense of its awkwardness if we could look upon it with new eyes. ..."
As soon as we are born, if we could but get up, bath, dress, shave, breakfast once for all, if we could 'cut' these monotonous cycles of routine. If once the sun rose it would stay up, or once we were alive we were immortal! — how much forrarder we should all get — always at the heart of things, working without let or hindrance in a straight line for the millennium! Now we waltz along instead. Even planets die off and new ones come in their place. How infinitely wearisome it seems. When an old man dies what a waste, and when a baby is born what a redundancy of labour in front!

Two People I hate in particular
The man walking along the pavement in front of me giving me no room to pass under the satisfactory impression that he is the only being on the pavement or in the street, city, country, world, universe: and it all belongs to him even the moon and sun and stars.
The woman on the bus the other night — pouring out an interminable flow of poisonous chatter into the ear of her man — poor, exhausted devil who kept answering dreamily 'Oom' and 'Yes' and 'Oom' — how I hated her for his sake !

dinsdag 7 april 2015

Charles Darwin -- 8 april 1832

Charles Darwin (1809-1882) hield een journaal bij van de onderzoeksreis die hij maakte van 1831-1836. Een gedeelte hieruit is in het Nederlands vertaald (door Tinke Davids) onder de titel De reis van de Beagle.

8 april 1832 - Ons gezelschap bestond uit zeven personen. De eer­ste etappe was heel interessant. De dag was brandend heet, en toen we door de wouden kwamen was alles daar bewegingloos, behalve de grote, schitterend gekleurde vlinders die traag in het rond fladderden. Het uit­zicht dat we hadden toen we de bergen achter Praia Grande overstaken, was bijzonder mooi; de kleuren waarin een donker blauw overheerste, waren fel; de lucht en de kalme wateren van de baai wedijverden met el­kaar in schoonheid. Nadat we door wat ontgonnen land waren gereisd, kwamen we in een oerwoud dat op alle punten onvergelijkelijk mooi was. Tegen het middaguur bereikten we Ithacaia; dit dorpje ligt op een vlakte, en om het middelste huis heen liggen de hutten van de negers. De regelmatige vorm en plaats daarvan deden mij denken aan de teke­ningen van woningen van Hottentotten in Zuid-Afrika. Omdat de maan vroeg opkwam besloten we diezelfde avond nog te vertrekken naar ons nachtkwartier aan het Lagoa Marica. Toen het donker werd trokken we langs de voet van een van die enorme, kale en steile granietbergen die men in dit land overal ziet. Deze plek is berucht omdat hier lange tijd enkele weggelopen slaven hebben gewoond die zich in leven hielden met wat landbouw op een stukje grond bij de. top. Uiteindelijk werden ze ontdekt, men stuurde er een troep soldaten heen en ze werden allen gevangengenomen, met uitzondering van één oude vrouw die zich van de bergtop te pletter liet vallen, liever dan weer tot slavernij te vervallen. Bij een Romeinse vrouw zou men zoiets edele vrijheidsliefde hebben ge­noemd; bij een arme negerin heet het alleen maar brute koppigheid.
We reden enkele uren voort. De laatste paar kilometers werden moei­lijk, de weg liep door een verlaten wildernis van moerassen en lagunes. In het vage maanlicht was het landschap uiterst mistroostig. Een paar vuurvliegjes schoten langs; een eenzame snip vloog omhoog en liet zijn klaaglijke roep horen. Het verre, doffe ruisen van de zee kon nauwelijks de stilte van de nacht doorbreken.

maandag 6 april 2015

Gerard Bilders -- 7 april 1860

Gerard Bilders (1838-1865) was een Nederlandse schilder. Zijn brieven en dagboek zijn te lezen bij de dbnl.

7 April.
- Ik lijd weder aan het land. Ik wenschte al mijne gedachten zoo goed bijeen te hebben, dat ik mijne bitterheid duidelijk in woorden op het papier kon ontlasten, maar die vaardigheid ontbreekt mij; ik kan mijn spleen alleen toonen door geweldig snel naar huis te stappen, op straat voor niemand uit den weg te gaan, en als ik iemand aanzie, het te doen met een paar lamme en toch brutale oogen, vol fataliteit. O, zon- en feestdagen, hoe moeijelijk is het mij u aangenaam te vinden! Uwe rust is mij eene doorgaande verveling, en wat iedereen genoegen doet, mishaagt mij. En van die dagen nu twee, helaas, in het verschiet!
Tage kommen und vergeh'n, en ik blijf maar altijd in denzelfden toestand. Daar is nog geen streepje helderheid, dat de eentoonige, graauwe toekomst verlevendigt.
Geest van uitsluiting is allerhatelijkst. Hatelijk zijn ook schilderijen, die de leeken vereeren met den naam van netjes.

zondag 5 april 2015

J. van Drielst -- 6 april 1915

• J. van Drielst (?-?). Dagboek van mijne reis door het binnenland van Honduras naar Guatemala.

April 6. Ter inleiding diene, dat ik besloten had mijnen vriend en landsman Carlos Cosman, welke voor eenige dagen uit La Florida, waar hij een tienda houdt, bij ons gekomen was, om zijne driemaandelijksche inkoopen te doen in San Pedro Sula, op zijne terugtocht te begeleiden, met het plan tevens een kort bezoek aan de hoofdstad van Guatemala te brengen.

La Florida ligt dicht bij de grenzen van Honduras en Guatemala, zoodat men in twee dagen van hieruit per muildier dwars door de bergen, La Montana del Merendon, naar Quirigua komen kan, vanwaar de trein u in 9 uur tijd naar de hoofdstad voert.

Om 2 uur ’s middags vertrokken wij op onze mulas, vergezeld van Leonardo, den mozo van Cosman, welke o.a. mijn leeren koffer welke mijne bagage bevatte, met zich voerde. Het is zeer warm, doch.... hieraan moet ik maar wennen, vooral met het oog op de komende dagen, wanneer wij soms den geheelen dag in den zadel doorbrengen.

De weg voert langs de spoorlijn tot Chamelecon, hier wordt rechts afgebogen om tot het doel van onze bestemming van dien dag te komen, nl. Cofradia, op 8 leguas van San Pedro Sula verwijderd. (Eene legua is ongeveer 1,8 kilometer). Tot Chamelecon is de weg vrij goed en vlak, doch dan begint deze te stijgen en passeert men eenige vrij steile cuestas (steile heuvels). Van eenen weg, in de hollandsche beteekenis van het woord, kan men eigenlijk in het binnenland moeilijk spreken. Er is slechts een smal pad, wat door het vele gebruik der mulas ontstaan is.

De rivier Chamelecon vloeit diep beneden ons, wat een prachtigen aanblik oplevert met de aan weerszijden liggende bananen-fincas (plantages), waarvan de dicht opeengroeiende en in regelmaat geplante struiken met hunne wuivende breede bladeren aan een dicht woud doen denken. Ik begin langzamerhand te gevoelen, dat ik nog lang niet gewoon ben aan de schokkende beweging en het harde zadel, en ofschoon ik op aanraden van Cosman mijn slaapdeken alsmede een handdoek op het zitvlak gelegd heb, ben ik des avonds zeer stijf, wat den volgenden dag helaas nog erger wordt.

Om 7 uur ’s avonds komen wij te Cofradia aan, waar in het hier aanwezig zijnde “hotel” overnacht zal worden. In eene schuur worden de hangmatten opgehangen en na onzen maaltijd genuttigd te hebben, waarbij wij gelukkig brood eten kunnen, in plaats van de eeuwige Tortillas, de hier inheemsche maiskoeken, die in vorm op kleine dikke pannekoeken gelijken doch absoluut smakeloos zijn en overal waar de beschaving nog niet ingetreden is, gegeten worden. Over de smakelijke en hygienische wijze, waarop ze bereid worden zal ik maar liever het stilzwijgen bewaren! Wij krijgen verder koffie en gebakken eieren, zoodat wij nog tevreden zijn kunnen, en onze vleeschblikjes niet behoeven aan te breken.

Frans Molenaar -- 5 april 1979

Frans Molenaar (1940-2015) was een Nederlandse modeontwerper. In 1979 hield hij op verzoek van NRC Handelsblad een 'Hollands Dagboek' bij.

Donderdag
Had gehoopt uit te kunnen slapen. 8.45 uur telefoon: 'Ja Frans, met Corrie, kan ik nog een andere foto krijgen van de badmode?' dacht bij mezelf: 'Mens verzuip in je badmode.' Zo verliep verder de hele morgen, dus uitslapen was er niet meer bij.
11.45 uur, mijn lieftallige assistente kwam binnen, hebben snel de boel aan kant gemaakt en zijn in de barre voorjaarskou naar Zandvoort gereden om een fikse strandwandeling te maken, om alle champagne, emoties, spanningen etc. even eruit te lopen. Bij terugkomst in Amsterdam even langs het goede Hoppe gereden, waar Max Heijmans me aanschoot om te vragen hoe of de show geweest was, waarop ik hem zei het jammer gevonden te hebben dat 'de Rembrandt onder de Couturiers' (spitse uitlating van een redactrice) niet gekomen was, waarop hij heel ad rem antwoordde: 'Engel, je kunt me beter de Nachtwacht onder de Nichten noemen!' Om 8 uur weer thuis want zaken zijn zaken. Willink had een grote opening de andere dag en Carel had zijn Sylvia een creatie toebedacht.
23.00 uur in bed met een groot Couture kussen op de telefoon.

vrijdag 3 april 2015

Harry Graf Kessler -- 3 april 1923

Harry Graf Kessler (1868-1937) was een Duitse kunstverzamelaar, museumdirecteur, schrijver, publicist, politicus, diplomaat en pacifist. Hij hield 57 jaar lang een dagboek bij.

Haag. 3. April 1923. Dienstag
Vormittags von zehn bis halb zwei bei Lucius, der mir zuerst eine Stunde lang flaches Zeug von Kunst erzählte (er sei ein Epikureer, könne »nichts Häßliches« sehen, wobei seine Räume ein Beispiel sind, wie aus einem Gemisch von Gutem in geringer Quantität und Halbgutem und Kitsch in sehr großer etwas trivial Trostloses entsteht), bis wir endlich auf die Politik kamen.

Lucius sagte noch unendlich viel mehr (insbesondere über seine Eignung zum Botschafter in Paris, seine Abneigung, diesen Posten anzunehmen usw.), aber er spricht so schnell, wirft so vieles durcheinander, kommt so oft vom Hundertsten ins Tausendste, daß man seinen Gedankengängen (die übrigens nie sehr tief oder neu sind) nur schwer folgen kann. Er sieht sich selbst in tausend Spiegeln, mit Tausenden von Facetten und Glanzlichtern, die ihm immer zwischen seine sachlichen Ausführungen geraten und sie stören und verschieben. »Le petit Lucius« in Paris, die Weiber, seine Klubfreunde, Rodin, Anders Zorn, die Lavallière, Stumm, Halberg, Bismarck, führen in ihren Beziehungen zu seiner Person und seiner nächsten Familie einen wilden Reigen auf, der wie mit Pechfackeln, leuchtend und verwirrend, durch die Tagesfragen hindurchrast.

Lucius ist in der Qualität seines »Glanzes« (er braucht selbst den Ausdruck) und seines Kunstsinnes etwas wie eine Taschenausgabe von Wilhelm II., den er übrigens nicht liebt. Unter anderem zitierte er von ihm die vornehme Äußerung über Rathenau, die er ihm gegenüber bei seinem letzten Besuch in Doorn (Lucius sagt, er geht nicht wieder hin) fallen ließ: »Ist ihm ganz recht geschehen!« (daß er ermordet wurde). Auch über Ballin: »Er habe nie gewußt, daß er Jude sei!«

Er zeigte mir mit Wonne Äußerungen über dieses edle Blut, die er in Waldersees Memoiren gestrichen hat. Trotzdem gehört er ganz und gar zu seiner Epoche. Die Mischung von Genußsucht, falscher Kultur, politischer Betriebsamkeit und Selbstsicherheit und, last not least, schlechten Manieren ist ganz wilhelminisch. Er erzählt sogar (echt wilhelminisch), wie er Rodin korrigiert habe, mit Erfolg. Worauf ihm Rodin gesagt habe: »Je ne savais pas, cher ami, que vous étiez sculpteur.«

Die tiefste Qualität des Wilhelminischen (die Wurzel der Katastrophe), den Mangel an Augenmaß und Bescheidenheit (Selbsterkenntnis), keine Religion, kein Gefühl für die eigene Stellung im All. Daß die Welt diesen Typus ausgebrochen hat, ist nur die Folge davon, daß dieser Typus radikal unfähig war, sich in die Welt einzupassen. In einem symbolischen, tiefen Sinn war Wilhelm II. wirklich der Antichrist, allerdings ein persönlich sehr unbedeutender, flacher, verächtlicher. Aber vielleicht gehört Tiefe und insbesondere tiefe Bosheit gerade nicht zur Figur des Antichrist, sondern eben diese flache, arglose Schalheit, vielleicht könnte ein wirklich böser, machtstrebender Mensch wie Cäsar Borgia oder Napoleon nie polarer Gegensatz zum absolut religiösen Menschen werden. Ihn ordnet die Schwerkraft seiner Bosheit in die Welt ein, so daß er nie ganz zu ihr in Gegensatz treten kann.

woensdag 1 april 2015

Tony Benn -- 2 april 2005

Tony Benn (1925-2014) was een Britse politicus. Een gedeelte uit zijn Diaries 2001-2007 is hier te lezen.

Saturday, April 2 [2005]
The Pope has died. The BBC went into complete tribute. The highlight was that the Pope had defeated communism, as if it were a personal victory.
The fact that he'd opposed the Falklands War when he was in England, the fact that he opposed the Gulf War, that he opposed the Iraq War, were all just skated over. Indeed, the fact that he went to Cuba and said that capitalism was a brutal system was skated over. They did just mention the fact that he was against fighting Aids with condoms, he was against abortion, he was against homosexuality, he was against women priests, but that was all minimised.
So I felt it was just another attack on socialism in all its shapes and forms, and a restoration of religion and religious obedience to the centre of the political scene. I say this with some regret, because he was a good man. He was a committed guy and he worked hard, but this idea of Papal infallibility sticks in my gullet, and also the idea that the duty of Christians is to take orders.

Saturday, April 9
It's very, very cold today, so I put on my woolly underwear. Partly out of curiosity, having watched the Pope's funeral, and trying to understand the country I live in, I watched the wedding of Charles and Camilla.
You saw the guests arriving, and a few, rather straggly people outside, who'd been issued with Union Jacks, waving them in a desultory way.
I'm not saying anyone wishes ill to the couple, but I wouldn't have said there was any sense of excitement.
Then a Rolls-Royce arrived, and they went back to St George's Chapel at Windsor for the blessing. I really do feel we've been taken back to Edwardian Britain. Under Blair, we've gone back 80, 90 years, all these toffs in fancy clothes.
No one's embarrassed about wealth any more, and the general public just stand there, with the police watching them, with flags, just waving. They're treated like idiots and imbeciles and servants and slaves.