maandag 31 oktober 2022

Johan Goerée d'Overflacquée • 1 november 1918

• Onder het pseudoniem Johan Goerée d'Overflacquée schreef Haagsche Post-eigenaar/hoofdredacteur S.F. van Oss (1868-1949) gedurende twee jaar een dagboek, waarin de dagelijkse beslommeringen van een "welgekleede hagenaar van goeden huize" worden afgewisseld met diens visie op de wereldgebeurtenissen.

Vrijdag 1 November. Japikse, de huisbaas, reeds te 1/2 10 ten mijnent met kwitantie voor de huur; en vischte tersluiks naar mijn gezindheid tot koopen, of anders tot minnelijke schikking met verhoogde huur; edoch gaf hem wat beide betreft nul op 't rekest; en 8 het wijs beleid in deze eerst de vredeskat uit den boom te kijken. En mijn baard heden erg stoppelig; zijnde dit de derde dag van den barbier met absentie, wegens griep; en bedenkelijk grijs, zoodat mijn vrouw gezegd ik er uitzie als een oude vent, en zoo niet kan rondloopen. Maar geen lust gevoelende mij in barbierswinkels aan besmetting [met de Spaanse griep] bloot te stellen; en ten slotte Amalia bij Marinus een veiligheidsmes gaan leenen. Doch moet van deze nieuwmodische Amerikaansche bedenkselen niets hebben, en stel ik scheren ten achter bij de regelen der gezondheid. Waarover sprekende aan ons tafeltje iedereen mij gelijk gaf; en Muffelmans van oordeel ik mijn baard dien te laten doorgroeien en zulks volgens hem de waardigheid mijns uiterlijks te verhoogen, en begint hetzelve te gelijken op een raadsheer, hem welbekend. Verder Blommerse, de journalist, hoog opgegeven van het 50-jarig jubilé van Mijnh. Haaxman van de Nieuwe Courant; en deze volgens allen een zeer vriendelijk en deugdzaam man, met welversneden pen; en de grootste autoriteit aangaande het Haagsche leven. En in zake de Politiek, Tisza doodgeschoten, en Turkije den wapenstilstand aangenomen; en daarbij alles toegegeven, incluis opening der Dardanellen. En Blabbers zeggende de Engelschen kwade kerels, dewelken nog altoos elken oorlog gewonnen, Kol. Bulders opgestoven, en beweerd Turkije verkocht en verraden door een Pacha, en hebben de Engelsche Ponden gewonnen, maar niet zijn soldaten.

zondag 30 oktober 2022

Koos van Zomeren • 31 oktober 2009

Koos van Zomeren (1946) is een Nederlandse schrijver. Dit fragment komt uit Naar de natuur, een natuur- en mijmerdagboek ineen.

31 oktober • Met Gerrit Keizer op Einde Gooi. We liepen een beukenlaan in en hij attendeerde me op de littekens van blikseminslagen. 'En dat komt door dat weilandje daar,' zei hij.
Vroeger gold de regel dat je bij onweer gerust onder een beuk kon gaan staan. Omdat beuken rechtstreeks contact met het grondwater mijden, meed de bliksem beuken. Dat is veranderd door elektrolyse van nitraten en nitrieten die komen aanwaaien met meststoffen en neerslaan op de bast. De bast van een beuk is niet langer basisch. En fijnstof. Fijnstof op de bast ioniseert, wordt zuur, brandt naar binnen, tast de bast aan. Het kan zijn dat het daar ook mee te maken heeft, maar ik sluit evenmin niet uit dat Gerrit intussen op een ander onderwerp was overgegaan. In ieder geval, in zo'n laan zijn blikseminslagen nu schering en inslag.
Gerrit Keizer weet veel, ik denk weleens: te veel. Hij is gespecialiseerd in de relatie tussen bomen en zwammen. Verder is binnen mijn gezichtskring niemand in de relatie tussen bomen en zwammen gespecialiseerd, en er zijn bij mijn weten ook geen toegankelijke boeken over. Door bij Gerrit aan boord te gaan, raak ik dus verzeild op wateren die mij volstrekt onbekend zijn. En dan, met het oog op de horizon gericht, begint hij in zijn tempo te praten. Hij zegt iets en hij zegt nog iets en nog iets, en dan zie jij eindelijk kans er een vraag tussen te wringen. Deze vraag is bedoeld om hem het gezegde te laten verduidelijken, lees: vereenvoudigen. Maar zijn antwoord maakt de zaak nog dubbel zo gecompliceerd. En bij de volgende vraag herhaalt zich dat. Zo raken we verder en verder van het veilige haventje van mijn begripsvermogen verwijderd.
Ik ben een keer eerder met hem op pad geweest, bos bij Dieren, Koninginnedag dit jaar, opzienbarend maar in het begin nogal raadselachtig nieuws op de radio toen ik weer in de auto stapte. Toen heb ik hem mijn verslag van onze ontmoeting voor publicatie laten lezen. Elke zin van mij lokte er wel drie van hem uit. Het was net of je dunne honing op een lepeltje moest zien te krijgen. Uiteindelijk zei ik: 'Ik geloof best dat er méér over te zeggen valt. Maar wat er staat, klopt dat of klopt dat niet?' En door deze vraag met grote hardnekkigheid te herhalen, hebben we het toen tot een goed eind gebracht, goed genoeg in ieder geval om het nog eens te proberen. Maar nu heeft hij het stukje dat ik ga schrijven niet ter inzage gevraagd, en ik heb het hem ook niet toegezegd.

Charles Pooter • 30 oktober 1889

• Charles Pooter is de hoofdpersoon in het fictieve Diary of a nobody (1892), over de wederwaardigheden van een kantoorklerk, geschreven door George en Weedon Grossmith. Was destijds een zeer succesvol boek, en werd ook in het Nederlands vertaald.

October 30. I should very much like to know who has wilfully torn the last five or six weeks out of my diary. It is perfectly monstrous! Mine is a large scribbling diary, with plenty of space for the record of my everyday events, and in keeping up that record I take (with much pride) a great deal of pains.
I asked Carrie if she knew anything about it. She replied it was my own fault for leaving the diary about with a charwoman cleaning and the sweeps in the house. I said that was not an answer to my question. This retort of mine, which I thought extremely smart, would have been more effective had I not jogged my elbow against a vase on a table temporarily placed in the passage, knocked it over, and smashed it.
Carrie was dreadfully upset at this disaster, for it was one of a pair of vases which cannot be matched, given to us on our wedding-day by Mrs. Burtsett, an old friend of Carrie's cousins, the Pommertons, late of Dalston. I called to Sarah, and asked her about the diary. She said she had not been in the sitting-room at all; after the sweep had left, Mrs. Birrell (the charwoman) had cleaned the room and lighted the fire herself. Finding a burnt piece of paper in the grate, I examined it, and found it was a piece of my diary. So it was evident some one had torn my diary to light the fire. I requested Mrs. Birrell to be sent to me tomorrow.

Peter R. de Vries • 29 oktober 2005

Peter R. de Vries (1956-2021) was een Nederlandse misdaadverslaggever. In 2005, toen hij kortstondig lijsttrekker was van een door hem opgerichte politieke partij, hield hij op verzoek van NRC Handelsblad een 'Hollands dagboek' bij.

Donderdag
Vroeg opgestaan en eerst stevig getraind in de sportschool. Ik sport al mijn hele leven. Ik heb nooit gerookt, nooit drugs gebruikt en drink voor een journalist (en politicus) zeer bescheiden. Ik hang de filosofie van een gezonde geest in een gezond lichaam aan. Ik train vijf keer – en soms meer – per week. Dat wil ik er ook in Den Haag inhouden. Mensen die zeggen dat ze geen tijd hebben om te sporten, bedoelen dat ze geen tijd willen maken. Als ik niet sport, voel ik me niet lekker. Als ik goed heb gesport kan ik daarentegen de hele wereld aan. In de sportschool vraagt iemand me of ik denk dat ik het allemaal kan, daar in Den Haag. Goede vraag. Soms vraag ik me dat ook wel eens af. Tegen Jacqueline heb ik onlangs nog gegrapt: ‘Stel je voor, sta ik daar straks op het bordes met mijn HAVO-diplomaatje…’. Balkenende is geloof ik professor, Pim was dat ook en Donner is een theoretisch genie. Maar goed, ik heb een journalistieke ‘praktijkopleiding’ van ruim 25 jaar gevolgd en veel gezien en bijgeleerd.


donderdag 27 oktober 2022

Gerrit de Veer • 28 oktober 1596

Gerrit de Veer (ca. 1570 - na 1598) was een bemanningslid van de expeditie onder leiding van Jacob van Heemskerk en Wiilem Barentsz, die vastraakte in het poolijs en moest overwinteren op Nova Zembla. Zijn reisjournalen werden gepubliceerd als Waerachtighe beschryvinghe van drie seylagien, ter werelt noyt soo vreemt ghehoort (1598). Hertaald door Vibeke Roeper en Diederick Wildeman.

28 oktober
De wind was n.o. Een paar mannen waren vertrokken om brandhout te halen, maar er brak zo'n geweldige storm los met jachtsneeuw, dat ze snel terugkwamen. 's Avonds toen de storm was gaan liggen, gingen drie van ons naar de bevroren beer toe om hem de tanden uit zijn bek te breken. Het beest was echter bedolven onder een berg sneeuw en op hetzelfde moment begon het weer te stormen en te sneeuwen, zodat ze zich naar huis moesten haasten. Ze zagen geen hand voor ogen en het scheelde weinig of ze hadden de deur van het huis gemist.

29 oktober
De wind was n.o. We haalden stenen van het strand om die op het dak te strooien. We waren er door het slechte weer niet meer aan toe gekomen om de kieren tussen de planken van het dak dicht te maken, maar we hadden er alleen een zeil over gespannen. Met die stenen erop zou het dak dichter en warmer zijn.

30 oktober
De wind was nog steeds n.o. De zon kwam nog nauwelijks boven de horizon.

31 oktober
Er stond een n.o. storm met een felle sneeuwjacht. We durfden niet eens ons hoofd buiten de deur te steken.

1 november
De wind was n.o. Het was zo koud dat we niet naar buiten durfden.

2 november
De wind was west, maar 's avonds weer noord. De zon ging op in het z.o. en onder in het z.z.w. Hij kwam niet helemaal boven, maar schoof langs de horizon. Iemand gooide een vos dood met zijn bijl. We vilden en braadden hem, en aten hem op. We hadden eerder helemaal geen vossen gezien, maar pas nu de zon niet meer opkwam en de beren waren verdwenen, kwamen de vossen te voorschijn.

4 november
Stil weer. De zon kwam niet boven de horizon. Onze chirurgijn liet een bad maken van een wijnvat waar we om beurten in gingen zitten stoven. Het verkwikte ons en hielp ons gezond te blijven. We vingen een witte vos.


woensdag 26 oktober 2022

Luise Rinser • 27 oktober 1944

• Luise Rinser (1911-2002) was een Duitse schrijfster en politiek activiste. Ze publiceerde verschillende boeken met dagboekaantekeningen. In oktober 1944 werd ze gevangen genomen wegens Wehrkraftzersetzung ('ondermijning van de weerbaarheid'). Met kerstmis werd ze weer vrijgelaten. Ze hield tijdens haar gevangenschap een Gefängnistagebuch bij. Onderaan een machinevertaling van de Duitse tekst.

27. Oktober 1944
Die Polin in der Zelle nebenan, ein ganz junges Geschöpf, wurde verhaftet als Helferin bei einem Diebstahl. Ihr Geliebter und dessen Freund, zwei polnische Arbeiter, baten sie, bei den Bauern, in deren Dienst sie stand, zwei Fahrrader zu borgen, nur für den Sonntag. Sie waren wohl in ihre Heimat damit geflohen, und der Bauer klagte auf Diebstahl. Lioba, oder wie sie heißt, wurde ins Gefängnis gesteckt. Das arme Ding befindet sich hier in einer äußersten Verzweiflung. Ihr Geliebter hat sie im Stiche gelassen und sie noch dazu aus Leichtsinn in eine so abscheuliche Lage gebracht. Daß sie von dem Vorhaben der beiden nichts wußte, scheint mir klar zu sein. Gegen Morgen hatte ihre Qual den Höhepunkt erreicht. Sie schlug mit dem Kopf und den Fausten an Wände und Türen an und brüllte. Keine Aufseherin kam. Ich habe keine Minute geschlafen. Außerdem beginne ich zu hungern; die ersten Tage nach meiner Einlieferung habe ich nichts gegessen, teils aus Trotz, teils aus Zorn, teils aus Ekel vor dem rostigen Blechlöffel und den angeschlagenen Blechnapfen, in denen das Essen gebracht wird. Dann aber sagte ich mir, daß es sinnlos wäre, zu hungern. Um meinen passiven Widerstand kümmerte sich keiner. Fast alle Häftlinge versuchen es erst einmal instinktiv oder berechnend mit einem Hungerstreik, sagte mir Frau P., aber alle geben ihn eines Tages auf.
Das Essen ist wenig und schlecht. Es gibt hier einen Wochenspeisezettel, der sich immer wiederholt, so daß man schon monatelang voraussagen kann, was es etwa am 5. Januar geben wird. Sonntag: Eine Art Gulasch mit Kartoffeln zusammengekocht. Hin und wieder fïndet man eine Fleischfaser oder ein Knorpelstück. Als Delikatesse gelten uns die Wacholderbeeren, die darin schwimmen. Sie sind das einzige Gewürz, das man in der Küche benützt. Am Abend gibt es zwei kleine Stücke Brot, ein Stückchen Margarine und einen Löffel Marmelade, dazu ein wenig Fruchttee. Montag: Sauerkraut, Kartoffeln, abends einige Pellkartoffeln mit billigem Kase. Von den Kartoffeln ist meist die Hälfte schlecht, bisweilen sind sie noch hart. Dienstag: Kartoffeln mit ein paar Möhren zusammengekocht; abends Wassersuppe mit Brot.
Mittwoch: Eine Art von Haschee, ähnlich wie Sonntag, mit ein bis zwei Fleischfasern und hineingeschnittenen Kartoffelscheiben; abends Wassersuppe mit Brot. Donnerstag: Weißkraut mit Kartoffeln; abends Wassersuppe mit Brot.
Freitag: Graupensuppe, ein winziges Stück schlechter Wurst (Pferdewurst sagt man); abends Wassersuppe mit Brot. Samstag: Bratkartoffeln (natürlich in Wasser gebraten), dazu Wassersuppe; abends: Brot, eine Scheibe billige Wurst. Das alles hört sich ganz passabel an, aber es ist alles nur halbgekocht, kalt, ohne Würze, ohne Fett, versalzen oder gar nicht gesalzen, unappetitlich, in manchmal kaum gespülten Napfen, dazu der Blechlöffel, den man selbst in kaltem Wasser ohne einen Lappen und ohne Putzmittel spülen muß. Manchmal ist eine Mahlzeit auch bei größtem Hunger ungenießbar. Die Nahrung ist keinesfalls ausreichend. Der völlige Mangel an Fett und Zucker macht sich bemerkbar. Ich magere rasch ab. Die Kleider schlottern um meinen Körper, mein Gesicht ist eingefallen und alt; ich entdecke graue Haare an meinen Schlafen. Ich hungere. Frau M. sagte mir, ich könnte mir von zu Hause ein Paket schicken lassen. Wöchentlich seien ein Pfund Schwarzbrot, ein Pfund Weißbrot, ein Pfund Obst und etwas Marmelade erlaubt. Alles andere ist verboten. Ich darf alle vierzehn Tage nach Hause schreiben. Ich werde bitten, mir Essen zu schicken. Ich muß hier um jeden Preis durchhalten.br />br />br /> Machinevertaling met DeepL:

27 oktober 1944
De Poolse vrouw in de cel ernaast, een heel jong schepsel, werd gearresteerd als medeplichtige aan een diefstal. Haar minnaar en zijn vriend, twee Poolse arbeiders, vroegen haar twee fietsen te lenen van de boeren in wiens dienst ze was, alleen voor zondag. Ze waren waarschijnlijk mee naar hun vaderland gevlucht, en de boer klaagde aan voor diefstal. Lioba, of wat haar naam ook is, werd naar de gevangenis gestuurd. Het arme ding is in een staat van totale wanhoop hier. Haar minnaar heeft haar in de steek gelaten en haar bovendien uit onachtzaamheid in zo'n verachtelijke positie gebracht. Het lijkt me duidelijk dat ze niets wist van hun plan. Tegen de ochtend had haar lijdensweg zijn hoogtepunt bereikt. Ze sloeg met haar hoofd en vuisten op de muren en deuren en schreeuwde. Er kwam geen directeur. Ik heb geen minuut geslapen. Bovendien begon ik te verhongeren; de eerste dagen na mijn opname at ik niets, deels uit verzet, deels uit woede, deels uit afkeer van de roestige tinnen lepel en de gehavende tinnen bekers waarin het eten werd gebracht. Maar toen zei ik tegen mezelf dat het zinloos was om te verhongeren. Niemand gaf om mijn passieve verzet. Bijna alle gevangenen proberen eerst een hongerstaking, instinctief of berekenend, vertelde mevrouw P., maar ze geven het allemaal op een dag op.
Het eten is weinig en slecht. Er is hier een weekmenu dat steeds wordt herhaald, zodat men maandenlang kan voorspellen wat er op bijvoorbeeld 5 januari zal zijn.
Zondag: Een soort goulash gekookt met aardappelen. Af en toe vind je een vleesvezel of een stukje kraakbeen. De jeneverbessen die erin drijven worden beschouwd als een delicatesse. Sie sind das einzige Gewürz, das man in der Küche benützt. Am Abend gibt es zwei kleine Stücke Brot, ein Stückchen Margarine und einen Löffel Marmelade, dazu ein wenig Fruchttee.
Montag: Sauerkraut, Kartoffeln, abends einige Pellkartoffeln mit billigem Kase. De helft van de aardappelen is meestal slecht, soms zijn ze nog hard.
Dinsdag: Aardappelen gekookt samen met een paar wortelen; 's avonds watersoep met brood.
Woensdag: Een soort hasj, vergelijkbaar met zondag, met een of twee vleesvezels en aardappelschijfjes erin gesneden; 's avonds watersoep met brood. Donderdag: Witte kool met aardappelen; 's avonds watersoep met brood.
Vrijdag: gerstesoep, een klein stukje slechte worst (ze zeggen paardenworst); 's avonds watersoep met brood. Zaterdag: gebakken aardappelen (natuurlijk in water gebakken), met watersoep; 's avonds: brood, een plakje goedkope worst. Dit klinkt allemaal heel acceptabel, maar het is allemaal maar half gaar, koud, zonder kruiden, zonder vet, gezouten of helemaal niet gezouten, onsmakelijk, in soms nauwelijks omgespoelde schaaltjes, plus de tinnen lepel, die je zelfs zonder doekje en zonder schoonmaakmiddelen in koud water moet afspoelen. Soms is een maaltijd oneetbaar, zelfs met de grootste honger. Het eten is lang niet voldoende. Het totale gebrek aan vet en suiker laat zich voelen. Ik verlies snel gewicht. De kleren trillen om mijn lichaam, mijn gezicht is ingevallen en oud; ik ontdek grijze haren op mijn slapers. Ik ben uitgehongerd. Mevrouw M. zei dat ik een pakje van thuis kon laten opsturen. Een pond bruin brood, een pond wit brood, een pond fruit en wat jam zijn wekelijks toegestaan. Al het andere is verboden. Ik mag elke twee weken naar huis schrijven. Ik zal vragen of er eten naar mij gestuurd kan worden. Ik moet het hier koste wat kost uithouden. Vertaald met www.DeepL.com/Translator (gratis versie)

Vertaald met www.DeepL.com/Translator (gratis versie)

dinsdag 25 oktober 2022

Rogi Wieg • 26 oktober 1997

Rogi Wieg (1962-2015) was een Nederlandse schrijver. Zijn dagboek over het jaar 1997 is gepubliceerd als Liefde is een zwaar beroep.

25 oktober 1997
Aankomst in Budapest. Vanaf nu schrijf ik de naam van deze stad met een 'u', zoals de Hongaren dat doen. Eigen flat in een buitenwijk, in mijn koffer een pak met geld (van tevoren door de universiteit uitbetaald salaris + 'persoonlijk' geld). Het vliegtuig van de Hongaarse vliegtuigmaatschappij Malév was laat vannacht. Het was donker, zodat de piloot de luchthaven niet kon vinden. Ik ben nog niet eenzaam.
Goedemorgen! Er zijn tien uren verstreken. Mooi weer vanochtend, ik zie de bergen in de verte. Ik weet niet waar ik ben.

26 oktober
De stortbak van de wc heeft het begeven. Ik heb lekkage in mijn flatje. Wat kranen dichtgedraaid en met een emmer gewerkt. Soms valt het geluid van de televisie uit, of verdwijnt de kleur van het beeld. En van mijn telefoon was een paar keer de lijn dood.
Gegeten met vrienden van de Nederlandse faculteit in een straat die Duivelskuil heet. Deze naam is passend voor de plek waar het restaurant is gevestigd. Zondag in Budapest. G. heeft gebeld. En ik heb haar teruggebeld. Ik mag niet weer beginnen met de hele tijd naar G. te bellen, want daar heb ik niet genoeg geld voor. Bovendien is het de OCD [obsessieve compulsieve stoornis] die me drijft. Ik wil tientallen malen per dag controleren of G. nog van me houdt. Mijn hoofd barst van de dwanggedachten: moord en doodslag. Ik ben er niet meer zeker van of ik G. niet dood wens. Affectieve storingen binnen mij! Niet bellen is de beste oplossing.
Gisterennacht belandde ik bij toeval vlak in de buurt van het huis waar mijn grootmoeder, de moeder van mijn vader, meer dan veertig jaar heeft gewoond. Ze is anderhalf jaar geleden overleden. Niemand hield van haar. In mijn laatste twee boeken heb ik uitgebreid over haar geschreven. Ze woonde in de oude, joodse wijk, naast de grootste synagoge van Europa. Ik zocht een telefooncel om G. te kunnen bellen en was daar zo mee bezig dat ik niet de tijd nam om verbaasd te zijn over de plaats waar ik me bevond. Ik keek omhoog naar de ramen van het appartement waar mijn oma had gewoond en zag geen licht. Waren de rolluiken neergelaten? Ik voelde niets. Slechts dat ik iets had moeten voelen. Soms valt er aan de dood weinig te beleven. Niet eens ontroering.
G. heeft me gevraagd om mezelf een maand lang niet af te trekken. Ze is ervan overtuigd dat ik in haar klaar zal komen als we, na een maand orgastische onthouding, weer gaan neuken. Hoe kan ik in hemelsnaam een hele maand lang niet masturberen? Ik heb vanmiddag een lul als een vlaggenstok.
Vrijdag begin ik met het geven van colleges. Twee jaar geleden heb ik een essaybundel over poëzie voltooid. Het boek heet Wie is zo lief als een dichter? en beslaat bijna driehonderd bladzijden (zie mijn brief aan Wim Brands, ergens dit jaar). Het manuscript heb ik meegenomen uit Nederland: het bevat uitstekend lesmateriaal. Wouter van Oorschot wilde het boek graag uitgeven, maar toen ik 'overging' naar De Arbeiderspers kon ik die essaybundel mooi meenemen. Nu mag Ronald Dietz het boek, waaraan ik nog zeker tweehonderd bladzijden wil toevoegen, publiceren. Maar misschien zal Wie is zo lief als een dichter? nooit verschijnen. Ja, dat is een idee: ik laat het manuscript voor wat het is. Dan kan iemand het ooit nog eens ontdekken. Een mens hoeft niet alles wat hij heeft geschreven uit te laten geven. Het is charmant om een dikke, interessante pil over de dichtkunst achter de kast te verstoppen.