maandag 15 december 2014

Frederik van Eeden -- 15 december 1906

Frederik van Eeden (1860-1932) was schrijver en psychiater. Hij hield een groot deel van zijn leven een dagboek bij.

zaterdag 15 december
Een dag en nacht die mij heugen zal. Wist ik maar de beteekenis, de waarachtige beteekenis van het vreemde wat mij overkomt. Hoever is 't inbeelding, hoever waarlijk beteekenisvol? Achter alles schuilt toch gedachte, bedoeling, toeleg, overleg ... o woorden, woorden met vagen zin, wanneer komt er klaarheid? ▫ Ik ontvluchtte het sombere huis als een dief of moordenaar, gebruik makend van een uur dat de gastvrouw weg was om mijn koffer te pakken en een rijtuig te halen. ▫ De toedracht in mijn ziel was allermerkwaardigst. De daad zelf maakte me nerveus, in 't hotel had ik een weinig hartzeer en spijt om de goedheid en gastvrijheid die ik achterliet en verwisselde voor de hartelooze hotel-vrijheid. ▫ Toen was ik bij Else Otten op 't thee-uur en werd opgewekt en sprak vroolijk en verruimd over 't geval. Bij Mirauer vond ik haar aandoenlijken brief waarin ze mij vergeving vraagt voor de mij bezorgde onaangenaamheid en mij verzoekt haar te vergeten.
Daarop zag ik Hedda Gabler. En dat pakte mij aan. Geweldig. Maar zooals een wild beest aanpakt, mij verschrikkend en tot hevig verweer dwingend. ▫ Het is, geloof ik, door en door slecht werk. Maar het is zoo bekwaam en met zulk een duivelsche toewijding gemaakt dat het den echten kunstenaar tegelijk doet gruwen en ontmoedigt. ▫ In Nora ondervond ik iets dergelijks. Maar dat zag ik nog zonder vrees, minachtend en schouderophalend. Daar durf ik wel tegen op. ▫ Maar het stuk Nora, slecht gespeeld in Amsterdam, was een miezerige, halfdoode kat. Hedda Gabler, meesterlijk gespeeld in Berlijn, was een levende tijger. ▫ Ik voelde mij verontwaardigd, maar ook verslagen en verschrikt. Moet ik daar tegen op? Moet ik concurreeren met die theaterkunstjes, met die speculatie op een gedegenereerd publiek? Moet ik ook streken gaan bedenken met verloren manuscripten, juist op tijd stervende tantes, moet ik dramatiek gaan zoeken in societeitsheeren en professors? Dat kan ik niet. Zulke draadjes kan ik niet knoopen. Omdat ik het niet wil.
Naar huis gaand was ik geheel kleinmoedig en neerslachtig. Ik vond mijn weggaan van Mirauer's huis dwaas en geheel onnoodig. Een malle gril die ik berouwen zal. ▫ Let wel op die gemoeds-wending, als gevolg van het zien van Ibsen's slechte kunst. ▫ En nog sterker. Ik sliep spoedig in op mijn hotelkamertje. Maar ik droomde de afschuwelijkste sensatie die ik ooit gedroomd heb. En wel deze dat ik absoluut arm en broodeloos was, en dat ik iedere cent, alles wat ik nog had gestolen had, en dat er niets meer voor me te krijgen was dan door diefstal. En de situatie was een grauw en donker wintersch moeras, met slijk en stronken, en een wanhopig ademloos jagen zonder hoop, een hijgend benauwd zwoegen zonder de minste kans op redding, en het gevoel van schuld, al zwaarder schuld. En zeer vaag de gedachte aan de goede weldoenster die ik had afgestooten.
Ik werd wakker, en peinsde over dien droom. En ik voelde het verband, Ibsen's kunst, mijn eigene, bestemd die te bestrijden en te vervangen. De droom, het woedende demonen-werk, gebruik makend van elke weifeling, elke zwakte die ik toon. Mijn vijand mij fel en met duivelsch overleg en duivelsche macht aantastend waar ik mij bloot gaf.
En dit besef, de verschrikkelijke grootte van mijn taak en het gevoel van mijn broos bestaan en mijn teere ziel greep mij zoo aan dat ik snikte, zooals ik nooit 's nachts geschreid heb. ▫ En nu ik 't neerschrijf schrei ik weer. ▫ Het spreekt van zelf dat de werklust, het vertrouwen in mijn scheppingsvermogen, het vreugdevolle dicht-gevoel totaal verdoofd was. Zoozeer dat ik mijn nieuwe werk vooreerst maar wil staken, en ik een artikel ga schrijven over wat ik gezien heb.
Nu, heden morgen, zit ik rustig op mijn hotelkamer en het evenwicht herstelt zich. Mijn slaap bleef slecht, hoewel ik mij voldoende uitgerust voel, en physiek volkomen wel en behagelijk. Maar de booze invloeden zijn niet overwonnen. Het is beslist goed geweest dat ik het sombere huis verliet. Dáár kon ik mijn levensvlam niet helder houden. Maar het was toch een vlucht, een nederlaag. Ik schreef een langen brief aan Mirauer. Ik sprak Jenni Hamburger, die mijn secretaresse worden wil.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen