vrijdag 20 januari 2012

Willem Hendrik de Beaufort -- 20 januari 1915


20 januari I915
Heden te 's-Gravenhage gekomen, de reis per auto gemaakt. Zacht weder, wat mist. Onderweg overal militairen, bij Bodegraven stonden kanonnen geposteerd. Men kan goed zien dat wij nog in oorlogstoestand verkeeren. Heden weder eenige gemeenten in staat van beleg verklaard, daaronder Leusden. Dit zal wel wederom last geven. Onze militaire autoriteiten zullen, hoop ik, gaan begrijpen dat alleen wegens dringende rede last mag worden opgelegd.
Ik vond hier een brief van den Belgischen gezant die mij namens den minister van Buitenlandsche Zaken diens dank overbracht voor het door mij gesprokene in de zitting der Tweede Kamer. Men schijnt dus te begrijpen dat voor wat in Nederland geschiedt wel eens een woord van dank mag worden uitgesproken. Tot nog toe hoorden wij nog niet veel, hoewel wij veel voor België deden. Ik vond dit een slecht teeken omdat ik er uit meende te moeten opmaken dat men, indien Duitschland eens het onderspit mocht delven, tegenover Nederland geen schuld van dankbaarheid wilde erkennen teneinde met meer vrijmoedigheid vergrooting van grondgebied op kosten van Nederland te kunnen eischen. Misschien begrijpt men in België dat de kans op een dergelijke vergrooting begint te verloopen en nu maar liever Nederland tot goeden vriend houdt.
Een geheele nederlaag van Duitschland lijkt op dit oogenblik dan ook zeer onwaarschijnlijk. Allerwege zijn de berichten voor Duitschland gunstig, de Engelsche bladen, die de zotste verhalen van Engelsche overwinningen en van Duitschen tegenspoed enzoovoort verspreiden zonder eenigen schijn van waarheid, beginnen ook te erkennen dat het een moeielijke zaak is om de Duitschers te overwinnen. De overwinning bij Soissons schijnt vooral aan het voortreffelijk beleid der Duitschers te danken te zijn. Heden berichten de dagbladen dat Duitsche Zeppelins boven Engeland zijn geweest en te Yarmouth en op andere plaatsen met hunne bommen vele menschen, vooral vrouwen, kinderen en jonge menschen hebben vermoord. Dergelijke aanvallen zijn eigenlijk schandelijk, zij moesten verboden zijn; maar de Duitschers hebben er genoegen in om de Engelschen te doen zien dat zij hun in hun eiland schade kunnen aanbrengen. Ik hoop zeer dat de verbondenen zullen voortgaan met zich van dergelijke aanvallen op niet of bijna niet versterkte steden te onthouden; maar ik vrees dat het gevoel van behoefte aan wraak door deze moorden van onschuldigen zeer zal geprikkeld worden en dat men eerlang ook Engelsche vliegers boven Duitschland zal zien, die daar nog andere zaken zullen trachten te vernielen dan de werkplaatsen voor vliegwerktuigen. Men beweert dat men in Duitschland zoekende is naar en op het spoor is van een ontplofbare stof die zulke schromelijke verwoestingen kan aanrichten dat bijvoorbeeld een stad van 100.000 inwoners met een vijftal bommen bijna totaal vernield kan worden. Heeft men dat gevonden dan moet Londen eraan gelooven en zal men trachten de schoonste en rijkste deelen der stad te vernielen. In Engeland heerschen echter in het algemeen ten opzichte van vernieling in den oorlog humaner denkbeelden dan in Duitschland waar men eigenlijk tegenover een niet-Duitscher alles geoorloofd acht.


* Dagboek van Willem Hendrik de Beaufort
* Willem Hendrik de Beaufort (1845-1918)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen